De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

In het nummer van 14 oktober van In de Waagschaal vinden we nog wat nagalmen van het afscheid van dr. Buskes als Amsterdamse predikant. Dit ligt voor de hand, omdat Buskes redactielid is van genoemd blad. Ds. Wolfensberger zwaait dr. Buskes dan uit als lid van het ministerie van Amsterdamse predikanten. Hij tekent Buskes als een driedimensionale figuur, want wanneer de schrijver Buskes in het ministerie stelt, dan stelt hij hem gelijk ook in de gemeente. Het zijn slechts twee kanten van dezelfde zaak, omdat de ambtsdrager Buskes zo'n bij uitstek kerkelijk man is. De derde dimensie is dan, dat B. in het ministerie ook steeds de hele oecumene, de hele wereld meebracht.

In een „Terzijde" komt dr. Buskes zelf in hetzelfde blad nog even op zijn afscheid terug. Het is bepaald verfrissend als we deze ontboezeming van hem lezen:

Op de afscheidsavond in de Oranjekerk, waar een hele serie vrienden en strijdmakkers, elk in vijf minuten mijn persoon en mijn werk karakteriseerden, heb ik gezegd: „Al die karakteriseringen hebben mij veel, dat mij tot op dit ogenblik onduidelijk was, duidelijk gemaakt en, als ik er over nadenk, ja, wat zal ik dan zeggen? Ik heb altijd graag een proefschrift willen schrijven, maar daar is niets van gekomen. Misschien is dat ook wel goed, want, als ik proefschriften lees, dan is mijn conclusie de éne keer: zo kan ik het ook, maar zo wil ik het niet, en de andere keer: zo zou ik het willen, maar zo kan ik het niet! Dat laatste gevoel had ik ook, toen ik al die toespraken over mij heen hoorde gaan: ja, zo zou ik hebben willen zijn en het hebben willen doen en ik kan het daarom alleen maar aardig en hartelijk vinden, dat ze mij vanavond vertelden, dat ik inderdaad zo geweest ben en het zo gedaan heb".

In nog steeds hetzelfde nummer van I. de W. vinden we een ingezonden stuk waarin een schrijver z'n verontwaardiging lucht over het besluit van de synode van Assen 1961. Hij formuleert het „kloeke" besluit van de gereformeerden van art. 31 te Assen dan als een eis aan het adres van de gereformeerden als prof. Ridderbos en Nauta om zich tot de „vrijgemaakte-kerk art. 31" te bekeren, of er zal geen eenheid zijn. De inzender schrijft daar dan o.a. van:

Dit besluit van die zusters en broeders van art. 31, is niet alleen een trap tegen het reformatorisch-geloof, maar zet de hele kerk voor schandaal, en men schaamt zich kerkelijk en een christen te noemen.

Men vraagt zich af, ook als niet behorend tot een of andere anti-militaristische beweging, zouden die Londenaren, die zich verzet hebben tegen de gruwel van de moderne oorlogsmiddelen, niet dichter bij de geest van het lied — „O, Heiland trouwe Heer, moog onze mond U prijzen", staan, dan die kloeke gereformeerde rechtzinnigheid van Assen 1961. Assen krijgt als plaats nog een symbolische betekenis. De doleantie van 1886 staat hier sprakeloos, ziet zich geplaatst voor de vruchten die zij zelf met kreten en pathetische wijze van voorstellingen van „om des beginsels wille" — „ten principale" — „geen gezangen" — „tegen crematie", heeft opgeroepen.

Hoewel het er nog ver vandaan is dat we waardering of instemming zouden kunnen opbrengen voor allerlei uitingen van de zijde der vrijgemaakten, menen we toch hierbij te moeten aantekenen, dat er bij deze inzender een volkomen gemis aan begrip en kennis van zaken geconstateerd moet worden.

Ook bij de gereformeerden „als prof. Ridderbos en Nauta" vindt men nog hier en daar de nawerking van wat genoemde inzender dan belieft te noemen de kreten en voorstellingen van de doleantie van 1886. Op verschillende punten zijn het alleen nog maar de laatste stuiptrekkingen, zoals b.v. in het geval van „geen gezangen". Als we in het laatste nummer van De Waarheidsvriend lezen de Oproep aan de G.B. in de N.H. Kerk van ds. Wentsel van Oudewater, dan vernemen we daar dat men in de gebonden Geref. Kerken praktisch over de kwestie van het gezangen-zingen in de kerkdienst heen is. Maar, zoals gezegd, toch is er in die Kerken soms nog wel eens een laatste ritseling te vernemen, die herinnert aan afscheiding en doleantie. Immers in het Geref. Weekblad (Kok) van 13 okt. lazen we ook weer een ingezonden stuk, dat we zonder verdere toelichting in z'n geheel doorgeven:

In al datgene wat in de pers geschreven werd over de nieuwe gezangen-bundel, trof het me, hoe van de oude geklaagd werd, dat hij doodgezongen was. Ik weet niet of ik het nog beleef, maar ik vrees, dat een later geslacht (misschien in niet eens verre toekomst) dezelfde klacht zal aanheffen over de nieuwe.

Waarom niet? Ik zou H.H. predikanten met verschuldigde eerbied willen aanraden: Waagt het weer eens wat meer met de oude Psalmbundel; bestudeert die (mag ik het zeggen? ) eens wat naarstiger — u zult gewaar worden, dat hij niet dood te zingen is.

