Uit het Nieuwe Testament
35
1 Thessalonicenzen 4 : 13—18 (vervolg). Voor óns ligt nog het 17e vers uit dit gedeelte. Wij zagen dus, hoe Paulus hierin tekent, wat met de gelovigen, zowel de ontslapenen als de dan nog overgeblevenen, bij de wederkomst des Heeren gebeuren zal. Zij zullen tezamen worden opgenomen in de wolken, de Heere tegemoet.
Daar voegt hij nog aan toe: „in de lucht".
Ook bij het lezen van wat de apostel hier zegt, voelen wij, dat wij moeilijk ons er een voorstelling van kunnen maken, hoe dat éénmaal alles wezen zal. Wel begrijpen wij, dat, wat Paulus hier verder schrijft, een bijzondere betekenis heeft.
Er zijn verklaarders, die eigenlijk in de woorden van de apostel „in de lucht" hetzelfde lezen als in zijn woorden „in de wolken". Het gaat Christus, als Hij wederkomt, allereerst om de ontmoeting met Zijn gemeente, die Hij Zichzelf als Zijn bruid verwierf. Haar wil Hij voor alles deel geven aan Zijn heerlijkheid, en in bijzondere zin met Zich verenigen. Zijn liefde tot haar is van een bijzonder innig karakter. Doch daarom zal die vereniging plaats vinden, afgescheiden van de wereld. Achter de wolken én in de lucht. In beide uitdrukkingen zou dan het aparte en afzonderlijke van de voleinding der gemeente opgesloten liggen.
Er zijn echter verklaarders, die menen, dat volgens de apostel de ontmoeting tussen Christus en Zijn gemeente ook hierom in de lucht zal plaats vinden, omdat volgens de Schrift de Boze, onder het bestel Gods, in de loop der eeuwen zijn operatieterrein in de lucht heeft. „Die lucht" is volgens de Schrift bevolkt met geesten en machten en de Boze laat over hen zijn heerschappij gelden. Hij is, volgens Efeze 2 vers 2 de overste van de macht der lucht. Vandaar werkt hij met zijn invloeden in op deze wereld en poogt hij steeds de aardse overheden en machten en de voortbrengselen van de menselijke geest, wetenschap, kunst en techniek, met zijn geest te bezielen. Zó richt hij zijn rijk op in deze wereld, dat nog éénmaal geweldig zal wezen in haar alles beheersende macht.
Doch ziet, daar is de goddelijke humor. Juist daar, waar de Boze zijn operatieterrein had, zal Hij, Die de slang de kop vermorzelde, het feest der hereniging met Zijn gemeente vieren, in de lucht!
Intussen, wij menen, dat het niet onjuist is, hier nog aan iets anders te denken. De Schrift leert ons immers ook, dat, als Christus wederkomt, de gedaante dezer wereld veranderd zal worden en de grote vuurbrand dezer wereld zal plaats vinden. Hoe ook dat precies zal zijn, weten wij niet. In elk geval zal dan alles door het vuur niet tot niets, maar gelouterd en gereinigd worden. En de nieuwe aarde zal zich vertonen. Tevens zal het rijk van de Antichrist radicaal vernietigd worden. Hoe ontzettend zal dat zijn, als alle vastigheden en zekerheden zullen weggeslagen worden! De ergste natuurrampen, thans, zijn daarbij vergeleken, nog niets. Hoewel ze tekenen daarvan zijn. Is het nu onjuist, te menen, dat, wanneer dat ontzettende éénmaal zal geschieden, de gemeente Gods daaraan onttrokken zal worden? En dat zij ook daarom op een wonderlijke wijze zal worden opgenomen in de lucht, haar Heere tegemoet?
Nog eens beklemtonen wij dat woordje „tegemoet". Neen, de apostel zegt hier lang niet alles van de wederkomst en van wat dan geschieden zal. Hij noemt de dingen, welke van betekenis zijn in verband met de vragen, die leefden in de gemeente van Thessalonica. Zijn tekening van hét einde is sober. Gans anders, dan wat wij soms vinden in de Joodse en latere christelijke apocalyptiek, beschrijving van het einde. De apostel schrijft om te troosten en te sterken in de zekerheid der zaligheid, niet, om nieuwsgierigheid te bevredigen. Veel, wat éénmaal gebeuren zal, zal een verrassing zijn; wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen, heeft God bereid degenen, die Hem liefhebben!
Wel mag ons de bijzondere betekenis van dat woordje „tegemoet" ook hier niet ontgaan. Daar ligt immers de zin in van iemand als bruidegom en als koning inhalen?
