De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

New-Delhi — Uit Hongarije's kerkelijk leven — Om der waarheid wil.

November komt in 't zicht. En daarmede New-Delhi, de hoofdstad van India, waar de Wereldraad van Kerken zijn derde Assemblee hoopt te houden.

Reeds geruime tijd zijn af en toe berichten en artikelen in de Pers verschenen, die niet nagelaten hebben te wijzen op de bijzondere belangrijkheid dezer Assemblee. Wie enigszins meeleeft met het internationale kerkelijk gebeuren weet, dat het in New-Delhi o.m. zal gaan over uitbreiding van de basis-formule. Er komt straks een voorstel ter tafel om als grondslag te aanvaarden:

„De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken, die de Heer Jezus Christus naar de Schriften als God en Heiland belijden en op grond daarvan tezamen hun gemeenschappelijke roeping trachten te vervullen tot eer van de ene God, Vader, Zoon en Heilige Geest".

Links georiënteerde kerken en groeperingen ten onzent — ik denk aan de Vrijzinnigheid en de Remonstranten — hebben hun bedenkingen geuit tegen de voorgestelde wijzigingen; die zijn hun teveel een zwenking naar rechts.

Zal eventuele aanvaarding van de gewijzigde grondslag de gereserveerdheid bij gereformeerden van verschillende kerken ten opzichte van de Wereldraad doorbreken, of althans doen afnemen? Er schijnt in die richting iets gaande. De Synode van Apeldoorn heeft in een der laatste harer zittingen met 43 tegen 9 stemmen besloten „waarnemers" naar New-Delhi te zenden. Hoe het precies in zijn werk is gegaan heb ik niet uit de verslagen kunnen opmaken. D. J. Couvée, em. pred. der geref. kerken te Bennekom, klaagt ook over die onduidelijkheid. Hij zegt ervan in „Geref. Weekblad" (uitgave Kok) d.d. 29-9-'61, in een artikel, getiteld: „Oecumene en angst": „Maar ik kan niet zeggen, dat de pers, die ons zorgvuldig op de hoogte houdt van iedere voetbaltrap tussen Dollard en Schelde even nauwkeurig informeert over de gang van zaken in Apeldoorn". Hier wreekt zich wellicht, dat de Generale Synode der geref. kerken geen officieel communiqué geeft, waarover in hetzelfde nummer van bovenvermeld blad ook een opmerking werd gemaakt. Het ontbreken ervan werd als een lacune gevoeld. Daar zit wel iets in. Doch met officiële communiqués zijn we ook niet altijd serieus en precies op de hoogte van de gang der dingen, getuige de klachten over de synodale publicatie van verschillende onzer kerkelijke bladen.

Maar ik kom nog even terug op het artikel „Oecumene en angst", waaraan ik ook de tekst van het grondslag-voorstel — de wijziging en 't gecursiveerde — ontleende. Dat artikel bedoelt de angst in de geref. kerken voor de Wereldraad te ontzenuwen. De schrijver geeft heel kort het belangrijke werk door de Wereldraad verricht weer, wijst voorts op de missionerende invloed, welke er van hem uitgaat en bepleit het zenden van meer dan één waarnemer, temeer daar de r.k. kerk tal van waarnemers zendt om een zo volledig mogelijk verslag te hebben. Het is hem dan ook uit het hart gegrepen — hij zegt dat in een P.S. onder het eigenlijke stuk — dat de Synode van Apeldoorn het bovenvermelde besluit nam. En hij hoopt, dat ze hun woord zullen spreken, zij het dan ook in de wandelgangen. Het gevoelen, door ds. C. verdedigd, wordt door meerderen — vooral onder de intellectuelen — in de geref. kerken gedeeld. En hun getal groeit. Het artikel dat „Trouw" onlangs publiceerde onder het opschrift: „New- Delhi", zegt in dezen misschien ook wel iets.

Hoe dan ook, door de Synode van Apeldoorn zijn aangewezen als afgevaardigden: prof. dr. G. C. Berkouwer en ds. Van Teilingen. We wachten met belangstelling, welke hun bevindingen zullen zijn. Men weet, dat onze kerk, , die bij de Wereldraad is aangesloten, reeds een afvaardiging heeft benoemd, waarvan o.m., als ik me niet vergis, ook prof. dr. H. Berkhof deel uitmaakt.

Onlangs is in het „Geref. Weekblad" (uitgave Kok) een reeks artikelen verschenen, waarin de situatie van het geref. protestantisme in Hongarije werd getekend. Die is, vanwege compromistendenzen onder de Calvinisten allesbehalve rooskleurig. Men heeft in de rubriek „Uit de Pers" indertijd daarvan iets kunnen lezen. Het heeft geen zin daarop terug te komen.

