De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse leerregels

11 minuten leestijd

Zo is dan het geloof een gave Gods; niet, omdat het aan de vrije wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het de mens metterdaad wordt meegedeeld, ingegeven en ingestort; ook niet daarom, dat God alleenlijk de macht om te geloven zou geven, en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven van de vrije wil des mensen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in de mens teweegbreng beide, de wil om te geloven en het geloof zelf.

HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 14

Wat werkt God?

Het geloof is een omhelzen van Christus, een band der ziel aan Zijn Persoon, dat weten we. Het is voor ons onmogelijk om te geloven, dat weten wij ook. De Heere Jezus sprak: „Niemand kan tot Mij komen" (Joh. 6 : 44). Maar is nu de prediking van het Evangelie niet genoeg? Dat deze prediking onmisbaar is, weten we zeker. „Hoe zullen zij in Hem geloven van welken zij niet gehoord hebben" (Rom. 10 : 14). Maar als het Woord er is, kunnen wij dan wel horen? Neen, dat is onmogelijk. Een natuurlijk mens is zo'n doof en dood wezen, dat hij geen woord van het evangelie verstaat. Is het woord der prediking dan zo machteloos? Dat woord is vol kracht en licht, maar het is totaal machteloos bij een natuurlijk mens. Ja maar, wij zijn toch verantwoordelijk? God eist toch, dat wij horen en geloven? Dat staat vast. Wat is er nog meer aan Mijn wijngaard te doen? zegt de Heere. God eist, dat wij al Zijn geboden houden. Doch geen natuurlijk mens is er toe in staat. Neemt dat zijn verantwoordelijkheid weg? Allerminst, maar het geeft hem ook geen kracht om iets van Gods wet te volbrengen. Precies zo staat het met het evangelie. Er is een bevel van bekering en geloof. Kan de mens er een klein kruimeltje van volbrengen? Niets. Maar het bevel ligt er, en de Heere eist rechtmatig, dat Hij als God geëerd en geloofd wordt, want de mens heeft het gekund. Maar dit neemt zijn onmacht niet weg. Welk onderwijs de natuurlijke mens ook krijgt, hoeveel boeken of hij leest, hoe groot zijn bekwaamheid is om oude religieuze gedachten te verstaan, hoever hij het in geleerdheid heeft gebracht, hij verstaat nochtans niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij verstaat er, met al zijn geleerdheid niets van. Hij is onbekwaam om er iets van te verstaan. Alleen de wedergeborene, wiens verstand is verlicht door Gods Geest en wiens hart is overgebogen kan de waarheid Gods verstaan. De natuurlijke mens niet. Daarom is er geen verstaan buiten het geloof om.

De rechte kennis der openbaring wordt geboren uit de verlichtende werking des Geestes. Als dan ook Calvijn het geloof omschrijft als een vaste en zekere kennis van Gods goedertierenheid jegens ons, dan is dat niet de gewone kennis, die ons verstand van nature kan verwerven. Het is een kennis, die uit een buitengewone verlichting is geboren. Het wordt kennis genoemd, naar analogie onzer gewone kennis. Doch het is van afkomst iets anders, iets daar de natuurlijke mens niet bij kan. Die begrijpt evenmin zijn val of dat hij de grootste zondaar van alle mensen is, dan dat hij de verwondering kent over de liefde van Christus. De natuurlijke mens trekt al deze dingen in een ander vlak. Hij haalt er de hoogte en de diepte uit. Zo doet ook de natuurlijke mens, die predikant of professor is of iets dergelijks. Het geloof heeft zijn eigen kennis en begrip. Dit verklaart ook, dat ongeschoolde mannen en vrouwen, die soms de lagere school niét hebben bezocht of niet konden volgen, zulke diepe inzichten kunnen vertonen in de dingen Gods.

Het geloof brengt zijn eigen kennis en verstand mee en de Heilige Geest doet de dingen anders zien dan onze eigen geest mogelijk is. Van deze verlichting is het Nieuwe Testament vol. Daarom begrijpt men niet, dat zij in de praktijk bij velen uit de prediking verdwenen is. Het is die verlichting des Geestes, die het geloof mogelijk maakt en zonder deze verlichting komen wij niet verder dan tot een verstandelijk aannemen van vrijzinnige of midden-orthodoxe of gereformeerde waarheden. Daarvan schreef Paulus in 2 Cor. 4 : 6: „Want God die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus".