In Woord en Dienst van 14 oktober lezen we een artikel van dr. H. Faber, getiteld: De rol van de predikant. Hij wijst er op dat er t.a.v. het ambt van predikant een bepaalde onzekerheid heerst. Het aantal gegadigden voor dit ambt gaat achteruit en een verdrietig groot aantal predikanten wil het ambt verlaten. Overwegingen van financiële aard spelen hierbij een rol, maar zijn stellig niet de enige reden, zo merkt dr. F. op. Wanneer hij dan verder een" onderzoek in gaat stellen naar oorzaken en mogelijke oplossingen, dan krijgen we allereerst weer het bekende vermoeiende en trieste relaas voorgeschoteld van: Verliezen de predikanten de aansluiting bij de „moderne mens" met zijn problemen? Leven zij te veel uit een verouderd patroon? Past hun methode van met mensen omgaan, hun houding, niet meer in de twintigste eeuw? Alleen al bij het lezen van deze vragen gaat men zich met zorg afvragen: Wat zullen ze nu weer eens willen gaan proberen? De schrijver gaat dan ook nog dieper naar oorzaken zoeken en waagt zich af of de pastor niet wat meer de kant op zal moeten gaan van de psychotherapeut en de psychiater. Wanneer hij tot zijn conclusies gaat komen, dan gaat hij er op wijzen, dat we niet moeten vergeten, dat de predikant als man van de kerk en als gestudeerd mens, als intellectueel, bezig is een „aureool", dat hij vroeger bezat, te verliezen. Op dit punt stuit zijn gezag in brede kringen zelfs op verzet. Daar staat dan tegenover, dat de predikant weer in moet gaan tegen de neiging die men in sommige buitenkerkelijke kringen begint op te merken, om hem een soort primitief-magisch gezag op te dringen.

Als een manco in de situatie van de tegenwoordige predikant ziet dr. F. het feit, dat men een eenzijdige opleiding tot prediker ontvangt, en dat blijkt in de persoonlijke relatie van het pastorale gesprek hoe langer hoe meer een nadeel te zijn.

De'gemeente wordt wel genoemd „de werkplaats van de Heilige Geest", er wordt op gewezen, dat op het terrein van het protestantisme Woord en Geest samen horen; zelfs horen we tot onze verbazing de uitspraak, dat we niet van de stilzwijgende veronderstelling uit moeten gaan, dat het woord zonder meer de geest met zich mee voert. Maar als we nu verwachten zouden dat er op dit punt een zekere terugkeer zou zijn naar wat de Schrift en de belijdenis ons op dit punt leren, hebben we het toch wel volledig mis.

Nee, de moderne psychologie zal ons eens inlichten hoe de rol van de predikant zal moeten zijn. En wanneer die moderne psychologie een zakelijke gespreksanalyse geeft, dan vernemen we dat het woord niet zonder meer de geest met zich mee voert. In alle moderne publicaties over het „gesprek" wordt gewezen op de fundamentele betekenis van de gevoelens en van een goede emotionele relatie; en van daar uit zullen we misschien wel moeten komen tot een „pneumatische relatie". Hier wordt ons dus min of meer in het vooruitzicht gesteld een nog jammerlijker gesol met de H. Geest. Deze is tegenwoordig wel zo ongeveer de eerste en de grootste martelaar in de Kerk.

Zoals de schrijver terecht stelt, is men nog al eens van de stilzwijgende veronderstelling uitgegaan, dat het woord zonder meer de geest met zich mee voert. Maar wanneer men weer eens wat nieuws in de kerk wilde invoeren, was het ook weer ineens de H. Geest die werkte in deze moderne tijd en die de kerk dan ergens naar toe leidde. Dan bleef de Geest ineens weer niet stilstaan bij de tijd van Paulus; het Woord is dan tijdgebonden en we moeten dan oppassen, dat we de Geest niet bedroeven door ons vast te leggen op enkele teksten. En nu zullen we misschien de „pneumatische relatie" in het gesprek gaan krijgen. De H. Geest wordt zo ongeveer de sluitpost op de begroting van menselijke uitvindingen en experimenten.

Helaas wordt er in dit artikel met geen woord gerept van een terugkeer naar de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Bij allerlei experimenten die geen enkele grond in de bijbel hebben, hoort men wel eens de opmerking dat men met Abram uitgaat, niet wetende waar men komen zal. Als men dat nu eens deed op dit punt, en dan uitgaan in het geloof, dat zich totaal vastklampt aan 't Woord

Gods, want dat deed Abram toch ook. Dan zou ook het zogenaamde „aureool" weer terug kunnen komen. Niet de predikant als de geleerde die zowat alles weet, maar de dienaar van het Woord Gods, die ook met dat gezag spreken zal.

Ook in deze moderne tijd zullen we alleen daar vruchten van mogen verwachten, zoals de Heere Zelf heeft beloofd; Zijn Woord zal, niet ledig wederkeren.

Deze vaste zekerheid hebben we echter niet van de richtlijnen en suggesties die we in dit artikel lezen en waarvan de schrijver zelf graag wil erkennen, dat het speculaties zijn, die lijden onder een gebrek aan fundering.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's