Welnu, dan ligt ook in wat de apostel hier zegt, de gedachte opgesloten, dat de ontmoeting tussen Christus en Zijn gemeente wél in de lucht zal plaats vinden, doch dat het daarbij dan niet zal blijven.
De meisjes, die in de gelijkenis uit Mattheüs 25 de bruidegom tegemoet gaan, doen dat niet om met hem buiten op de weg te blijven, maar om met hem naar het huis te gaan, waar de bruiloft gevierd zal worden. De broeders uit Rome, die volgens Handelingen 28 Paulus tegemoet gaan, doen dat niet, om met hem buiten Rome te blijven, doch om hem daarheen te begeleiden. En de senaat en het volk, die de nieuwe keizer tegemoet gaan, doen dat evenmin om met hem buiten de hoofdstad te blijven, maar om hem juichend binnen te halen.
Welnu, wat ligt er dan opgesloten in de woorden van Paulus, dat bij de wederkomst Christus' gemeente Hem tegemoet zal gaan in de lucht? Dat die gemeente onttrokken zal worden aan dat ontzettende, de vuurbrand van deze wereld! En dat de intieme ontmoeting met haar Hoofd op een wondere wijze in de lucht zal plaatsvinden! Doch daarbij zal het niet blijven. Nog meerdere dingen zullen dan geschieden. Als Christus dan als de Bruidegom en als de Heere der heren zal verschijnen, dan zal Zijn gemeente Hem ook verder begeleiden. Waarbij? Bij Zijn laatste troonsbestijging!
En zal dat niet inhouden Zijn laatste gericht. Zijn finale overwinning op al Zijn vijanden, de binding voor eeuwig van de Boze? Doch anderzijds de oprichting van het Koninkrijk Gods van de eeuwige vrede op de nieuwe aarde, overkoepeld door de nieuwe hemel?
Ja, ook dit alles zal geschieden bij de wederkomst. De Schrift spreekt ervan op andere plaatsen. Paulus doet het hier niet met zovele woorden. Maar het ligt alles wel vei'borgen in zijn woorden: „de Heere tegemoet".
Wij mogen hier niet zonder meer voorbijgaan aan de uitleg, die de aanhangers van de leer van het Duizendjarig Rijk aan deze woorden van Paulus geven. Wij weten, dat dezen het eigenlijk zó stellen, dat Christus nog tweemaal komen zal. Éérst zal Hij komen om met Zijn gelovigen duizend jaren op aarde te regeren. De Satan zal dan gebonden zijn tot aan het einde van die periode. Dan zal de Boze ontbonden worden. Daarna zal Christus weer komen en zal het eindgericht plaats vinden. Welnu, in wat de apostel hier schrijft, lezen zij een heenwijzing naar die éérste komst. Omdat hier alléén sprake is van de opstanding der gelovigen en niet van de ongelovigen, zou het hier gaan om die eerste komst. Daarbij zullen, volgens hen, alléén de gelovigen opstaan, opdat dezen met Christus zouden regeren. De anderen, de ongelovigen, zullen pas opstaan bij de tweede komst, bij het eindgericht. Zo lezen zij in dat „eerst", op het einde van vers 16, een aanduiding van de eerste opstanding, die plaats zal vinden bij Christus' eerste komst. Die eerste opstanding staat volgens hen tegenover de tweede, die zal geschieden bij Christus' tweede komst.
Wij menen, dat het onjuist is het bovengenoemde in dit gedeelte van Paulus' brieven te lezen. Immers het is toch wel duidelijk, dat dit „eerst", op het einde van vers 16, niet in verband moet gebracht worden met een tweede opstanding, doch in verband staat met wat de apostel zegt in het begin van vers 17: „daarna wij, die levend overgebleven zijn". En dat Paulus hier niet met zoveel woorden spreekt over de opstanding der ongelovigen bewijst niet, dat het hier niet zou gaan om de éne, grote wederkomst van Christus, waarbij ook het eindgericht zal plaats vinden. Wij zagen reeds, dat Paulus hier niet alles noemt, wat dan zal gebeuren. Dat noemt hij weer elders in zijn brieven. Hoewel het alles wel verborgen ligt in de uitdrukkingen, die hij hier in het oorspronkelijke bezigt!
Neen, wat allemaal precies bij de wederkomst geschieden zal, Paulus zegt het niet. Echter, zeer belangrijk is, wat hij uiteindelijk schrijft: „en alzo zullen wij altijd met de Heere zijn". Voelen wij, van welk een betekenis dit is?