Bij de schepping sprak God: „Er zij licht". Bij de herschepping schijnt het licht Gods in het hart der uitverkorenen.

Wat is daar het gevolg van? Ten eerste dat een natuurlijk mens de dreigingen voor waarachtig gaat houden. Het is genade als iemand God begint te vrezen. Tot veel kerkleden moet de Heere zeggen: „Ben Ik een Heer, waar is Mijn vreze? " (Mal. 1:6). Het geloof neemt de gehele Schrift voor waarachtig aan. Het geloof oordeelt immers dat God waarachtig is in alles wat Hij zegt: 't zij dat Hij gebiedt of hetzij dat Hij verbiedt, maar het geloof rust in Gods belofte. In Zijn bedreigingen kan het nooit rusten. „Want", zegt Calvijn, „het zoekt het leven in God, 't welk niet in de geboden noch in de verkondiging der straffen, maar in de beloften der barmhartigheid gevonden wordt". (Inst. III, 2, 29).

Dus is er eerst en blijft er het geloof in de bedreigingen Gods, maar de beloften doen ons tot rust komen. De gelovige moet Gods Woord in alle stukken omhelzen en aannemen. Hij kan niet anders. De Heere Zelf overtuigt ons van oordeel. Maar alleen dat geloof maakt zalig, dat ons inlijft in Christus. „Wij willen alleen deze twee dingen te kennen geven, te weten, dat het geloof nimmermeer vast staat, dan wanneer 't gekomen is tot de genadige en onverdiende belofte Gods. Ten anderen, dat wij om geen andere reden door het geloof met God verzoend worden, dan omdat het ons met Christus verenigt". (Inst. III, 2, 30).

We kunnen, om dit nog eens te schrijven, de verkondiging van het Woord des Evangelisch niet missen. Het geloof komt uit het gehoor van het Evangelie. Maar deze verkondiging stuit af op de onmacht van de mens om het Evangelie aan te nemen. Het geheim van de liefde Gods is voor de zondaar niet te vatten. Daar is ons een grens getrokken doordat wij schepselen en zondaren zijn. Hoe komen we over deze grens heen? Wij zijn gebonden aan het zichtbare en tastbare. Daar geven wij ons aan over. Hoe komen wij boven onszelf uit? Dat wat van de mensen uit onmogelijk is wordt mogelijk door het wonder van de Heilige Geest. Daarvan getuigt ons de Schrift.

Heeft de Kerk, heeft Gods volk daar ook iets over te zeggen? Hoe beleven Gods kinderen dit? Het is toch niet zo maar iets, dat iemand uit de duisternis overgaat in het licht? Als de mens een nieuwe scherpzinnigheid ontvangt ziet hij de prediking toch zeker anders dan tevoren. Het is Comrie, die ons in een preek over Hebr. 4 : 3 daarvan uit de praktijk, uit de bevinding van Gods volk, vertelt. Hoe komt een zondaar in de rust? Comrie schrijft: „De ziel van de ontruste en aangevochtene wordt niet alleen bedaard gemaakt, maar de ziel wordt doorgaans zeer verlangende gemaakt en begerig naar de ondervinding om een enigen druppel van vrije genade tot verkoeling te ondervinden, hetgeen ontstaat uit de mogelijkheid, die zij ziet, dat vrije genade kan verheerlijkt worden in het bewijzen van genade aan zulke allerdoemwaardigsten. Dit onderscheidt de toestand ook van de uitverkorenen van die der verworpenen onder hooggaande benauwdheid. De laatsten komen door hun onrust God te haten en met Kaïn van voor Zijn aangezicht te vluchten. Zie het ook in Spiera, die van God en Christus niet wilde horen noch om genade bidden. Maar dezen willen al bedelende en kermende om een kruimpje van het kinderbrood liggen, daarom zijn ze ook dezulken, die als vermoeiden rust zullen vinden.

Ze (de rust) bestaat in die inwendige verlichting, die de ziel ondervindt in de weg van vrije genade en al het volle, dat in een volzalig God is voor de ziel. Dit is het zien van Gods heerlijkheid met ongedekten aangezicht (2 Cor. 3 vers 18). Dit is de toestand, waarin de ziel met een goddelijke glans omschenen wordt, zodat ze licht in den Heere is (Ef. 5 : 8), Hem op een geestelijke wijze ziende met het oog van hun ziel. Dit iets van het allerverborgenste in het geestelijke zijnde, dat met woorden niet uitgedrukt kan worden, maar alleen uit bevinding gekend worden, zal ik er maar van zeggen, dat het licht is, hetwelk de duisternis en de onkunde van God verdrijft, en de ziel wat anders doet zien in de waarheid dan zij ooit zag. Het is een licht hetwelk God Drie-enig zeer nabij de ziel brengt en de ziel zeer nabij God, en een wezenlijke gemeenzaamheid met een Drie-enig Verbonds-God maakt in wederzijdse onderhandeling.

