De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse LEERREGELS

10 minuten leestijd

Zo is dan het geloof een gave Gods; niet, omdat het aan de vrije wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het de mens metterdaad wordt meegedeeld, ingegeven en ingestort; ook niet daarom, dat God alleenlijk de macht om te geloven zou geven, en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven van de vrije wil des mensen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in de mens teweegbrengt beide, de wil om te geloven en het geloof zelf.

HOOFDSTUK III/IV

Artikel 14

Het geloof.

Wat is er bedoeld met het geloof? Iets meer en iets anders dan een toestemming van het verstand aan de geopenbaarde waarheid. Zo is het bij Rome, en dan wordt het weinig meer dan wat wij een historisch geloof noemen. Bavinck schrijft: „Rome heeft niet anders dan een fides historica". Mijn overtuiging is, dat in vele kerkelijke kringen van onze tijd geloof niet veel meer is dan historisch geloof. Men neemt met z'n natuurlijk verstand aan, dat Jezus voor, alle zondaren gestorven is of dat wij allen met God verzoend zijn en dat past men al te gemakkelijk toe op zichzelf en men meent te geloven. Maar historisch geloof is niet hetzelfde als zaligmakend geloof. Weliswaar is het op zichzelf van grote waarde, maar het zaligmakend geloof is door het historisch geloof niet te vervangen. Het zaligmakende is wezenlijk daarvan verschillend.

Om het ware geloof te kunnen oefenen moet men trouwens wederom geboren zijn, echt, niet verondersteld. Men kan de natuurlijke mens op alle manieren zijn grote verantwoordelijkheid voorhouden, maar dan zal men hem toch ook moeten beletten in een historisch geloof te vluchten. Men zal er zeker voor moeten zorgen, dat men recht het onderscheid preekt tussen historisch en zaligmakend geloof. Het ware geloof is een vrucht van de bijzondere genade des Geestes. Het is door God gewerkt en richt zich op God en Zijn Woord. Zo is het ons door de reformatoren geleerd en het is goed, dat wij ons beijveren de leer der reformatie niet van zijn plaats te laten dringen.

Prof. H. Bavinck vatte de reformatorische opvatting als volgt samen: „De Reformatie heeft deze Roomse opvatting van het geloof in alle opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuze natuur van het geloof hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid tussen de fides historica (historisch geloof) en de fides salvifica (zaligmakend geloof). Historisch geloof mocht in sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van grote waarde zijn; het was en bleef essentieel verschillend van het zaligmakend geloof. Alle Hervormers waren eenstemmig van oordeel, dat het zaligmakend geloof, indien niet alleen dan toch zeker ook, in kennis bestond. Zij hebben geen van allen het geloof in een onbewuste aandoening of stemming des gemoeds laten opgaan. Maar de kennis, die element was van het zaligmakend geloof, was toch een gans andere dan die van het historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica ten goede komen; zij veranderde daarmee toch zelf van karakter en ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers daarom weer een eigen, geestelijke, religieuze natuur, niet in trap maar in wezen onderscheiden van alle ander geloof in het leven en de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof. Natuurlijk kon zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit hetzelfde beginsel, als waaruit alle ander geloof bij de mens opkomt. De Reformatie was eenparig in de belijdenis, dat de fides salvifica een gave Gods was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke krachten van de mens noch ook van de algemene genade, maar een vrucht van de bijzondere genade des Heiligen Geestes, een werkzaamheid van de nieuwe, wedergeboren mens, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij Rome neemt het geloof slechts een voorbereidende plaats in; en terecht, want het is in de grond niets anders dan historisch geloof. Maar bij de Hervorming kreeg het wederom de centrale plaats, welke het bekleedt in het Nieuwe Testament; het behoeft niet aangevuld te worden door de liefde; het is genoegzaam om deel te krijgen aan alle goederen des heils. Wie alzo gelooft, staat niet in het voorportaal, maar in het heiligdom der Christelijke waarheid; hij is Christus ingelijfd, al Zijn weldaden deelachtig, een erfgenaam der eeuwige zaligheid".

Om dit zaligmakend geloof gaat het in ons artikel. Dit geloof is niet het weten en toestemmen van leerstellige waarheden. Het is een band der ziel aan de Persoon van de Christus der Schriften en aan de Schrift als het woord van Christus.

Waarom ingestort?

