VIER EEUWEN GELEDEN
Vier honderd jaar geleden zat Guido de Bres gevangen wegens zijn gereformeerde belijdenis. Hij was uit de samenleving uitgestoten, niet, omdat hij de belijdenis in zijn hart droeg, maar, omdat hij dit niet verborgen hield. Hij kon het niet laten te spreken over de waarheid Gods en over de hope, die in hem was; niet laten te getuigen van de „nieuwe" leer, zoals de reformatorische confessie in die dagen werd genoemd, en anderen te roepen tot bezinning en bekering. „Nieuwe" leer is eigenlijk niet juist. Met meer recht had men kunnen spreken van „oude" leer, want zo was het. De reformatoren hebben de oude christelijke leer, die door de apostelen was geleerd en door de oude christelijke kerk aangehangen, onder het Roomse stof uit weer te voorschijn gebracht. Ze hebben haar ontdekt, ja, herontdekt, toen zij de Heilige Schrift herontdekten, wijl God hen daarbij bepaalde en Zijn licht over haar deed opgaan. Valse leringen, menselijke inzettingen en ceremoniën hadden de zuivere leer verduisterd. Daartegen kwamen de reformatoren op, maar dat werd in die tijd gevaarlijk geacht voor de openbare orde en rust.
Nog altijd genieten wij van de geestelijke vrijheid, welke de reformatoren en hun medegetuigen door Gods kracht in volharding des geloofs hebben bevochten, dikwijls ten koste van goed en bloed. Doch hoevelen zijn er, die lezende van de herdenkingssamenkomsten, nu, na vier honderd jaar, geen kennis dragen van de confessie en in hun leven zover van haar zijn afgeweken, dat ze niet in de verte het nauw verband tussen die geestelijke vrijheid en de geloofskracht der reformatie kunnen inzien. Het ontgaat een grote menigte totaal, dat het fundament der geestelijke vrijheid in de ware Godskennis is gelegen.
Men hanteert tegenwoordig gemakkelijk termen als menselijke waardigheid, menswaardig bestaan, rechten van de mens e.d. en hecht daaraan waarden, welke in de natuur van de mens gegrond zouden zijn en op de meest algemene en vanzelfsprekende erkenning aanspraak mogen maken. Aan deze waardering is het waarlijk niet vreemd, dat velen zelfs ook in de kerk niet van zonde en ellende gepredikt willen hebben, daarvan niet willen horen. Zij wensen een Evangelie naar de mens. En als dit in de kerk geschiedt, hoe moet het dan gesteld zijn met degenen, die met de kerk gebroken hebben?
Dit alles doet niet in de eerste plaats een appèl op de afgedoolden en van het geloof vervreemden, want die verkeren in een staat van onwetendheid. In de eerste plaats doet deze situatie een beroep op degenen, die in gemeenschap met de reformatorische vaderen hetzelfde geloof deelachtig zijn, om zichzelf te onderzoeken, of het wel echt is en vruchten voortbrengt. Waarachtig geloof kruipt niet weg, maar wordt uitgedreven tot getuigenis en tot de daad. Het geloof overwint de wereld. Dat is niet alleen beperkt tot het innige Christendom. Neen, het innige Christendom moet zijn echtheid, zijn geestelijke gezondheid en kracht bewijzen in het leven en in de wereld om ons heen, in getuigenis door woord en handeling. Als we zeggen, dat dit veel te weinig geschiedt, sluiten we ons zelf ook in, echter niet zonder te vermanen, dat dit anders moet worden, zullen we vrede met God en vrijheid in de wereld mogen behouden.
Voor ons reformatorische geloof uitkomen. De zuivere leer der belijdenis is niet alleen een museumstuk geworden voor velen, maar wordt in fundamentele stukken openlijk weersproken of geruisloos uitgerangeerd, zelfs door kerkelijke personen en instanties, die haar behoorden te verdedigen. Ook en met name op het allervoornaamste stuk, op de grondslag, waarmee alle christelijke confessie staat of valt: het geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift, zijnde Gods Woord, is dat het geval.
Kritische overwegingen, die geen ander gezag hebben dan het beperkt en verduisterd menselijk verstand, en misplaatste uitvindsels als tijdgebondenheid b.v. van apostolische geboden en inzettingen vormen niet alleen- een beletsel voor degenen, die zulke dingen aanvoeren om tot onderscheiding van het waarachtig geloof te komen, maar misleiden ook degenen, die naar hen luisteren en de gaven der onderscheiding missen.
Gods waarheid is geen tijdgebonden zaak en het geloof is in onze dagen niet van andere aard en inhoud als in de dagen der apostelen. Het apostolische woord heeft voor de gemeente des Heeren in deze tijd hetzelfde gezag als in de andere eeuwen.
Daarom laat ons herdenken door te getuigen en voor anderen waar te maken: wij geloven met het hart en belijden met de mond, wat de reformatorische kerk beleed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's