Het is een licht, waardoor de ziel niet alleen een onuitputtelijke volheid van zaligheid in de Verbonds-God ziet, maar ook een onuitsprekelijke vrijheid voor de ellendigen om er gebruik van te maken, zodat de ziel, hoe groot ook haar zonden zijn en hoe velerlei de twijfelingen, die zij gehad heeft, kan zien, dat zij het op de genade Gods en de verdiensten van Christus wagen mag. In dat licht houden de twijfelingen voor die tijd op en de ziel kan zien, dat er zulk een volheid van Jezus' verdiensten voor haar is, dat al haar zonden, al had zij die van een ganse wereld op zich, maar als een stofje zijn tegenover een oneindige en grondeloze oceaan van Gods barmhartigheid in Christus Zijn Zoon. Hoort eens, hoe er de voornoemde mr. Peacock van spreekt, als dit licht in zijn ziel opging. De zee, zegt hij, is niet zo vol water, noch de zon zo vol licht, als God vol is van barmhartigheid. Ja, Zijn barmhartigheden zijn tienduizendmaal groter. Wat reden heb ik, een wegwerpelijke worm. Zijn goedertierenheid te roemen tot in der eeuwigheid".

Zo ziet er de verlichting van het verstand in de praktijk uit. Wat ieder begrijpt, dat dit geen kwestie van beschouwing is en een verklaring van onze gewone kennis. Er gebeurt bij deze verlichting van het verstand iets bijzonders met de mens. Een enkele keer komt men het in de gemeente tegen, zoals Comrie het beschreef en zoals Calvijn het verklaart. Wat bij de mens onmogelijk is van nature kan hij dan toch doen: zien en geloven, dat de liefde Gods zo groot is, dat hij er door gered kan worden, Het ware geloof is dus veel meer dan het in zich opnemen van de waarheden en deze met zijn verstand verwerken. Het is de vrucht van een in-, grijpen van de Heilige Geest. De Geest schept nieuwe oren en nieuwe ogen. We gaan er niet van uit, dat het Woord Gods in zichzelf duister is. Dat Woord is een licht, maar het schijnt temidden van blinden. Zo begeleidt de Geest Gods het woord der prediking en het evangelie in het bijzonder. De Geest Gods doet een apart werk. Het woord doet het niet alleen, hoewel het een licht is. De Geest doet naast de prediking een eigen werk in de mens. Hij maakt hem capabel om het licht van het Evangelie te zien. De kennis, die de gelovige hierdoor krijgt is niet een kennis uit zijn eigen aangeboren verstand verkregen, ook niet een kennis, die is verkregen uit zijn aangeboren verstand, dat door de Heilige Geest geholpen is (daar is geen helpende genade, genade doet alles), het is een kennis, die verkregen is doordat blinde ogen zijn geopend, nieuwe ogen gegeven, een nieuwe kracht om te kunnen zien is verleend.

Calvijn zegt in een preek over Psalm 119:169: „David vraagt van God te worden onderwezen. Doordat hij deze gave aan God vraagt, belijdt hij, dat hij van zichzelf een arme blinde is; dat hij nooit iets zou hebben begrepen, ofschoon hij de wet in zijn hand had, die hij kon lezen en ofschoon daarin is begrepen een volkomen volmaaktheid van alle wijsheid en dat hij desniettemin altijd als een arme blinde was gebleven, indien God hem niet had verlicht. Laten wij dus weten, dat het een speciale gave is, die God ons schenkt, wanneer Hij ons de ogen opent om ons te doen begrijpen, wat ons in Zijn Woord is getoond, 't zij dat wij het lezen, 't zij dat het ons wordt gepredikt".

Dit alles en nog meer behoort tot het schenken van het geloven. En als God onze harten niet verlicht door Zijn Geest horen wij alles tevergeefs. Nooit zal de prediking, die wij hebben gehoord, ons dan van nut zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's