UIT DE PERS
Het blijkt toch steeds weer moeilijk te zijn om het speciale „klimaat" dat elke kerk eigen is aan te voelen, wanneer men zelf tot een andere kerk behoort, dan de kerk waar men over schrijft. Tot dat besef kwam ik weer door de draai om m'n oren die ik te incasseren kreeg van de heer W. C. F. Scheps in Kerknieuws van 21 oktober.
In een persoverzicht had ik namelijk geschreven: De synode van Apeldoorn van de (gebonden) Geref. kerken ... Hij vindt dat het aanbeveling verdient, dat de kerken elkander bij hun officiële naam noemen en niet betitelen op een wijze die zacht gezegd, toch wel in hoge mate subjectief mag worden genoemd.
Dat is een moeilijke zaak, want als ik me niet vergis, zijn er twee kerkgenootschappen, die zich allebei betitelen met hun officiële naam van Gereformeerde Kerken. Niettemin zijn deze twee met elkaar in een ferme strijd gewikkeld. Beiden hebben dit jaar een vergadering gehad van hun Generale Synode, de éne in Assen, de andere in Apeldoorn. Om geen verwarring te stichten bij de lezers acht ik me geroepen om bij een bepaald citaat er bij te vermelden aan welke van de twee mogelijkheden de lezers hebben te denken als ze verder gaan lezen. Vanzelf zoekt men dan naar een zo kort mogelijke aanduiding, die toch tegelijkertijd vergissingen uitsluit. Al lezende in de kerkelijke pers komt men dan vaak de omschrijving „gebonden" tegen; zon aanduiding blijft onwillekeurig hangen en men gaat die zelf gebruiken omdat de aanduiding wegens z'n kortheid zo bruikbaar is en tegelijk de aangewezen indicatie is tegenover de andere partij, die we dan „vrijgemaakt" noemen. Voor mij waren dus de tussen haakjes geplaatste toelichtingen „gebonden" of „vrijgemaakt" van precies hetzelfde gehalte.
Tot m'n schrik kom ik nu echter tot de pijnlijke ontdekking, dat „(gebonden)" kort gezegd een scheldwoord is, terwijl „(vrijgemaakt)" de officiële toevoeging is bij de officiële naam Gereformeerde Kerken, waarmee dan de andere partij zich noemt. Zo moet het dus officieel zijn, want zo duidt de heer S. in zijn blad zelf de verschillende groeperingen aan, en hij zal zich toch wel aan de officiële namen houden als hij anderen die dit niet deden een uitbrander geeft. De éne heet dus officieel Geref. Kerken, de andere Geref. Kerken (vrijgemaakt). De praktijk bewijst echter dat de buitenstaander, die door de onderlinge verwikkelingen nauwelijks wordt aangesproken, blijft spreken t.a.v. beide kerkgenootschappen van: Geref. Kerken. Een nader precisering van beiden kunnen we dus bijna niet missen. Ik zou het natuurlijk eens heel voorzichtig kunnen proberen met „(syn.)"; dat komt men namelijk ook nog wel eens tegen.
Maar de aanduiding (gebonden) moeten we toch wel laten schieten; die is zonder meer grof beledigend. Luistert u maar waar deze uitdrukking mee op één lijn staat. De heer S. schrijft namelijk: „We spreken toch van de Geref. Bond ook niet als van een organisatie waar de dominees allemaal zwarte kousen en zwarte jasjes dragen? "
Blijkbaar heeft de Herv. Synode in het herderlijk schrijven: Over de Belijdenis der kerk en haar handhaving, enkele gedachten overgenomen uit de lezing van dr. K. Strijd over Dimensies der leertucht, die hij gehouden heeft op de predikantenvergadering van april jl. Het geval wil namelijk, dat ds. Groenewoud in het Hervormd Weekblad van 19 okt. een artikel schrijft over deze lezing van dr. Strijd, terwijl prof. H. Ridderbos in het Geref. Weekblad (Kok) van 27 okt. een artikel geeft over genoemd herderlijk schrijven; en beiden leggen de vinger bij dezelfde gedachte, die ze ook beiden als onjuist afwijzen.
Zowel dr. Strijd als ook de Herv. synode manen tot zeer grote voorzichtigheid bij het hanteren van de leertucht, want deze heeft een „eschatologische dimensie". Dat betekent dan, dat bij de toepassing van de leertucht gezegd wordt: Gij wordt door God zelf uit het Rijk van Christus gesloten. Zowel het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" als het Gereformeerd Weekblad achten dat het eschatologisch element een veel te sterk accent krijgt en dat hiermee een overspannen opvatting van de leertucht wordt ingevoerd.
Ds. Groenewoud gaat dit duidelijk maken aan de hand van de Catechismus. Als dr. Strijd spreekt over het gesloten worden buiten het Rijk van Christus door de leertucht, dan hanteert dr. S. hierbij zondag 31. Maar deze zondag over de sleutelen des hemelrijks hebben het helemaal niet over de leertucht over predikanten. Het gaat daar over de gewone gemeenteleden. Aan de hand van het Schatboek van Ursinus toont ds. Groenewoud aan dat de leertucht over de predikanten ondergebracht moet worden bij zondag 21; De kentekenen van de ware kerk noemt Ursinus daar in zijn Schatboek: de rechte verkondiging van het ware evangelie. Daar moet de kerk voor zorgen door de leertucht over de predikanten:
Van hieruit kan men zeggen, dat het in zondag 31 gaat over de tucht over de gewone gemeenteleden, waarbij dan verondersteld Is, dat de gemeente het rechte evangelie hoort. Zondag 21, waarin de rechte prediking van het evangelie wordt geponeerd, bepaalt de kerk van zondag 31. Daarom komt hier de leertucht niet aan de orde.