Het geloof, hierboven genoemd, is voor ons mensen onbereikbaar. De gekruisigde Christus is immers de inhoud des geloofs. Maar van Hem schreef prof. Smits, dat het zijn eer te na was, dat een ander voor hem de kruisdood stierf. Ik dacht, dat het voor alle mensen geldt, dat wij de Christus van nature niet nodig hebben. Jesaja voorzegde reeds, dat er geen gedaante of heerlijkheid aan Hem zou zijn, waarom wij Hem zouden begeerd hebben. Het eerste werk des Geestes is dan ook, dat Hij plaats maakt voor Christus. Pilatus vroeg: Wat zal ik dan doen met Jezus? Ja, wat moet een mensenkind met een gekruisigde Borg en Middelaar doen, als hij niet weet, dat hij een onmetelijke schuld bij God heeft.

Daarom zegt de Catechismus, dat het ten eerste nodig is te weten hoe groot onze zonde en ellende is. Van iets, dat wij niet hebben, kunnen wij niet verlost willen worden. Dit betekent niet, dat wij moeten weten, dat wij zonde hebben. In zekere zin weet ieder dit. Het is voor véle kerkgangers een ramp, dat zij menen dit voldoende te weten. Hun oppervlakkig weten, dat zij zondaren zijn, brengt hen tot een nog oppervlakkiger geloven, dat zij geloven in Christus en zo zijn ze aan de dwaze bouwer gelijk, die niet groef en niet verdiepte. Het gaat om een weten van onze zonde en ellende, waarbij wij weten, dat niet Paulus, maar wij zelf de voornaamste der zondaren zijn. Het is ieder persoonlijk nodig, dat de Heilige Geest hem zijn persoonlijke zonde en schuld in zulk een mate doet kennen, dat hij geen raad meer met zichzelf weet. Aan zulken alleen openbaart zich Christus. (Inst. III, 3, 20).

Wolfgang Trillhaas heft in zijn „Der Dienst der Kirche am Menschen" waarschuwend zijn vinger op en schrijft, dat er weinig begrip meer leeft voor wat zonde is. Velen verstaan zonde als een vergrijp tegen het fatsoen of tegen de zeden. Velen leven in het verre land, waar zij met God geen rekening houden.

„Dit heeft ten gevolge, dat wij een ernstig bewustzijn van zonde in de hedendaagse beschaving slechts in heel zelden voorkomende gevallen kunnen veronderstellen. De vraag naar de genadige God beweegt, in tegenstelling met de tijd der reformatie, bewust ongemeen weinig mensen. De zonde heeft daardoor evenwel op generlei wijze aan macht verloren, maar heeft veelmeer aan macht gewonnen; want zij is des te duivelser en gevaarlijker, hoe minder haar betrekking tot de levende God in het oog gehouden wordt.

Men zal echter nog een andere verminking van het zondebewustzijn in het oog moeten vatten. Het gaat om de verwisseling van zonde en algemene zondigheid, die heerst in het nieuw-piëtisme, dat heden zo verbreid is in christelijke gemeenten. De uitspraak, dat wij allemaal zondaren zijn is ongetwijfeld juist. Hij is van een dergelijke algemeenheid, als de wetenschap, dat de mens niet eeuwig leeft, dat zijn krachten beperkt zijn, dat hij een zwak wezen is enz. Men kan dergelijke inzichten dagelijks herhalen. Zij worden ook telkens weer bevestigd, maar hun abstractheid maakt, dat men niet tot een concrete kennis van de aparte dadelijke zonden komt; veelmeer wordt iedere kennis van de enkele zonde door de vaststelling van de algemene zondigheid verkleind tot een bagatel. Die aparte zonde wordt dan alleen nog verstaan als voorbeeld van de geldigheid van de uitspraak, dat we zondig zijn, wat men toch al weet. Daar schrikt geen mens meer van. Hier komt bij, dat de stelling van dé algemene zondigheid alle mensen gelijk stelt. Dan is de verzekering van de Apostel (1. Tim. 1:15), dat hij de voornaamste onder de zondaren is, óf een leeg woord óf een vergissing. In feite betekent de kennis der eigen zonde de ontdekking, dat men geheel persoonlijk aan God ongehoorzaam is geweest, Zijn genade verbeurd en Zijn toorn en gramschap rechtvaardig over zich gehaald heeft. Kennis der zonde betekent niet, dat men vanzelfsprekend onder een algemene wet van zondigheid staat, als onder de wet der zwaartekracht, maar kennis der zonde betekent het niet-vanzelfsprekende en ongehoorde, dat men persoonlijk over de schreef gegaan is en nu met zijn verwerping te rekenen heeft. Het betekent, dat het geweten aan mij knaagt en dat de angst mij voortjaagt tot vertwijfelens toe. De omzetting van deze ontzettend angstige en persoonlijke kennis in een algemene uitspraak is een zware afdwaling der christenheid", (a.w. S. 93).

