WORDT DE NIEUWE PSALMBERIJMING GERUISLOOS INGEVOERD?
De Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk zond dezer dagen een schrijven aan de kerkeraden over de nieuwe Psalmberijming. Hierin wordt de wens uitgesproken, dat zoveel mogelijk reeds nu de nieuwe berijming wordt gezongen in de gezinnen, in verenigingsverband, op de scholen en in samenkomsten van de gemeenten, waarbij vooral gedacht is aan kerkdiensten, gemeenteavonden en catechisaties. Tevens spreekt de Synode de wens uit, dat spoedig de definitieve tekst zal kunnen worden vastgesteld van wat nu als een „proeve" verschijnt. Door dit rondschrijven is de kwestie van de psalmberijming snel acuut geworden in ons kerkelijk leven.
Zoals de lezers weten is op 14 juni jl. te Rotterdam door het bestuur van de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming een proeve van een nieuwe berijming van de 150 psalmen aangeboden. In 1958 was reeds een proefbundel verschenen, die nog slechts 110 psalmen bevatte. In ons blad heeft de heer P. Hogervorst destijds in enkele artikelen literaire kritiek geuit op deze voorlopige proefbundel. Volgens ds. C. B. Burger (in een artikel in Woord en Dienst van 2 september jl.) zijn er sinds 1958 honderden voorstellen tot verbetering bij de Synode ingediend. Er waren echter heel weinig werkelijke verbeteringen bij, schrijft hij. Dat is dan blijkbaar de oorzaak, dat de eerder gepubliceerde 110 psalmen thans in de volledige bundel ongewijzigd zijn herdrukt.
Hoe belangrijk het vraagstuk van de psalmberijming is, blijkt voornamelijk uit twee dingen: in de eerste plaats zullen we er mee te maken krijgen via de scholen. Na enkele jaren kennen veel kinderen de liederen niet meer, waarmee hun ouders vertrouwd zijn. Voor de liturgie in de kerkdienst brengt dit allerlei moeilijkheden mee. In de tweede plaats zijn sommige kerken in de Commissie vertegenwoordigd (o.a. de Gereformeerde Kerken) maar andere niet, zodat we ook buiten de Hervormde Kerk met de kwestie geconfronteerd worden. De eenheid der kerken in Nederland, waarvan reeds zo weinig te bespeuren valt, wordt door de Psalmberijming nog meer in gevaar gebracht. De Geref. Kerken (Vrijgemaakt) hebben reeds ernstige bezwaren tegen deze „proeve" uitgesproken, terwijl de Chr. Geref. Kerken en de Geref. Gemeenten ook wel niet bepaald enthousiast zullen zijn.
Onze houding.
Het is geen eenvoudig werk om de proeve van berijming te beoordelen. Hiervoor moeten kenners van de Hebreeuwse taal worden geraadpleegd, terwijl ook de dogmatische inhoud der liederen moet worden onderzocht. Daarnaast komt de literaire waarde ter sprake. Maar ook muziektechnische en praktische overwegingen spelen een rol. De genoemde factoren zijn niet alle even gewichtig voor de christelijke gemeente. Voorop moet gaan een onderzoek naar de wijze, waarop de Hebreeuwse tekst der psalmen in de berijming is weergegeven. Onmiddellijk daarna is het van belang of de dogmatische voorstellingen in de „proeve" in overeenstemming zijn met het getuigenis van de Schrift in haar geheel en met de belijdenis der Kerk. 1). Eerst daarna kunnen letterkundige, muziektechnische en praktische voordelen en bezwaren worden overwogen. Het gaat in het lied der gemeente in de eerste plaats om een zuivere vertolking van de door God geopenbaarde waarheid.
De procedure.
Op grond hiervan kunnen we de inhoud van het synodale schrijven, dat in de aanhef genoemd werd, slechts betreuren. Voordat de kerk de gelegenheid heeft gekregen zich in haar ambtelijke vergaderingen over de wezenlijke inhoud der nieuwe berijming uit te spreken, krijgt zij het advies er reeds een veelvuldig gebruik van te maken. Het lijkt er op, dat de weg gevolgd wordt, die ook ten aanzien van Nieuwe Bijbelvertaling en het dienstboek is bewandeld. Wij worden er toe aangespoord zonder meer gebruik te maken van hetgeen werd ontworpen.
Men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat gestreefd wordt naar een geruisloze invoering van iets dat op bezwaren kon stuiten, wanneer het in discussie kwam. Hierbij komt nog de nevel van geheimzinnigheid, waarmee de „proeve" omsluierd is. De gemeente weet niet wie de dichters zijn, of op welke wijze het geheel tot stand gekomen is. Desondanks moet zij maar beginnen te zingen. Later, als de berijming is ingeburgerd, zullen wij wel horen, hoe alles zich heeft toegedragen. In deze procedure wordt de gemeente als een onmondig kind behandeld, dat niet moet proeven, doch slechts doorslikken. Zowel op kerkordelijke als op principiële gronden moeten wij tegen deze gang van zaken protesteren.
Vernieuwingen allerwege.
