DE WARE WIJSHEID
Ware wijsheid is een gezellin van waarachtige Godskennis. Daarom is echte theologie ware wijsheid.
Christelijke religie — afgezien van wat het woord religie in de oorspronkelijke afleiding moge betekenen, omdat dit onbekend, doch zeker heidens is —, christelijke religie betekent gemeenschap met God in Christus door het geloof.
Geloof, levend geloof is trouwens openbaring dier gemeenschap in ons persoonlijke leven. En, omdat dit zo is, is geloof ook openbaring van gemeenschap met degenen, die van Christus zijn. Eén Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in allen. (Efeze 4 : 5-6.)
Aangezien nu de Godsopenbaring alleen van God uit (en niet van ons uit) kan worden gekend en verstaan, kan zij alleen door het geloof worden verstaan. Immers, als God zich aan ons openbaart, treedt Hij met ons in gemeenschap. Daarom is het geloof een persoonlijke zaak. Toch nadert God niet tot ons met nieuwe, alleen voor ons persoonlijk bereide Godsspraken, maar het heeft Hem goedgedacht, zoals Calvijn het uitdrukt. Zijn waarheid door de Schrift tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven.
Het profetische Woord, dat Hij in de loop der eeuwen door Zijn profeten heeft gesproken, is het orgaan Zijner openbaring. Door dit Woord onderhoudt Hij de gedachtenis van Zijn waarheid in de harten der Zijnen, als door een levenwekkend zaad, omdat het een Woord is van Geest en leven.
Woord en Geest gaan in alle werken Gods tezamen. Ze zijn als de handen Gods.
De openbaring Gods gaat voor ons dus niet buiten de Heilige Schrift om en daarom is het geloof aan het Woord Gods gebonden. De Heilige Schrift wordt derhalve terecht als de regel des geloofs beleden en behoort zonder vermenging van enige zaak, die de mensen buiten het Woord om hebben uitgedacht, gevolgd te worden. Het geloof wil trouwens geen andere leer ontvangen dan die, welke door dit Woord wordt geleerd, zonder daaraan iets toe of af te doen.
Het Woord als een levenwekkend zaad. Dat wordt openbaar in de werking van het geloof. Deze vertoont een merkwaardige parallel met onze zintuigelijke organen. Want gelijk wij door het oog in de ons omringende wereld zien — om nu maar bij het gezicht te blijven — zo zien wij door het geloof in een geestelijke wereld, waar God woont.
Wij zeggen, dat wij horen door het oor, dat wij zien door het oog. Het zien is evenwel een gewaarwording en werking onzer ziel, maar het oog stelt ons in ver'binding met de wereld om ons heen, evenals het oor- en de andere organen. Doch ieder orgaan doet dat op zijn wijs en met zijn eigen bepalingen en orde, met het gevolg, dat nu die wereld om ons heen gaat leven, vorm en gestalte aanneemt, en een rijkdom van klank- en kleurschittering teweegbrengt.
Intussen staan wij hier voor een wonder van Gods scheppende heerlijkheid, waarin wij ons de ganse dag bewegen zonder er misschien een ogenblik bij stil te staan. Wij zien het niet, al valt niet te ontkennen, dat er toch wel enig besef is van de goddelijke Majesteit, die ons in de schepping tegenglanst. Dat kan zelfs zó wezen, dat het ons voorkomt, alsof de wereld transparant wordt, zodat lichtglansen uit een goddelijke wereld er door schijnen, hoewel deze zelf verborgen blijft. Wij kunnen er niet door kijken, en wij verstaan niet de sprake, die daarvan uitgaat.
En toch is het, alsof wij er iets van gewaarworden, dat er van ons iets verlangd wordt. Het zou moeten zijn aanbidding, maar wie zullen wij aanbidden?
Een stem uit een boek zegt, dat de mens een religieus wezen is, dat religie een centraal en het gehele leven beheersend verschijnsel is. Rudolf Otto en anderen hebben schone en treffende dingen daarover geschreven, die voor geen mens helemaal vreemd zijn. Dikke boeken kan men daarover lezen, want het verschijnsel neemt een grote plaats in het leven der volkeren in.
De mens is een religieus wezen, want hij is naar Gods beeld geschapen. Gaat het echter over God en de goddelijke dingen dan is hij blinder dan de mollen, maar door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo, dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit de dingen, die gezien worden, m.a.w. hun oorsprong vinden in een onzienlijke wereld. (Vgl. Hebr. 11 : 3.)
En nu het geloof. Het geloof kan men vergelijken met de wondere werking van de zintuigelijke organen in het gewone alledaagse kenproces, ten aanzien van de dingen, die gezien worden. Het geloof ziet en hoort en gevoelt; d.w.z. het geloof maakt, dat de ziel ontdekt wordt aan haar betrekkingen met de dingen, die niet gezien worden en welker centrum God is. De geestelijke zintuigen melden zich en de ziel hoort en ziet in een geestelijke werkelijkheid, die heel dicht bij is. Het transparant wordt doorbroken, het rapport met die geestelijke werkelijkheid is onmiddellijk en deze laat zich niet meer opzij dringen.
