De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

8 minuten leestijd

(V)

Bepaalden we ons de vorige keer tot wat de Evangeliën ons leren over de toestand van de mens direct na het sterven, thans willen we wat verder het Nieuwe Testament openslaan en nagaan welk licht de andere boeken, n.l. de Handelingen der Apostelen, de brieven van Paulus, de algemene zendbrieven en de Openbaring van Johannes daarover verschaffen.

Wanneer wij Handelingen 7 voor ons nemen, vinden wij de geschiedenis van Stefanus, die wegens zijn krachtig getuigenis door het Sanhedrin gestenigd werd. Maar wat roept de stervende uit? „Heere Jezus, ontvang mijn geest" (Handelingen 7 : 59). Reeds in de rechtszaal mocht hij temidden van zijn tandenknersende vijanden zijn Koning aanschouwen: „Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods" (vers 56). Op Hem hield hij ook het oog gevestigd, ook toen hij met zijn bloed zijn laatste levenskrachten voelde wegvloeien. Stefanus weet, dat wanneer over enkele ogenblikken zijn laatste snik er is, zijn geest in veiliger handen overgaat, dat Jezus, zijn trouwe Zaligmaker hem opwacht.

Geen andere boodschap brengt de apostel Paulus in zijn brieven. Wel gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat Pau­lus, evenals Jezus, nergens breedvoerig aandacht besteedt aan de toestand tussen sterven en wederkomst. Alle nadruk valt op de grote, heerlijke toekomst, die na de voleinding der eeuwen aanbreekt. Daar is altijd de spits van Paulus' prediking op gericht. Hij is (in het voetspoor van zijn grote Meester) een verkondiger geweest van het Koninkrijk Gods, dat eenmaal, als deze wereld haar loop volbracht heeft, in volle heerlijkheid zal baanbreken. En helder laat de apostel uitkomen, dat wij alleen deelgenoot van dat Koninkrijk kunnen worden door het geloof in Jezus Christus. Met vlammende letters schrijft hij „Indien iemand de Heere Jezus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maran-atha!" (1 Kor. 16 : 22). Eens breekt de grote dag der dagen aan. Christus komt als Rechter van levenden en doden. Daar vestigt Paulus alle aandacht op.

Toch laat hij zich hier en daar iets ontvallen hoe hij denkt over wat de toestand van de gelovige tussen zijn sterven en de wederkomst van Christus is. Zo zegt hij in 2 Kor. 5 : 1 „Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen". Verreweg de meeste verklaarders zijn het er over eens, dat de apostel hier het oog heeft op wat er gebeurt direct na het sterven en niet alleen maar denkt aan de wederkomst van Christus.

Een enkele verklaarder (o.a. H. D. Wendland, Das Neue Testament Deutsch) wil hier uitsluitend aan de wederkomst denken, maar de motieven, die hiervoor aangevoerd worden zijn m.i. nog al zwak. En men moet zich dan wel in allerlei 'bochten wringen om van vers 8 iets te maken: „Maar wij hebben altijd goede moed en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen". Straks bij de wederkomst zal de mens wéér een lichaam hebben, maar hier spreekt Paulus van een verblijf in het lichaam, dat hij begeert te verlaten. Sommigen vertalen het woord, lichaam met „aardse bestaanswijze" om een tegenstelling te krijgen met de „nieuwe bestaanswijze" aan het eind der eeuwen.

Men is doodsbenauwd voor de invloed van het Platonisme, maar nadere bestudering van de geschriften van Paulus toont ons duidelijk, dat de apostel van een heel andere gedachtengang uitgaat. Nergens is bij hem het lichaam iets minderwaardigs of zelfs een vijand van de ziel, want het accent valt in zijn prediking op de wederopstanding des vleses (1 Kor. 15). Maar dat betekent niet, dat wanneer de gelovige sterft hij geen voortbestaan zou kennen zonder lichaam. Wie met Christus door het geloof verbonden is, blijft eeuwig met Hem voortbestaan. Zo kan hij in Romeinen 8 zeggen: „Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Zelfs de dood niet!" (vers 38). Neen, de gelovige blijft in leven en sterven met zijn Heiland verbonden.

Zo kunnen we ook de apostel begrijpen als hij in Filip. 1 : 23 zegt, dat hij een begeerte heeft om ontbonden te worden en met Christus te zijn, omdat dit zéér verre het beste is. Weliswaar spreekt hij daar niet over het „hoe" van het verblijven met Christus (voor Zijn wederkomst), maar er is wel een nauwe verbinding. Paulus verlangt daarnaar. Deze gemeenschap is zijn persoonlijke begeerte, omdat hij het als het beste deel beschouwt.