Eenvoudige gemeenteleden kunnen de vraag stellen, waarom er plotseling allerlei nieuwigheden moeten worden voorgesteld en ingevoerd: een nieuwe Bijbelvertaling, nieuwe formulieren, een nieuwe psalmberijming. Vernieuwingen behoren in deze eeuw echter tot het onvermijdelijke. Dit vindt niet slechts zijn oorzaak in de veranderingen, welke zich in de laatste tijd in onze taai voltrokken hebben, maar meer nog in de wijzigingen, die op het gehele cultuurpatroon van West-Europa inwerken. De technische, sociale en economische omwenteling, beklemtoond door de ervaringen in twee wereldoorlogen, doet behoefte gevoelen aan nieuwe vormen ook voor de oude waarden. Wij spreken niet slechts anders dan onze voorouders in vroegere eeuwen, doch wij zijn ook anders van structuur. Bovendien voltrekken zich de wijzigingen in een zo snelle vaart, dat het dynamische tempo onzer dagen een snelle uitvoering der vernieuwingen eist. Wij mogen ons niet verzetten tegen het bestuur van God, die ons in deze tijd doet leven. Ja, wij moeten dankbaar zijn, dat Hij ons in deze eeuw een plaats en een taak gegeven heeft. Deze taak omvat ook, dat wij kritisch moeten bekijken wat de moderne tijd ons aan nieuwe vormen voorschotelt.
Moeilijkheden.
Wij zullen daarbij niet uit het oog mogen verliezen, dat zij, die bij voorkeur psalmen zingen, niet om een nieuwe berijming hebben gevraagd. Voor een deel ligt dit in hun aard: men houdt van het oude, dat ons van vaderen is overgegeven.
Toch is er een diepere oorzaak aan te wijzen, wanneer wij juist in gereformeerde kringen in de Herv. Kerk tegenstand tegen de nieuwe berijming ontmoeten. Het nieuwe komt van een zijde waartegenover men min of meer argwanend staat. De leiding der Kerk, die zich met enthousiasme op allerlei veranderingen werpt, staat op gespannen voet met de belijdenis, waaruit de gereformeerden leven. Geen wonder, dat nieuwe geschriften enigszins wantrouwend worden opgenomen.
Wanneer dan bovendien blijkt, dat de wijze, waarop b.v. deze psalmberijming zal worden ingevoerd aan gerechtvaardigde kritiek onderhevig is, neemt de achterdocht toe. Velen zien goed in, dat veranderingen in eeuwenoude tradities de onzekerheid doen toenemen. Dit is des te ernstiger, omdat de wankelmoedige mens in de veranderende wereld van deze eeuw reeds een groot gebrek aan houvast heeft.
Bovendien weten de hervormd-gereformeerden zich verbonden met geestverwanten buiten de eigen Kerk. Zijn wij ten onrechte bevreesd voor een overijlde invoering van liederen, die een groot deel van die niet-Hervormde broeders en zusters zullen afwijzen? In de Commissie voor de Psalmberijming hadden Luthersen, Doopsgezinden en Remonstranten zitting. Deze zingen echter slechts een kleine bloemlezing uit de psalmen. Het is met het levensbeginsel der hervormd-gereformeerden gegeven, dat zij minder belang stellen in de genoemde kerken dan in die, welke de zelfde belijdenis met hen aanvaarden. Denk b.v. aan de Geref. Kerk (vrijgemaakt), de Chr. Geref. Kerken en de Geref. Gemeenten. Men moet niet tegenwerpen, dat deze kerken slechts klein zijn; ook de kerken, die medewerkten in de Commissie voor de Psalmberijming, hebben geen groot ledental. In de gereformeerd georiënteerde groepen worden uitsluitend of overwegend psalmen gezongen. Voor hen is de kwestie van een andere berijming dus veel belangrijker dan voor gemeenten, die slechts in geringe mate van de psalmen gebruik maken in hun liturgie. Alles moet in het werk gesteld worden om op dit terrein een zo groot mogelijke mate van overeenstemming tussen de gereformeerde groeperingen van ons te bereiken. Dit is, hoewel tijdrovend en moeizaam, noodzakelijk om te voorkomen, dat wij nog verder uit elkaar groeien dan thans reeds is geschied.
Het onvermijdelijke.
Al maakten wij bovenstaande opmerkingen, wij ontveinzen ons niet, dat de nieuwe berijming binnen niet al te lange tijd zal worden ingevoerd. Op tal van plaatsen zal men er wellicht spoedig toe over gaan de kinderen op de scholen de nieuwe berijming te laten leren. De gemeentezang kan moeilijk iets anders doen dan na korter of langer tijd volgen. Zo liggen de weinig verkwikkelijke feiten. De kerkelijke chaos, waarin wij ons bevinden, plaatst ons voor deze werkelijkheid. Nu moeten wij niet doen alsof de kerk te gronde zal gaan door een bepaalde psalmberijming, zelfs niet al is er heel wat op aan te merken. Christus houdt Zijn gemeente in stand! De kerk is ook niet ondergegaan, doordat in 1773 een berijming werd ingevoerd (welke wij nu nog zingen), die op tal van punten afweek van de gereformeerde belijdenis. Maar al hebben wij vertrouwen in Christus, onze Koning, daarom behoeven wij nog niet gretig te bijten in alles, wat ons wordt opgediend aan de kerkelijke dis.
