De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

10 minuten leestijd

In de St. Jacobskerk — Ds. Groenewoud over Hervorming — Uit de najaarszitting der Generale Synode — Het 10e Christelijk Schoolcongres — De Schotse moderator naar Paus Johannes XXIII.

De herdenking van de publicatie der Confessio Belgica heeft de aandacht getrokken. Terecht naar ik meen. Ze was die aandacht waard, om het feit, om het karakter en om de inhoud. Slechts een enkele opmerking over karakter en inhoud, omdat beide het betekenisvolle van het feit accentueren. De herdenking was interkerkelijk. Het comité, dat deze herdenking voorbereidde en organiseerde was het nog iets breder dan in de herdenking naar buiten trad. Waren in de Jacobskerk drie kerken gerepresenteerd — hervormd, gereformeerd en christelijk gereformeerd — in het comité was met de genoemden ook „vrijgemaakt gereformeerd" vertegenwoordigd, nl. in dr. Bremmer. Dwars door de gescheidenheid heen heeft de confessie in dezen verenigend gewerkt. Er kwam iets van de eenheid naar voren, die Groen van Prinsterer reeds zag in zijn tijd, ondanks de Afscheiding, de eenheid der Gereformeerde Gezindte. De confessie heeft dit mogen bereiken mede door haar inhoud. Prof. dr. Polman uit Kampen heeft die inhoud boeiend getekend onder drieërlei aspect. Hij noemde ze: „Evangelisch, Oecumenisch en Nationaal". Het was een rijke toelichting na de eminente historische belichting van de inlevering der confessie en haar achtergronden, door prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink gegeven. Het inleidend woord van ds. Van den Hooff was eveneens stijlvol.

„In de regeringsbank hadden plaats genomen de ministers Beerman, Zijlstra en De Pous", zo meldde „Trouw" d.d. 3-l-'61. Jammer, dat de minister-president, prof. dr. De Quay niet aanwezig was. Het had een illustratie kunnen zijn van de veranderende waardering der Reformatie in r.k. kringen, waarvan we meermalen hoorden. Of was de regering niet officieel uitgenodigd? Dan vervalt bovenstaande opmerking, en waren genoemde ministers er niet direct qualitate qua, maar als belangstellenden.

Alles samengenomen was het in de Jacobskerk een indrukwekkende herdenking, in overeenstemming met het werk Gods door Guido de Brés verricht.

Heeft de herdenking van het vierde eeuwgetijde der N.G.B, het gedenken der Wittenbergse hervorming wat terzijde geschoven? Misschien de datum, doch de hervorming zelve niet. Want 31 oktober 1517 en de nacht van 1 op 2 november 1561, liggen in hetzelfde vlak. Ze komen op uit één hetzelfde werk Gods, in hernieuwde openbaarwording van het zuivere Evangelie. In de Pers is dan ook die zegen des Heeren niet vergeten.

In „Herv. Weekblad" d.d. 2 nov. jl., gaf H. G. G. een artikel onder het opschrift „Hervorming", waarin hij weer eens het accent legde op het devies der reformatie: reformata quia reformanda, d.i. hervormd om hervormd te worden. Hij pleitte dus voor een voortgaande hervorming. Daarbij plaatste hij een aantal vragen, niet allereerst om te kritiseren, doch om er zich op te bezinnen. Hij zegt in het begin van zijn artikel, dat het ,,helemaal niet zo zeker is, dat de Hervormde Kerk het Evangelie, zoals de Reformatie dat naar voren bracht, zuiver heeft bewaard". Hij wijst in dit verband de beschuldiging der Afscheiding van 1834 af, als zou de Hervormde Kerk de valse Kerk zijn, die art. 29 tekent. „Dit neemt niet weg", zo vervolgt hij daarna, „dat de kern van het evangelie in haar midden in geding is als een fel bestreden dogma". Hij doelt daarmee op „de prediking, dat Jezus Christus is de Middelaar Gods en der mensen". Hiertegen „richtte zich het bezwaar om niet te zeggen de aanval van prof. Smits".