Dat begint met de Heilige Schrift, die men intussen jarenlang kan lezen zonder dat geloof. Theologen spreken van zaligmakend geloof, tijdgeloof, historisch geloof en mogelijk nog van meer onderscheidingen, maar het heeft weinig nut daarbij lang stil te staan. Veel duidelijker is de gelijkenis van de zaaier. Wij vinden de uitlegging van de Heere Jezus Christus erbij. (Matth. 13 : 3-23.)
Daaruit blijkt, dat wij een zeer verschillende graad van ontvankelijkheid voor het Woord kunnen hebben en toch niet komen tot het geloof, dat vruchten voortbrengt.
Ook een verstandelijk Christendom is niet zonder enig geloof en daarom niet zonder enige Godskennis, nl. van God de Schepper en Onderhouder. Vele mensen komen niet verder. Calvijn maakt dan ook onderscheid tussen tweeërlei Godskennis, waarvan de eerste reikt tot de kennis van God de Schepper en de tweede, waarbij God als Verlosser gekend wordt. (Institutie, I, 6, 1.) Doch beiderlei kennis wordt verkregen door het Woord. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. (Rom. 10 : 17.) Want hoe zullen zij geloven, van welke zij niet gehoord hebben? (Rom. 10 : 14.)
Zonder openbaring geen Godskennis. En daar het de Heere God nu heeft behaagd, zich door het Woord, dat Hij door de profeten en de apostelen heeft gegeven, bekend te maken, dan is daarmede de enige weg des geloofs gegeven.
Als wij 't nu zo gesteld hebben, dat het geloof uit de gemeenschap met de hemelse Vader opkomt, dan volgt daaruit, dat geloof een gave Gods is, want wij kunnen van ons uit niet tot God opklimmen. En dan volgt er ook uit, dat in ons geloof de graad van innigheid van die gemeenschap met de God der Schriften — want een andere is er niet — tot uiting komt.
Dat betekent niet alleen, dat het geloof zijn hoogtepunten en dieptepunten heeft, want het geloof is leven, leven met God aan de hand van Zijn Woord, maar het betekent - ook, dat het geloof verschillend gericht kan zijn en zich verder of dieper kan uitstrekken. Daarmede gepaard gaat ook een meerdere of mindere mate van tederheid.
Hoewel dus het geloof op de kennis van God gericht is, is er een zekere samenhang tussen de mate des geloofs en de diepte en omvang dier kennis. (Rom. 12 : 3; 1 Cor. 12 : 11.)
Ook in de kring der apostelen zijn de gaven des geloofs verschillend, zoals uit het getuigenis van de apostel Petrus blijkt: „En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft; gelijk ook in alle zendbrieven van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere schriften tot hun eigen verderf. (2 Petr. 3 : 15, 16.)
Ofschoon nu de verscheidenheid van gaven ook in het geloof aanleiding kan geven tot misverstand en onenigheid in de gemeente op aarde, omdat tenslotte alle kennis ten dele is (1 Cor. 13 : 9), zo is anderzijds het geloof altijd op God gericht. Het is bezig met God, omdat God bezig is met de mens. Er is opmerkzaamheid gewekt bij de mens voor God als Schepper, mogelijk als Rechter, ja als Verlosser. Ziedaar reeds verschillende trappen, misschien phasen van het geloof. Steeds brengt dit voor het gelovig subject mede, dat het in betrekking staat met die enige God: hetzij in de betrekking van schepsel tot de Schepper, een zeer algemene relatie, welke echter door vele mensen niet gezien wordt en zo al bij tijd en wijle gezien, toch niet in acht genomen, hetzij een betrekking van zondaar tot zijn Rechter, hetzij — en dan wordt het een zeer bijzondere betrekking tot diezelfde God, die zich in Christus heeft geopenbaard — als Verlosser.
Aan al deze betrekkingen, zo zij door het geloof ontdekt en gekend worden, beantwoordt een zekere mate van zelfkennis. Als wij door het geloof gaan zien, dat God de Schepper is van hemel en aarde, gaan wij ook verstaan, dat wij schepsel zijn en in alle dingen afhankelijk van Hem, die ons de adem des levens heeft gegeven. „Zonder Mij kunt gij niets doen". (Joh. 15 : 5.)
Dat woord van de Heere Jezus beginnen wij te beamen, en in onze gedragingen te gedenken. Wij vragen een zegen over onze maaltijden, over onze arbeid en bidden God ons te bewaren op onze wegen, om slechts enige vruchten van deze mate van geloof te noemen.
