De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

KEER WEDER... KEER TERUG...

8 minuten leestijd

Alzo zegt de Heere der heirscharen: „keer weder tot Mij, spreekt de Heere der heirscharen, zo zal Ik weder tot u keren, zegt de Heere der heirscharen Zach. 1 : 8.

„Dat is een slechte preek", zegt iemand, die ons er op wijst, dat Zacharia deze woorden heeft gesproken enige maanden na Haggaï's optreden. „Toen", zo gaat de spreker verder, „stond het er met Israël goed voor. Met de tempelbouw was men weer begonnen en het volk had zich verootmoedigd voor het aangezicht des Heeren. Van het resultaat van Haggaï's prediking staat toch het volgende geschreven: „Toen hoorde Zerubbabel de zoon van Sealthiël en Jozua de zoon van Jozadek, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks naar de stem des Heeren huns Gods en naar de woorden van de profeet Haggaï, gelijk als de Heere hun God hem gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des Heeren. En zij kwamen en maakten het werk in het huis van de Heere der heirscharen hun God". (Haggaï 1 : 12, 14b). Daarom, Zacharia's woord is niet op zijn pas! Hij negeert eenvoudig het feit, dat het volk zich al bekeerd heeft. En hij houdt een opwekkingsprediking, alsof er nog niets met hen gebeurd is. Hij doet, alsof de Heere nog komen moet in hun leven, en hij vergeet, dat dit al lang gebeurd is.

Ogenschijnlijk heeft het argument van onze spreker reden van bestaan. Maar toch riep de profeet zijn tijdgenoten in de Naam des Heeren toe: „keert weder tot Mij, zegt de Heere der heirscharen!" Hoe we' dit dan verstaan moeten? Wel, Zacharia miskent in zijn oproep om weder te keren tot de Heere in het geheel niet het werk Gods, dat reeds geschied is, maar hij is eenvoudig van oordeel, dat de bekering zich niet aan één enkel punt moet blijven vasthaken, doch zich over de gehele linie, over het ganse leven moet uitbreiden. De mensen hadden zich wel bekeerd van hun zondige laksheid inzake de tempelbouw, maar wie zou zeggen, hoeveel andere zonden er nog opgeruimd moesten worden. Zacharia had blijkbaar reden om na de tempelreformatie niet te zeggen: „beste mensen, nu is alles prachtig in orde". Hoe gemakkelijk hadden die mensen in Jeruzalem dan kunnen denken: „nu hebben we het heerlijk ver gebracht. Kijk, wat een vlijtige en gehoorzame tempelbouwers zijn we toch!" De Heere kent het aangezicht en het hart wel van Zijn schapen. Daarom is de voortdurende oproep tot bekering nodig voor Israël, opdat het niet in zelfgenoegzaamheid zou menen: nu is het in orde.

En denk nu niet, dat Zacharia's woord enkel voor Israël bestemd was. Ook tot ons en onze tijd met zijn vele zelfgenoegzame mensen komt heden 's Heeren woord: „keert weder tot Mij!" Zo velen houden zich voor Abrahams kinderen, Zij zijn gedoopt, in de zuivere leer opgevoed en gaan ten avondmaal. Wat ontbreekt hun nog? Anderen hebben overtuigingen van zonden gekend, maakten bange tijden door. Zij verlieten kroeg en kermis en kregen een vermaak in Gods Woord. Weer anderen zijn zeer actief op kerkelijk erf. Dit alles ziet de Heere, van Wie velen een goedkeuring verwachten. Doch tegen de verwachting in klinkt Zijn Woord: „keert weder tot Mij!" Waarom deze oproep? Omdat we bij alle uiterlijke veranderingen, die nodig zijn, nog kunnen blijven, die we zijn: mensen, die in hun gewaande rijkdom Christus missen!