Hierna haalt H. G. G. aan, dat prof. Smits meent, „dat elke vrijzinnige theoloog nooit mag aanvaarden de verabsolutering van de geloofsgestalte van de middelaar", en dat het vrijzinnig protestantisme „verschillen in christologie en middelaarstype met het ontbreken van elke middelaar moet blijven aanvaarden en verdragen". Met dat aan prof. Smits de emeritaatsrechten zijn ontzegd — „een ordemaatregel, geen leertucht, gelijk herhaaldelijk vanwege het moderamen der synode is gezegd" — is deze besliste en scherpe bestrijding van het evangelie niet uit de kerk gebannen".

„Wel heeft", zo vervolgt de schrijver, „de Synode herhaaldelijk uitgesproken, dat zij deze bestrijding van het evangelie verwerpt". Maar zij beeft hier niets tegen gedaan. „Niet alleen niet in het geval van prof. Smits, maar ook niet in andere gevallen". Hij memoreert dan, dat „het algemeen bekend is, dat ook anderen in de hervormde kerk deze en andere dwalingen onverbloemd leren". Daarna concludeert H. G. G., „dat we een krachtig werkzaam zijn van het reformatorisch beginsel in de Hervormde Kerk verhinderen en tegenwerken als we deze dingen ongestoord laten voortbestaan".

H. G. C. stelt nog meer zaken, kritisch vragend, aan de orde. 't Zou teveel zijn op die alle thans in te gaan. Wat ik uit het artikel overnam, geeft stof genoeg tot overpeinzing. Hier gaat het over de absoluutheid van het Evangelie, waarin de Heere Jezus Zich predikt als de Weg, de Waarheid en het Leven, met dat volstrekte slot: „Niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Joh. 14 : 6).

Wanneer de kerk, dat zijn wij, in dezen ontrouw is en blijft, dan kan het gevolg zijn, dat de dwaling langs lijnen van geleidelijkheid, zozeer gaat toenemen, dat ze straks in de kerk overheersend wordt en de kerk het „kerk-zijn" zou verliezen.

Kerken kunnen op meerdere wijze haar eens zo beloftenrijke plaats verliezen. Ik denk hierbij aan de reformatorische kerken in de zuidelijke Nederlanden. De bloei uit de eerste tijden is door de inquisitie wreed verstoord, zodat de „rest", het overblijfsel, naar het Noorden uitweek. En hoe ging het met de zeven gemeenten in Klein-Azië? Ik zou op haar willen toepassen: „Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer". Dit is een ernstige waarschuwing voor ons, want wie durft zeggen, dat zulks hier niet zal geschieden? God verhoede het. En daarom zij ons de vermaning van de verhoogde Christus op de ziel gebonden: „Houdt wat gij hebt, opdat niemand uw kroon rove".

Ook onze Synode vergaderde in de week van 29 oktober—4 november, en wel 30 en 31 oktober en 1 november. Afgaande op de persverslagen zou ik zeggen, dat er wel eens belangrijker zaken aan de orde zijn geweest. Het behandelde lijkt mij in de middelmatige sector te liggen.

Van wat in het artikel „Hervorming", waaruit hiervóór iets werd naar voren gebracht, als wens, en eis van voortgaande hervorming werd onderstreept, heb ik niets ontmoet in het persverslag, doch misschien geeft het officiële communiqué aanleiding om mijn oordeel te herzien.

Allereerst las ik van „benoemingen". Verrassends vond ik daar niet onder. Voorts is gehandeld over „de houding jegens de r.k. kerk". Ter tafel was een advies-nota samengesteld door ds. Meyboom en dr. De Ridder. Bij de bespreking werd gevraagd om ook andere kerken bij deze zaak te betrekken. De praeses zei, dat met de gemaakte opmerkingen rekening zal worden gehouden. De opstellers zullen, gesecundeerd door vier leden der Synode, dit verwerken. Het breed moderamen zal de eindredactie verzorgen, waarna het stuk wordt gezonden aan kerkeraden en predikanten. De teneur van de nota is: „Contact en gesprek nodig". Achter dat „nodig" zet ik een dubbel onderstreept vraagteken!