Dezer dagen las ik iets over de positie van de r.k. in Hongarije. Daarover valt voor de betrokkenen evenmin te roemen. De schrijver van.het artikel, waarop ik doelde — het staat in de N.R.Crt., d.d. 7 oktober jl. — vond daarvoor aanleiding in de dood van dr. Josef Grösz, aartsbisschop van Kalocsa. Grösz was na kardinaal Mindzenty de hoogste prelaat in de hiërarchie van de rooms-katholeeke kerk van Hongarije. Maar die beiden, Mindzenty en Grösz, waren in menig opzicht antipoden. Mindzenty — men herinnert zich nog de geruchtmakende processen tegen hem gevoerd — was de man van de „ecclesia militans", hij bond de strijd aan tegen het commimistisch bewind, en werd tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, maar later in ballingschap gezonden. Doch na het „intermezzo", d.w.z. de eerste tijd na Stalins dood, werd Mindzenty door het Hongaarse bewind in vrijheid gesteld en erkend in zijn waardigheid. Hij moest echter al spoedig — het was omstreeks 1956 — vluchten in de Amerikaanse ambassade, waar hij nu al 5 jaar vertoeft.

Grösz, na Mindzenty's uitschakeling — deze werd in de Kerstnacht 1946 gevangen genomen — geroepen tot leiding der kerk, koos de weg van het compromis, van oordeel, „dat wanneer de herder verdwijnt, de schapen hulpeloos aan de wolven zijn overgeleverd." Hij gaf de communisten op schier alle punten toe, maar „wist het gezag van de kerk op theologisch gebied te handhaven". Dit was bepaald in het verdrag, dat Grösz krachtens besluit van de „bisschoppenconferentie" ondertekende. „Door deze houding", zegt de schrijver, „is dr. Grösz er in geslaagd, een splitsing der kerk — door de vredespriesterbeweging der communisten — te voorkomen". Door zijn dood blijft „de kudde verweesd achter". Alle contacten met het vaticaan zijn al tien jaren, officieel althans, verbroken. Een nieuwe bisschop kan dus niet aangesteld worden. Het elftal bisschoppen van voorheen is tot vier geslonken. „Men vraagt zich af, hoe lang de communisten zich rustig zullen houden", besluit de schrijver.

Nu kan men zeggen: dat geldt Rome en interesseert ons weinig. Maar — ik memoreerde het al — de positie der gereformeerde kerk in Hongarije is niet beter. Waarom dan nog de vernedering van de roomse kerk vermeld? Uit leedvermaak? Dat zou onchristelijk zijn.

Zie, men heeft van zekere zijde eens gezegd, dat ook „onder het communisme valt te leven". Het zal moeten, indien God het over ons doet komen. Maar zeker niet in een weg van het compromis, als boven werd aangegeven. Dan zal er iets van het devies der oude Hugenoten in ons moeten leven, aangeduid door het woord „résister", tegenstand bieden. Daartoe zal er het geloof moeten gekend worden, dat hun door genade was geschonken. En niet dus als een leuze, doch als daad!

Een oud-vaderlands spreekwoord luidt: „een schip op strand een baken in zee". Zo zie men de tragiek van het kerkelijk leven — gereformeerd en roomskatholiek — in Hongarije en danke de Hemel, dat het hier nog anders is en bidde, dat het zo blijve. Ondanks alle compromis-neigingen, die in onze tijd vele zijn, blijft het communisme niet alleen gevaarlijk voor „democratische vrijheden", doch vóór alles de vijand van de religie Gods.

Ruim een maand geleden, 1 sept. 1961, gaf „Kerk en Wereld", „officieel orgaan van de Vereniging van Vrijzinnig-hervormden in Nederland" een artikel van dr. K. Strijd, getiteld: „Om der waarheid wil", waarin hij rustig en bezonken zijn visie op de procedure-prof. Smits gaf. Hij heeft dit stuk geschreven op verzoek van „de perscommissie onzer krant", een verzoek tot hem gericht in verband met wat hij op de laatste Utrechtse predikantenvergadering gezegd had over de leertucht. Hij spaart in zijn artikel, samengevat in 6 punten, prof. Smits niet, noch het Breed Moderamen der Synode, noch de Vrijzinnighervormden.

In punt 1 begint hij alsvolgt: „Voorop moet, geloof ik, toch wel steeds dit éne blijven staan: prof. Smits heeft door zo te schrijven als hij deed over „het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt" alle orthodoxe en zeker ook een deel van de vrijzinnige christenen tot in het diepste van hun christelijke existentie gewond. Ook al heeft hij tenslotte in een brief aan de Deventerse vergadering van vrijz.-herv. de toon betreurd en de vorm herroepen — de inhoud bleef onaangetast".