Ook prof. H. Ridderbos, die in het Gereformeerd Weekblad een beschouwing geeft over het genoemd herderlijk schrijven van de Herv. synode, wijst er op dat men met die zgn. eschatologische dimensie de leertucht een veel te zwaar accent geeft:
Hier wordt de leertucht kortweg vereenzelvigd met de sleutelmacht van zondag 31. Daar is voor mijn besef een denk-fout in. Het criterium voor leertucht ligt niet in de vraag, of iemand met zijn leer nog wel in het Koninkrijk Gods kan ingaan, maar of hij daarmee nog wel de salus ecclesiae, het heil van de kerk dient. Daarom moet de kerk het recht hebben van de ambtsdragers te vragen, dat zij in haar dienst en opdracht zich van bepaalde leringen onthouden, ook al zal de kerk daarvan niet altijd willen zeggen, dat ze uit de duivel zijn. Dat behoort mede tot het opzicht over de leer. Zo spreekt ook het Nieuwe Testament er over.
Het is merkwaardig dat ook de beide schrijvers tot de conclusie komen, dat het stellen van deze eschatologische dimensie tot gevolg heeft, dat men aan de vermaning om toch vooral erg voorzichtig te zijn bij het hanteren van de leertucht een veel te grote plaats inruimt. Ds. Groenewoud, schrijvend over de lezing van dr. Strijd, zegt:
Tenslotte heeft het me bevreemd, dat de referent dit antwoord zo eenzijdig heeft toegepast op de leertucht, althans in dit verband. Er staat nl. „onchristelijke leer of leven" en „dwalingen en schandelijk leven". Wil men de eschatologische dimensie toepassen, en ik wil niet beweren dat het nu perse helemaal niet mag, dan niet alleen op de leertucht, doch ook op de levenstucht. M.a.w., een kerk, die levenstucht oefent, moet bedenken, dat ook daarbij de laatste dingen aan de orde komen.
Prof. H. Ridderbos komt, zij het langs een andere weg, tot dezelfde conclusie:
Het stuk is zó beducht voor een te snelle toepassing van de leertucht, dat er voor het tegendeel, nl. dat de verwaarlozing van de leertucht de kerk voor een even groot, wellicht nog veel grotere ramp stelt, weinig of geen aandacht schijnt over te blijven.
Anders gezegd: wat men in dit stuk vindt is: voorzichtigheid, wijsheid, matiging. Wat men er in mist, wat er niet éénmaal uitspat is: de passie voor de ongereptheid van het evangelie. Zeker, er staat wel: in de kerk kan en mag niet alles. Daarom staat er ook: leertucht is onvermijdelijk. Maar er is méér vrees voor de beknotting van de vrijheid dan voor het tekort doen aan de waarheid in de kerk.
Nu na het sluiten van de synode-vergaderingen in de Geref. Kerken de activiteiten om tot hereniging te komen met de vrijgemaakten, wat naar de achtergrond geschoven zijn, schijnt er een actie te gaan komen, die ten doel heeft om het streven van de zgn. „achttien" tegen te gaan en ongedaan te maken. We weten dat de achttien zich ten doel gesteld hebben om zo spoedig mogelijk te komen tot een eenwording van Geref. Kerken en de Herv. Kerk. Een groep in de Geref. Kerken zou daar niet het minste bezwaar tegen hebben, als de vrijzinnigen maar geen legale plaats in de Herv. Kerk hadden en als de regering der kerk maar niet was in de handen van de midden-orthodoxie, die toch niet de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift aanvaardt en bovendien op bepaalde centrale punten de waarheid van Gods Woord niet verkondigt, maar in de mist zet. In Waarheid en Eenheid van 27 okt. vinden we een artikel op de voorpagina van de hoofdredacteur dr. J. Schelhaas en daarin lezen we o.a.:
Daarom is het de hoogste tijd, dat allen, die de Geref. waarheid liefhebben en de grondslag van onze kerken ongeschokt en onaangetast willen bewaren, zich verenigen in afweer van het dodelijk gevaar, dat ons bedreigt.
Daarom heb ik de opdracht van bestuur en redactie van ons blad ontvangen, om een ernstige oproep tot alle verontrusten over de gang van zaken te doen uitgaan, waarin zij met aandrang en nadruk worden uitgenodigd, met ons mede te werken en mede te strijden tegen deze gevaren. Ons blad wil zich daaraan met beslistheid geven. Wij hebben ons veelvuldig begeven in de strijd rondom het kerkelijk conflict. Die zaken waren van betekenis, maar wat ons nu centraal bezig houdt gaat daar in belangrijkheid ver boven uit. Dit zal ook de kwesties van het kerkelijk conflict overschaduwen en onwillekeurig wat naar de achtergrond dringen, ook al blijven zij van betekenis. En zo zal het temeer mogelijk moeten zijn, dat zij, die over het kerkelijk conflict met ons van mening verschillen maar met ons over de vals oecumenische geest van vele vooraanstaande mensen in onze kerken ernstig verontrust zijn, nu zich met ons verenigen om het credo en het erfgoed van Afscheiding en Doleantie te verdedigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's