Onze uitwendige veranderingen kunnen zodanig en zovelen zijn, dat we toch de diepe wortel van de vernieuwing des harten missen. Gods Woord geeft hiervan vele voorbeelden. Om slechts enkele te noemen: Kaïn deed belijdenis van de grootheid zijner zonden, doch hij miskende de genade Gods tot verzoening der zonden. Lots vrouw trok mede uit Sodom. Zij kwam echter nooit in Zoar aan. Haar hart trok naar de steden des oordeels en zij kwam er mede om. Ezau zocht de plaats des berouws met tranen, maar hij vond die niet. Orpa ging mede . . tot aan de grenzen, maar nam, hoewel onder tranen, van Naomi afscheid, omdat haar hart aan Moabs goden hing. doch geen nieuw hart. Al voegde hij zich onder de profeten, welhaast keerde hij zich af van God tot zijn eeuwige ondergang. Achab vernederde zich, maar kwam niet tot waarachtige bekering. En tenslotte: let ook eens op degenen, van wie Paulus spreekt in het ontzettende zesde hoofdstuk van de Hebreeënbrief, Ziet u wel hoever het met ons gaan kan, terwijl we niet nabij komen, nl. als een verloren zondaar, die dorst naar de verzoening voor zijn schuld in het bloed des Lams? We voegen aan deze vraag maar direct een andere toe, en wel deze: „op welke plaats staat u nu? " Onze legering is verre van veilig, wanneer het enkel maar is: door mijn gift aan de kerkbouwactie werkte ik mede aan de tempelbouw; ik laat de zonde na; ik ga trouw ter kerke en leef netjes. Wat wilt u nog meer? Hoor! Alzo zegt de Heere der heirscharen: „keert weder tot Mij!" Dat woord des Heeren roept ons toe, dat we ons neervlijen op een bed, dat te kort is en ons dekken met een kleed, dat te smal is, dat we met al onze braafheid en werkzaamheid nog niet tot de Heere zijn weergekeerd, u vraagt wie dan wel waarachtig tot de Heere wederkeren? We zijn blij met deze vraag en we willen u gaarne antwoorden. Wat de Heere eist van u en mij is dit: dat we met hartelijk leedwezen over de, zonde de afgelegde levensweg verlaten; dat we verzoening voor onze schuld zoeken in het bloed des Lams; dat onze ziel met droefheid uitgaat naar God; dat het ons om God te doen worde. Dit kenmerkt degenen, die in waarheid zich tot God bekeren. Zij kunnen het buiten God niet houden, God te missen is hun erger dan de dood. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo dorst hun ziel naar de levende God. Hun nieren verlangen zeer in hun schoot om God te aanschouwen. In die waarachtige bekering worden alle afgoden verzaakt; alle 'betrouwen op wat geen God is, wordt opgezegd. Die in waarheid zich tot God bekeren, die keren tot God weder. Voor hun schuld zoeken zij verzoening, voor hun zonden reiniging. Zij geven de Heere de hand en zij komen tot Zijn heiligdom.

Zulk een bekering was voor Israël nodig en zulk een bekering hebben ook wij nodig. Immers wij zijn van het heilspoor afgegaan, we hebben de Heere de nek toegewend en niet het aangezicht, we hebben de God onzer Vaderen verlaten en ons gebogen voor goden, die geen God zijn. Luide roept de Heere ons en ons volk toe: „Keert weder tot Mij, zo zal Ik tot u wederkeren!" Zijn we al wedergekeerd in waarheid? O, dat we toch met deze vraag tot ons zelf inkeren! Hoe vreselijk zal het zijn om te vallen in de handen van de levende God! Wij gaan de eeuwigheid tegemoet.

„Doorzoekt uzelven nauw, ja doorzoekt nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt! Eer het besluit bare (gelijk het kaf gaat de dag voorbij) terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van de toorn des Heeren over ulieden nog niet komt".

„Keert weder tot Mij, zo zal Ik weder tot u keren", zegt de Heere der heirscharen. De Heere wil Zijn genade en ontferming ons schenken. Én nu moeten wij tot de Heere wederkeren. „Ach", zo hoor ik iemand klagen, „met die eis ben ik al zo lang bezig, doch ik sta steeds weer voor deze vreselijke ontdekking, dat ik onwillig ben om op Gods roepstem acht te geven en tevens onmachtig om Gods genade te aanvaarden". Op die plaats wil de Heere u nu juist hebben! Hij wil u geven, wat Hij van u vraagt. De waarachtige bekering is het werk van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Zij is vrucht van de trekking des Vaders, en de verzoening des Zoons en de bearbeiding des Heiligen Geestes. Om die vrucht wil de Heere bij aanvang en bij voortgang gebeden zijn. Welgelukzalig zo wij het gebod van wederkeer krijgen om te zetten in het gebed: „ach, Heere, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn". Gewis zal de Heere overkomen tot onze wederkeer en met Zijn wederkeer. Dat is Zijn belofte en de heerlijke ervaring van al Gods oprechte volk. Door genade keren zij tot God weder. Die wij allen verlaten hebben in ons verbondshoofd Adam. En de Heere keert tot hen weder, in Zijn gunst, liefde en barmhartigheid. Hij doet de Zijnen ervaren: „Uw komst is het, die mijn heil volmaakt". Ja gedurig weer, na alle afwijkingen en verlatingen. Och, dat Gods roepstem de onbekeerden doe wederkeren, eer Hij hen verwerpen zal! Dat Zijn roepstem Zijn volk opwekke om weder te keren tot hun vorige man, want toen was het beter dan nu!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's