Concluderend kunnen wij zeggen, dat de apostel (al is het slechts hier en daar terloops) over de tussentoestand dingen gezegd heeft, die duidelijk aantonen, dat er voor de gelovige na het sterven een leven met Christus is, zodat ook hier bevestigd wordt, wat de grote Profeet en Leraar gezegd heeft: „Zo iemand Mijn Woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in der eeuwigheid" (Joh. 8 : 51). Integendeel: „Wie in Mij gelooft, die heeft Het eeuwige leven" (Joh. 6 : 47). De uitspraken van Jezus en Paulus sluiten geheel bij elkaar aan, zodat wij hierin de éénheid van het getuigenis des Geestes zien. Dat geldt trouwens ook voor de andere brieven in het Nieuwe Testament.

In de brief aan de Hebreeën, (hoofdstuk 12) is sprake van de „geesten der rechtvaardigen". In de pericoop (vs. 18 tot 24) behandelt de schrijver de oude en nieuwe bedeling. Mozes en Christus, Sinaï en Sion worden daar met elkaar vergeleken. Ver boven het aardse heiligdom van het Oude Verbond schittert de genade van Christus in de Nieuwe Bedeling. Tegenover het aardse Jeruzalem staat het hemelse, de stad des levenden Gods. Wie verkeren daar? De tienduizenden engelen. Daar is ook de vergadering der eerstgeborenen, die in de hemelen ingeschreven zijn. Dat zijn de geroepenen des Heeren, de gemeente van Christus, die zonder verschrikking haar woonplaats bij God, de Rechter over allen, mag hebben. 

De schrijver verklaart hen nader door „de geesten der rechtvaardigen". Dat zijn dus de gestorven gelovigen, die (zonder lichaam) nu bij God verkeren. Dat kan alleen, doordat Jezus hun Middelaar is en in Zijn bloed het Nieuwe Testament rechtsgeldig gemaakt heeft (vs. 24). „Wij vinden hier onloochenbaar de voorstelling, dat de geesten der rechtvaardigen zich in het hemels Jeruzalem bevinden, terwijl hun lichamen in de graven op de aarde zijn. Zij genieten deze hemelse zaligheid nog vóór de wederkomst van Christus en de daarmee verbonden opstanding der doden". 

In de Openbaring van Johannes spreekt de apostel in hoofdstuk 6 over een visioen, dat hij had, waarbij hij, toen Christus het vijfde zegel geopend had, onder het altaar de zielen zag dergenen die gedood waren om het Woord Gods en de getuigenis, die zij hadden. Hiermee zijn bedoeld de zielen der martelaren, die om hun belijden van de Naam van Jezus hardvochtig ter dood gebracht zijn. Zij riepen met grote stem: „Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? "

Terecht zegt een verklaarder, dat het hier niet gaat om persoonlijke wraakgevoelens, maar om Gods eer. Want die werd aangerand toen zij, als Zijn dienstknechten, onschuldig ter dood gebracht werden. Hun heerlijkste wraak zal zijn als zij uit de dood (dus lichamelijk) zullen verrijzen. Dan zal God immers tonen, dat het Zijn zaak was waarvoor zij stierven? !

Intussen is hier duidelijk, dat deze martelaren hier voortbestaan zonder hun lihaam. Deze zielen krijgen in de hemel deel aan de heerlijkheid van dé verhoogde Christus. Nu kan men hier tegen in brengen, dat dit alléén van de martelaren geldt. Maar mij dunkt, dat andere teksten duidelijk maken, dat het in heerlijkheid verder leven niet uitsluitend tot de martelaren beperkt behoeft te worden. In Openbaringen 14 : 13 staat zonder meer: „Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan...." enz. Daar kunnen de martelaren mee bedoeld zijn, maar dit behoeft niet uitsluitend het geval te zijn. Hebben wij in het vorig artikel het niet over de moordenaar aan het kruis gehad? ! Nu stierf deze inderdaad de marteldood, maar we kunnen toch moeilijk volhouden, dat hij om zijn geloof gekruisigd werd.

Daarom moeten wij het voortleven met Christus m.i. niet tot de martelaren beperken, maar uitbreiden tot alle gelovigen. Ja, wij moeten, meen ik, nog een stap verder gaan en aannemen, dat ook de ongelovigen voortbestaan, zij het dan zonder Christus. Ook hier laat de Heilige Schrift op meer dan één plaats een duidelijk geluid horen. Het voert ons te ver, in dit artikel hier breder op in te gaan. Wij hopen dit een volgende keer te doen, omdat wij hier stuiten op het vraagstuk van de zogenaamde conditionele onsterfelijkheid.


1) F. J. Pop: Bijbelse woorden en hun geheim. (II), Wz. 155.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's