Ernstiger en soms tot benauwens toe wordt het met ons, als de consciëntie wakker wordt gemaakt bij het lezen van de oordelen Gods in de Heilige Schrift. Hoe streng is het goddelijk oordeel voor de zondaar? Wie kan voor Hem bestaan? Als God ons in Zijn oordelen gaat aanspreken, wordt niet alleen de vreze Gods geboren, maar ook onze zelfkennis wordt ten zeerste verdiept. Niemand goed, tot niet één toe. (Rom. 3 : 10.) God hoogste Rechter, die tè rein van ogen is dan dat Hij het kwade kan zien. En er komt een dag, dat wij voor Zijn rechterstoel zullen verschijnen. Wat kunnen wij dan anders verwachten dan van Zijn aangezicht weggestormd te worden in een eeuwig verderf, tenzij Hij ons genade bewijze!
Hoe geheel anders, hoe vreugdevol is de kennis van God als onze Verlosser. Rij die kennis behoort ook een geheel nieuwe zelfkennis. Namelijk de kennis van een nieuwe mens in Christus. Hoor de apostel Paulus: „Ik ken een mens in Christus". (2 Cor. 12 : 2.)
't Was er ons om te doen enkele hoofdzaken aangaande het geloof aan te stippen, om te doen zien, dat het geloof, en alleen het geloof tot kennis van God en de goddelijke dingen kan opklimmen, omdat deze alleen door openbaring kunnen gekend worden.
Als de filosofen dan ook beweren, dat de menselijke rede tot de hemelse dingen niet reikt — aangezien deze tot een transcendente werkelijkheid behoren, komt dit overeen met het door ons gestelde. Wij willen echter opmerken, dat zelfs die wijsgerige stelling niet kan worden geponeerd zonder enig geloof. Hoe toch zou de rede van een zogenaamde transcendente werkelijkheid kunnen gewagen, als ze aan haar onvermogen overgelaten was? Derhalve is het ook niet de rede, die aan de wijsgeer zulk een kennis ontdekt, , maar het religieus besef, dat nooit zonder enig geloof is, geeft hem te verstaan, dat God boven deze wereld verheven is en dat Hij boven ons vermogen uitgaat.
Het gevolg is, dat de rede nimmer een oordeel kan hebben over geloofszaken zonder de gegevens van het geloof. Verder moet ook duidelijk zijn, dat de waarde van die oordelen afhankelijk blijft van de omvang, de inhoud en de gerichtheid van dat geloof. Gezien de verscheidenheid van graad en maat des geloofs, waarop hierboven de aandacht werd gevestigd, kan aan de waarde van die redeoordelen slechts een betrekkelijke betekenis worden gehecht, welke behoort te worden gemeten aan de enige regel des geloofs: de Heilige Schrift ontvangen als het Woord Gods.
Rij de waardering van de theologische en godsdienstwijsgerige beschouwingen, als ook van de resultaten van het zogenaamde wetenschappelijke Schriftonderzoek en de daarmede verbandhoudende wetenschappen, heeft de kerk daarmede rekening te houden. Het is boog tijd, dat zij in dit- opzicht meer waakzaam wordt dan zij gedurende de laatste eeuwen is geweest, zoals uit een reeds in ontstellende mate voortgeschreden proces van saecularisatie onbetwistbaar duidelijk aan de dag treedt.
Niet het minst de theologie is schuldig aan de ontaarding van het kerkelijk leven. „Gedurende heel de geschiedenis van de Christelijke theologieën was het onophoudelijk de een of andere wijsbegeerte, die op het terrein van de theologie de lakens uitdeelde". (Prof. dr. K. J. Popma: „Levensbeschouwing", uitgave Ruiyten en Schipperheyn, A'dam, 1958, blz. 15.)
Het is een van de grote verdiensten van Calvijn, dat hij tegen de vermenging van theologie en filosofie heeft gewaarschuwd en gestreden. Hij heeft aan de theologie haar methode aangewezen en zelf trouw toegepast. Zijn theologie is echte theologie, onderwijzing in de Christelijke religie.
Helaas zijn de epigonen der reformatie de leermeester daarin niet gevolgd. Zelfs Voetius heeft het niet gezien en meende met Aristoteles Cartesius te kunnen uitdrijven. De geschiedenis kan aantonen dat de uitkomst tegengesteld was aan de bedoeling: „Een zelfstandige nieuwere theologie vormde zich langzamerhand in een aristotelisch-cartesiaansch syncretisme".
Dit proces van vermenging, of liever verbastering der theologie met wijsgerige elementen heeft zich op zeer gecompliceerde wijze in onze dagen voortgezet.
Daarom is er waarlijk wel aanleiding om een poging te wagen de weg naar de gezonde theologie terug te vinden. Alles wat zweemt naar wijsgerige in-
menging behoort in de theologie, welke haar naam waardig is, gemeden te worden ten spijt van hen, die van oordeel zijn, dat theologie niet kan functioneren los van de filosofie. Wij achten het veilig daarbij nauw aan te sluiten bij Calvijns „Onderwijzing in de Christelijke Religie", die aanvangt met de woorden: „Nagenoeg de ganse hoofdinhoud van onze wijsheid, die verdient voor de hechte en ware wijsheid gehouden te worden, bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf. Dat deze ten nauwste met elkaar samenhangen kan reeds gebleken zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's