Ziet, wanneer wij alleen als nieuwsgierigen ons bezighouden met de wederkomst, dan willen wij een antwoord op allerlei vragen en wij zouden wel allerlei sluiers willen oplichten. Doch wanneer wij niet vreemd zijn aan het leven des geloofs, dan moet het toch anders bij ons liggen. Dan is daar die wonderlijke liefde tot Christus in onze harten geboren. En dan gaat het ons toch boven alles om de gemeenschap met Hem? Wat vinden en verkrijgen wij dan bij Hem, als wij die gemeenschap mogen beoefenen door het geloof? Wat is Hij dan Zélf voor ons?
Wat zijn de ouders voor het kind? Wat de bruidegom voor de bruid? Wat Christus voor de gelovige? Hier is een huwelijk, niet uit berekening of om allerlei schatten, doch om de Bruidegom Zelf!
Hoe staat het echter in dit leven nog met de beoefening van die gemeenschap? Wat hebben vaak eigen ongeloof, oude zonden, aanvechtingen en allerlei omstandigheden een nadelige en belemmerende invloed daar op! Hoe spreekt Paulus zelf van dat zijn van Christus in hem door de Heilige Geest, en tegelijk van dat nog verre van Christus zijn! (2 Cor. 5 : 7).
Zal er niet, als het goed is, een oprecht verlangen in het hart van de gelovige zijn naar de volkomenheid van die gemeenschap? En zo verstaan wij, dat ook voor Paulus die volkomenheid het aller belangrijkste is geweest van zijn toekomstverwachtingen. En dat hij die bijzonder benadrukt, als hij het heeft over de wederkomst en over wat dan allemaal gebeuren zal. Dat het geloof dan overgegaan zal zijn in aanschouwen en al de zijnen dan volmaakt naar lichaam en geest, die gemeenschap zullen beleven, dat is voor de apostel zelf het heerlijkste, en alzo stelt hij het de gemeente voor ogen. Niet het feest, noch de verlossing op zichzelf, noch de gouden straten en paarlen poorten zullen dé heerlijkheid uitmaken, doch dat altijd met de Heere Zelf zijn!
Weer betrekken wij onszelf erbij. Wij gaan allen de Toekomst des Heeren tegen. Wanneer wij ons die indenken, wat zou die ons naar ons begeren als het heerlijkste moeten brengen? Dat wij het éénmaal goed zouden hebben, dat wij verlost zouden zijn van alle ellende, strijd, dood? Dat wij feest zouden mogen vieren en almaar genieten, terwijl het ons eigenlijk hetzelfde zou zijn of de Heere er wél of niet zou zijn? Of dat allerlei vragen voor ons zouden worden opgelost?
Wij voelen toch, als het zó bij ons ligt, dan staat het niet goed. Dan laten wij ons enkel leiden door vroom egoïsme en door nieuwsgierigheid, doch leven niet uit het geloof. Het waarachtig geloof is niet zonder de liefde. En voor de liefde is al dat andere niet het belangrijkste; het belangrijkste voor haar is het zijn met Jezus. Zoals het kind verlangt naar de nabijheid van vader en moeder en de bruid naar die van de bruidegom, zo verlangt wie Jezus lief gekregen heeft naar de nabijheid van Hem! Doch zo zijn wij er zelfs dankbaar voor, dat Paulus in de beschrijving van de wederkomst des Heeren summier is. Want nu leidt hij ons hart en onze blik niet van de hoofdzaak af!
Wij zeggen bij onszelf: werd zó in het geloof, dat niet is zonder de liefde, meer uit die toekomstverwachting geleefd! Er zou meer echte blijdschap en overwinningskracht en offerbereidheid tot Zijn dienst zijn!
Laten wij weer bedenken: hóe zullen wij eenmaal met de Heere zijn, als wij Hem hier niet hebben leren zoeken en lief krijgen; als wij ons hier niet voor Hem hebben leren buigen en ons aan Hem hebben gewonnen gegeven? Op dit punt beproeven wij ons. Er is immers ook die andere toekomst: voor eeuwig van de Heere gescheiden zijn!
Intussen, wij verstaan, hoe Paulus niet alles, wat hij in dit Schriftgedeelte geschreven heeft, de gemeente van Thessalonica getroost heeft. Ook aangaande het toekomstig lot der ontslapenen. Is het wonder, dat hij dit gedeelte eindigt met de woorden: „Zo dan, vertroost elkander met deze woorden"?
Hij is ervan verzekerd, dat hij zelf de grond voor een ongetroost treuren in de gemeente wegnam. De leden der gemeente zijn echter ook voor elkaar verantwoordelijk. Zij hebben elkaar op te bouwen in het geestelijk leven. Vandaar: „troost elkander met deze woorden". Deze vermaning richt zich over de hoofden van de leden der gemeente van Thessalonica heen tot de kinderen Gods van alle eeuwen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's