De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

8 minuten leestijd

32

1 Thess. 4:13-18 (vervolg).

Ditmaal geven wij onze aandacht aan wat Paulus schrijft in vers 16. In het voorafgaande vers schreef hij dat met het oog op de wederkomst des Heeren de reeds ontslapen gelovigen niet zullen worden achtergesteld bij hen, die dan nog zullen leven op aarde. Beiden wacht naar het woord van Christus Zelf een heerlijke toekomst.

In vers 16 werkt hij dit nog weer nader uit. 't Is, alsof hij, bijzonder door de Geest verlicht, die toekomst voor zich ziet. „Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan".

Direct al, wat hij in de aanhef van dit vers zegt, heeft bijzondere betekenis. Volgens de Statenvertaling schrijft de apostel hier: „Want de Heere Zelf". Natuurlijk gaat het hier om Christus. Eigenlijk zegt de apostel het zo: „Hij, de Heere".

En wij begrijpen, waarom hij het op déze wijze zegt? Wij wezen er reeds op, dat de apostel in dit gedeelte wellicht de komst van Christus stelt tegenover de intocht van de keizer. Niet die intocht, maar de komst van Christus brengt de volkeren de ware vrede. En nu kan de keizer wel als heer vereerd worden, zoals ook inderdaad geschiedde, doch Christus is de eigenlijke Heere. 't Is déze gedachte, welke doorklinkt in wat Paulus hier schrijft: „Hij, de Heere".

Als vanzelf denken wij hier even aan wat de apostel zegt in Filippenzen 2. Daar heeft hij het er over, dat aan de Heere Jezus een Naam gegeven is boven alle Naam en dat de Christus uitermate verhoogd is geworden. Hoe ontroerend spreekt hij daar echter ook over Diens vernedering, welke aan die verhoging vooraf moest gaan. Omdat Hij alles volbracht heeft, wat nodig was om de scheiding en onvrede tussen God en de zondaar weg te nemen, daarom werd Hij uitermate verhoogd en is Hij gesteld tot de Heere in geheel enige zin. Wel is dit feit thans nog veelszins verborgen, doch éénmaal zal het ten volle openbaar worden, bij Zijn wederkomst!

Paulus omschrijft dit wederkomen dus als een nederdalen uit de hemel. Opmerkelijk is het woord, dat hij hier eigenlijk gebruikt. In de Griekse vertaling van het Oude Testament wordt dit zelfde woord gebezigd ter aanduiding van het komen Gods tot Zijn volk of tot Zijn dienstknechten, in algemene zin. Of, Vooral ten oordeel! Merkwaardig en zinvol is het, dat de apostel ook hier dit woord voor de wederkomst gebruikt. Immers, alle nadruk valt in dit gedeelte op het troostrijke voor de gelovigen van de wederkomst en van wat dan zal gebeuren. Maar het is, alsof de apostel toch ook hier niet vergeten wil, dat die wederkomst ook gericht inhoudt.

Het is goed, dunkt mij, dat wij dat ook altijd weer bedenken, 't Is een doorlopende gedachte in de Schrift, dat de verhoging van Christus, als loon op Zijn vernedering, óók inhoudt, dat de Vader Hem éénmaal de uitvoering van het laatste gericht in handen zal geven. Laten wij ons 'dit weer even bewust maken: Hij, Die om het grote werk der verzoening tot stand te brengen, onze menselijke natuur heeft aangenomen en ons menselijk leven kent in al haar facetten, heeft van de Vader de eer ontvangen om éénmaal ons geslacht te oordelen. Wij worden niet geoordeeld door Eén, Die Zich om ons geslacht niet bekommerd heeft en ons een Vreemde is gebleven, maar door Eén, Die Zich uit grondeloze liefde op bijzondere wijze met dat geslacht hééft willen verenigen! Hoe rechtvaardig en zuiver zal hét oordeel in Zijn handen liggen.

Niet voor niets legden wij er de vinger bij, dat zelfs in dit gedeelte van Paulus' brief doorklinkt de gedachte, dat de wederkomst ook gericht inhoudt. Wij vinden dit telkens weer in zijn brieven evenals in de ganse Schrift, 't Is goed, dacht ik, daar weer op te wijzen. Wordt immers in veel prediking, met name van de Midden-Orthodoxie, dit element niet verzwakt of geheel gemist? Wanneer het gaat óver de Toekomst, krijgt de gedachte van de toekomstige heerlijkheid van het Koninkrijk Gods een te éénzijdig accent. En deze heerlijkheid wordt de gemeente voorgehouden als één, die, naar het schijnt, allen zonder meer tegengaan! Natuurlijk hangt dit laatste samen met iets anders. Dat de genade en het heil Gods zó worden voorgesteld, alsof deze zomaar allen overkoepelen en er niemand eigenlijk meer néén tegen zeggen kan. Dat de mens van nature néén zegt en niet anders wil en kan dan dat, en dat wedergeboorte en bekering noodzakelijk zijn om deel te hebben aan die genade en dat heil Gods, krijgt dan ook niet het accent, dat het hebben moet! Intussen, wat die toekomstige heerlijkheid betreft, — die komt volgens de Schrift niet, dan door het laatste gericht heen. En dat gericht zal scheiding betekenen, ook in de gemeente, die nu het Woord Gods hoort en ontvangt en ook éénmaal daarnaar geoordeeld zal worden. In een prediking, welke voluit Schriftuurlijk wil zijn, zal ook dit element met gemist mogen worden! 