Oude en nieuwe berijming.
Zo straks werd de berijming van 1773 genoemd. Ook daartegen bestonden toentertijd vele bezwaren — en terecht! Zij vertoont veel moralistische en rationalistische trekken. Degenen, die er niet van wilden horen wanneer deze opmerking vroeger van gereformeerde zijde werd gemaakt, roepen dit nu zeer luide uit. Men vergete echter niet, dat door het gebruik en de gewijzigde geestesgesteldheid heel wat oorspronkelijke bezwaren veel van hun kracht verloren hebben. Als de gemeente zingt van „het pad der deugd", denkt zij niet meer aan de deugd en braafheid van de 18e eeuw, maar past zij die uitdrukking toe op de vreze des Heeren. Men kan natuurlijk wel jubelen, dat de „proeve" de geest van de 18de eeuw niet meer ademt, waartegen zoveel bedenkingen bestaan. Dat is volkomen waar, maar de „proeve" ademt de geest van de twintigste eeuw en of die zoveel beter is, mag men wagen te betwijfelen.
Het is met een berijming nu eenmaal zo, dat de dichter de inhoud van de hebreeuwse tekst moet inpassen in maat, rijm en ritme. Daarbij is het noodzakelijk, dat er stukjes en brokjes worden aangevuld in de coupletten. „Stoplappen" noemt men zulke aanvullingen. Welnu, stoplappen zijn nimmer geheel te voorkomen. Ze komen daarom zowel in de oude als in de nieuwe berijming voor. Juist in deze stoplappen komt de dichter zelf aan het woord, waardoor de geest van de eeuw gelegenheid krijgt zich te uiten. Zo komt in de berijming van 1773 de uitdrukking „het pad der deugd" voor en in de „proeve" is sprake van „levenslust en jeugdige overmoed" (Ps. 110). Zouden wij daarin niet de geest van de twintigste eeuw horen?
We moeten van een berijming verwachten, dat ze vrij is van eigentijdse smetten en het volmaakte bereikt heeft. Maar men moet ook niet voorgeven, dat het nieuwe zoveel beter is dan het oude.
Behoedzaamheid.
Er zullen ongetwijfeld mensen zijn, die zonder ooit de bundel te hebben ingezien, zullen zeggen: „Ik ben er tegen!" Voor sommigen schijnt het kenmerk van rechtzinnigheid te zijn, al wat nieuw is af te keuren. Het is zo gemakkelijk. Men behoeft niets te onderzoeken, men behoeft van de dingen niets af te weten. Men zegt heel eenvoudig: „Ik ben er tegen!"
Zo mag het onder ons niet zijn. Wij zullen voorzichtig, met de Bijbel naast de berijming, moeten toetsen wat ons is aangeboden. Negativisme helpt ons geen centimeter vooruit. En laten wij wel bedenken: straks zingen onze kinderen de psalmen in een nieuwe berijming. Laten wij daarom nagaan, wat er noodzakelijk verbeterd zou moeten worden. De woorden van ds. Burger in het geciteerde artikel geven ons weliswaar weinig hoop: „Zullen er nog veel veranderingen worden aangebracht? Dat is niet waarschijnlijk". Desondanks zullen wij ons moeten inspannen om een zo goed mogelijke berijming te krijgen. En hebben we dan geen hoop op God, die werk, dat biddend verricht wordt, zegenen kan?
Het ligt m.i. niet op de weg van gemeenteleden om de arbeid van dichters te gaan verbeteren. De gemeente kan slechts zeggen: „Op die plaatsen is er iets niet in orde". Zij moet aangeven in welke geest er een verbetering moet worden aangebracht. De poëtische uitwerking daarvan moet zij aan de deskundigen overlaten.
Tot mijn spijt kan ik er niet veel voor voelen om volgens de richtlijnen van de Synode reeds volop uit de bundel te gaan zingen. Twee bezwaren moeten ons m.i. daarvan terughouden:
1. De predikant is geneigd liederen die hem het meest geslaagd lijken te kiezen. De gemeente krijgt dan de indruk, dat de rest ook even goed is. Hierdoor wordt de zin voor kritiek afgestompt.
2. Men gewent de gemeente reeds aan een nieuwe berijming, terwijl we nog in de tijd verkeren, dat een nauwkeurig onderzoek moet worden ingesteld naar de juistheid ervan.
Samenvattend moet de conclusie luiden: Laat de Kerk toch de nieuwe psalmberijming niet overijld invoeren, zonder tijd te nemen voor een rustige beoordeling en voor overleg met andere kerken. De zaak is daarvoor veel te belangrijk!
*) Binnenkort hoop ik in enkele artikelen enige psalmen of bepaalde onderdelen nader te behandelen vanuit de hebreeuwse tekst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's