Hij is van oordeel, dat prof. Smits „deze zaak in ons blad op zo grove wijze heeft aangepakt", dat hij zich, na lezing van het bewuste artikel ten diepste gegriefd voelde en zich de vraag stelde: „Is dit waardigheid in het onderling verkeer? "

Handelend over het laatste besluit van het Breed Moderamen zegt hij: „Ik dacht, toen ik de beslissing van het B.M. vernam, dat dit besluit met algemene stemmen, in grote unanimiteit genomen was. Prof. Beek deelt mee, dat de stemmen eerst gestaakt hebben — ik heb geen reden aan zijn informatiebron te twijfelen. Is het zo onzakelijk in een kerkelijke vergadering, bij een zo ingrijpende en voor zoveel misverstanden open liggende zaak, te zeggen: de Heilige Geest wil blijkbaar niet dat wij dit doen? Men kan dit een groot woord vinden. Dat is het ook. Maar het ging dan ook om een grote zaak".

De vraagstelling in het slot laat ik voor rekening van dr. Strijd. Ik kan ze van hem verstaan. En eveneens, dat hij de gang van zaken, vooral ontstaan door de pertinente weigering van prof. Smits tot een samenspreking met de Raad voor Kerk en Theologie, hoewel de voorzitter van die Raad, tot tweemaal toe gepoogd had prof. Smits van zijn weigering af te brengen, zeer betreurt.

Wat de vrijzinnigen betreft, en wat in hun pers geschreven werd, meent hij, dat het „nostra culpa" (onze schuld) daar niet mag ontbreken: Ik zeg niet, zo vervolgt hij dan, „dat wij uitsluitend het nostra culpa" moeten uitspreken, wèl dat wij het allereerst moeten uitspreken. Daarna komt de schuld van bepaalde organen der kerk".

Ziehier, heel summier, weergegeven het artikel van dr. Strijd. Mij trof daarin het pogen om verschillende aspecten van deze trieste zaak in het licht te stellen, die in vorige vrijzinnige reactie zo niet te lezen waren.

Ik vergeet daarbij niet, dat dr. Strijd zijn stuk schreef om een weg te banen, dat er een zekere herziening van het besluit komt. Daartoe wil hij eerst de atmosfeer zuiveren. Juist omdat ik dit motief er in proefde, heb ik dit artikel hier vermeld. Er schijnt in dezen iets gaande te zijn. Niet voor niets is op de jongstleden gehouden jaarvergadering van de Vereniging van Vrijzinnig-hervormden uitvoerig over de zaak-Smits gehandeld en meermalen gerept van herstel der communicatie.

Zeker is, — het bleek me uit dit artikel — hoopt dr. Strijd er op, evenals de vrijzinnigheid in haar verschillende nuances. Is misschien dr. Strijd aangezocht tot wat hij schreef, om een gunstig klimaat voor herziening te scheppen? Ik weet het, „gissen doet missen", maar het trof mij wel, dat hij schreef: „Men zoeke zijn kracht niet in de eerste plaats op het gebied van de kerkrechterlijke bepalingen. Die zijn belangrijk, maar niet het meest belangrijk. Persoonlijke contacten en gesprekken, waarin men zich laat leiden door de Heilige Geest en door het geloof in de eigen Kracht der Waarheid, zijn nodig — ook met de synodale organen".

Na over de verantwoordelijkheid, die op prof. Smits rust, gesproken te hebben, krijgt het B.M. een beurt. Men luistere slechts: „Op het breed moderamen van de synode rust de waarlijk niet geringe taak het besef te doen verdwijnen, dat vele vrijzinnigen (en waarlijk niet alleen maar een groep zogenaamde echte „richtingsmensen") ernstig verontrust, dat de „beveiliging der predikanten" (zoals iemand het mij zei) bij hem niet meer veilig is. Kan men, zo wordt gevraagd, werkelijk zó vele kanten uit met de Kerkorde? "

Men ziet het, dr. Strijd wil revisie. Dat is wel de teneur van zijn artikel. Hij is in dezen wel een spreekbuis van de vrijzinnigheid in de kerk.

„Kan men dan met de kerkorde alle kanten uit? " zo vraagt hij. Die vraag neem ik over. En dan met het oog op Art. X. Is die „grondslag" voor meerdere uitleg vatbaar? Ik weet wel, op grond van Art. X is de procedure niet beslecht. Men wilde geen leertucht. Maar kan men dan met Ord. 13, art. 29, Kd 5 alle kanten uit? Alles samengenomen kan „het muisje wel een staartje" hebben. Want de vrijzinnigheid voelt wel, dat haar positie in de kerk in geding is. Zal er, wanneer de zaak-Smits toch weer in revisie zou komen, — m.i. kan het niet: het besluit is toch ge­vallen! — en ook indien het niet geschiedt, klare wijn geschonken worden? De tijd zal het leren. Maar één ding lijkt mij wel vast te staan: Art. X, naar zijn essentiële inhoud, en het vrijzinnig belijden, dekken elkaar niet. Hier ligt, het Woord Gods tussen. En het is opmerkelijk, dat dr. Strijd in zijn artikel dat Woord Gods, de Heilige Schrift, niet noemde, noch de belijdenis der kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's