Iets anders vraagt onze aandacht. Telkens weer bepaalt de Schrift er ons bij, dat een zo belangrijk gebeuren als de wederkomst des Heeren een gebeuren is, dat valt buiten elke menselijke berekening en beschikking. God de Heere onttrekt ze daar ten enenmale aan. Ja, de Schrift zegt ons zelfs, dat het Gode behaagd heeft, dat ook de Christus daarvan  moest zeggen: „Van die dag en die ure weet niemand, noch dé engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader". In deze uitspraak van Jezus zal wel opgesloten liggen, dat het Hem, Die toch ook de Zoon is, als onze Zaligmaker niet is meegedeeld om het ons te openbaren Het behoort niet tot de openbaring Gods tot onze zaligheid om ons bekend te maken met die ure!

Weer zeggen wij: hier past een biddend, verlangend wachten in de spanning, als zou het elk ogenblik kunnen gebeuren. En wij zeggen stellig niet te veel, wanneer wij beweren, dat zeker ook in de hemel dit wachten gevonden wordt, niet alleen bij de engelen en dé gezaligden, doch ook bij de Christus, als onze Zaligmaker. Men leze in dit verband Hébreeën 10 vers 12 en 13. Ook hier geldt, wat Christus getuigde van al Zijn werken, in Johannes 5: „De Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij het de Vader ziet dóen".

't Is mogelijk, dat deze gedachte ook ligt in ons tekstvers. Wat schrijft, de apostel daarin nader? Dat de Heere met een geroep zal neerdalen uit de hemel! Het woord, dat hij hier in het oorspronkelijke gebruikt, betekent zoveel als commando, signaal. Dus voor zijn geest ziet of hoort hij iets gebeuren, dat als een signaal zal aangeven: let op, nu gaat het grote geschieden! Of dat als een commando in het leger gegeven, zal weerklinken: nu moet gij optrekken!

En nu zijn er verklaarders, die, wat Paulus hier schrijft, op zulk een wijze uitleggen, dat wij het zó moeten zien, dat dit signaal dan van Christus Zelf zal uitgaan. Hij, Die immers de Heere is, zal dan dit signaal met name als een bevel tot de gestorvenen doen uitgaan, en op dit signaal zullen zij dan verrijzen uit het stof. Deze verklaring geeft stellig een goede zin en past in het verband. Het gaat daarin immers ook om de ontslapenen, die dan zullen worden opgewekt!

Er zijn echter andere exegeten, die aan deze verklaring een uitbreiding geven. Volgens hen moeten wij dat geroep, waarvan de apostel hier melding maakt, inderdaad wel opvatten als een signaal, dat tot de ontslapenen zal uitgaan, doch dat éérst de Christus Zelf gelden zal. Dan zal dit signaal dus van de Vader uitgaan. Als een teken, allereerst aan Zijn Zoon: nu is het Uw ure, sta nu op om Uw laatste werk te verrichten! En dan zal de Zoon dit doen!

Weer laten wij dit op ons inwerken: boven in de hemel wacht alles, ook de Christus, op dit signaal. Hoe fout is het dan, als mensen de dag en de ure van de wederkomst willen berekenen, zoals dit in sommige sectarische kringen wel gebeurt. Wij doen beter ons daaraan nooit te wagen en ook in deze niet buiten ons boekje te gaan. Wel bedenken wij ook nu weer, dat wij wat dit betreft, beter iets anders kunnen doen. En dat de Heere ons daartoe roept.

In dit vers doet de apostel ons denken aan een signaal, dat eens gegeven zal worden. Bij de spoorwegen zijn soms voor het eigenlijke sein waarschuwingsseinen geplaatst. Welnu, het grote signaal van de wederkomst van Christus zal God éénmaal niet ongewaarschuwd en zonder enige voorbereiding geven. Hoeveel waarschuwingsseinen gaan daar niet aan vooraf? Daar zijn volgens de Schrift de tekenen, welke vooraf zullen gaan aan die grote Dag! Jezus Zelf noemt ons in Mattheüs 24 dingen, welke geschieden zullen op het terrein van de natuur, in de geschiedenis der volkeren en op het terrein van de religie, — die Hij duidelijk als zulke tekenen aanwijst.

Zolang de mensheid na Zijn hemelvaart op weg is naar Zijn wederkomst zijn die tekenen te zien, doch hoe dichter zij hét einde nadert, des te duidelijker worden die tekenen! Gods Kerk moet daarom maar niet gaan rekenen, wel moet zij acht geven op die tekenen. En alzo er rekening mee houden, dat ook zij het einde steeds naderbij komt. Doen wij dit ook?

Een volgend maal zetten wij de bespreking van dit vers voort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's