Dus eerst moet de Heilige Geest ieder persoonlijk tot de kennis van onze diepe val brengen en dan is het ook nog onmogelijk, voor iemand, die zijn zonde kent, te geloven, dat God zulk een de liefde van Christus kan bewijzen. Het geheim van de liefde Gods te kennen en persoonlijk aan te nemen gaat ons menselijk verstand ten enenmale te boven. Als schepsel en als zondaar missen we daarvoor de capaciteit. Onze vermogens schieten tekort. Wij moeten verstand krijgen met Goddelijk licht bestraald.

Daar moet aan elk mens een wonder gebeuren, wil hij kunnen geloven. We zijn er niet klaar mee, als we tot de verbondskinderen gezegd hebben, dat zij verantwoordelijk zijn. Zij zijn niet minder volkomen machteloos. Terecht schrijft Calvijn, het geloof een kennis genoemd hebbende boven de gewone kennis: „Want de kennis, daar wij alhier van spreken is zo veel hoger, dat het verstand des mensen zichzelf te buiten en te boven moet gaan om daartoe te geraken. Het is oneindig en onbegrijpelijk 't geen ons verstand door het geloof begrijpt en dusdanige kennis is veel hoger dan alle verstand". Of anders: „Gelijk wij dan tot Christus niet kunnen komen, tenzij dat wij door Gods Geest getrokken zijn: alzo ook, wanneer wij getrokken worden zo worden wij boven ons eigen verstand en gemoed opgevoerd en verheven. Want de ziel, van Hem verlicht zijnde, verkrijgt en ontvangt als 't ware een nieuwe scherpzinnigheid, waarmee zij die hemelse verborgenheden bemerkt, door welker glans zij voorheen in zichzelf verblind werd. En als het verstand des mensen alzo door het licht des Heiligen Geestes beschenen is, zo begint het als dan eerst waarlijk te smaken de dingen, die tot het rijk Gods behoren: zijnde te voren dwaas en onverstandig om die te proeven. Daarom is 't dat Christus, toen Hij de verborgenheden van het Koninkrijk aan de twee discipelen klaarlijk uitlegde, nochtans bij hen niet met al vordert, voordat Hij hen het verstand opent om de Schriften te verstaan. Alzo moest ook aan de apostelen, die door Zijn Goddelijke mond onderwezen waren, de Heilige Geest gezonden worden, dewelke in hun verstanden indruppen zou, dezelfde leer, die zij met hun oren hadden aangehoord. Het Woord des Heeren is wel degenen, die het gepredikt wordt een zon, die iedereen beschijnt, maar zonder enige uitwerking voor de blinde. En wij zijn al te samen in dezen dele blind van nature. Daarom kan het Woord tot in ons hart niet doordringen, tenzij dat de inwendige Leermeester, te weten de Geest, door Zijn verlichting de toegang bereidt". (Inst. III, 2, 34). Calvijn zegt in III, 2, 41 dat de beloofde dingen hoger zijn dan dat ze door ons gevoel begrepen of door onze ogen gezien of door onze hand getast zouden kunnen worden. En dat dezelve ondertussen niet anders worden bezeten van ons dan als wij al het begrip van ons verstand te buiten gaan en onze scherpzinnigheid boven alles wat in de wereld is uitstrekken".

Voorts tekent Calvijn aan bij Hom. 11: 34: „Gelijk wij dan door onze eigen vermogens in het minst niet in staat zijn om de verborgenheden Gods uit te vorsen, zo wordt ons door de genade van de Heilige Geest de toegang tot de zekere en heldere kennis daarvan geopend. Indien het nu nodig is, dat de Geest ons voorgaat en wij Hem moeten volgen, behoren wij halt te houden en als het ware onze schreden in te houden, waar deze ons verlaat".

Hierom moet ons dus het geloof ingegeven en ingegoten worden omdat wij er uit onszelf nooit bij kunnen komen, onze verantwoordelijkheid en gehoorde prediking ten spijt. Wij bljven blinden, totdat de Heilige Geest ons de ogen opent. En dat is bij de gedurigheid nodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's