Ook over het „mutatie-voorstel" is gesproken. De reacties van de classis-vergaderingen passeerden de revue. Ik heb uit wat ik hierover las de indruk, dat men er mee zit. Het is dan ook een heel hangijzer hierin een beslissing te nemen. Die is nog niet gevallen.

Er is over nog meer gesproken dan ik hier memoreerde. Doch het bleef m.i. zich bewegen in de periferie. Waarschijnlijk zullen anderen het anders zien. Ieder is in zijn oordeel subjectief. Er wordt door velen in en buiten de Synode op kerkelijk erf veel gewerkt. Er is velerlei activiteit. En ik wil gaarne, waar mogelijk, waarderend zijn. Doch ik vrees, dat er een matheid werkt, die alleen kan en zal verdwijnen als wij — het geldt ons allen! — gegrepen zijn of opnieuw worden, door wat Paulus in Romeinen 1 vers 16 belijdt, als hij zegt, dat het Evangelie „een kracht Gods tot zaligheid is, een ieder die gelooft". Als we het zo kennen, zal het ons kracht zijn tot alle kerkewerk. Die kracht speurde ik niet in het ter Synode in haar najaarszitting behandelde. Maar ik kan me vergissen. En indien dat zo is, zal ik beschaamd verblijd zijn.

Er is veel vergaderd in de week van de overgang van oktober naar november. In Amsterdam is die week het 10e Christelijk Schoolcongres gehouden. Ik herinner mij nog, dat ik rondom 1920 een dergelijk schoolcongres meemaakte in Utrecht, in de grote Tivolizaal. Die was vol. Jhr. de Savomin Lohman, de man die enkele jaren daarvóór in de Tweede Kamer zijn historische rede met het thema: „Doe recht" had gehouden, was er, evenals dr. Th. de Visser, toen minister van Onderwijs. Hij was de eerste, die dit ministerschap bekleedde. Er waren er meer, die onder de „voortrekkers" gerekend kunnen worden. Het was een hartverheffende en sterkende vergadering. We keerden bemoedigd in de strijd terug. Want we waren nog in de schoolstrijd, al liep hij in de vorm, waarin wij hem toen meemaakten, ten einde.

Als ik in het verslag van dit 10e Schoolcongres lees, dat er ca. 500 bezoekers waren tegen ca. 1000 drie jaren geleden, slaat de schrik mij om het hart. Och ja, ik weet het ook wel: de zegen hangt niet af van een grote menigte. Maar die teruggang in het bezoek zegt iets. Het duidt er niet op, dat we in de zaak van ons Christelijk onderwijs intens meeleven, meestrijden in de gebeden. Heeft de cultuur ons zo aangevreten en zijn we zo opgaande in het stoffelijke en wat dit leven in zijn stijgende opgang ons belooft en geeft, dat deze zaak, die naar het „zeer ware Woord" van God onze liefde en meeleven moet hebben, ons koud laat?

Het congresthema was: „De uitdaging der cultuur aan de Christelijke School". Door de inleiders, prof. ir. Van Riessen en dr. Sleumer, zijn uitnemende dingen gezegd. Als eindconclusie gaf de 2e voorzitter, dr. la Fleur: „Geen 'klinkklare' antwoorden, maar wel bemoediging".

In zijn slotwoord zei hij: „Wij moeten de ogen open hebben voor wat in het verleden is gebeurd en de oren open voor wat God in Zijn Woord zegt. We bewijzen de jeugd een slechte dienst, wanneer we het verleden overboord zetten: de toekomst is geen op zichzelf staande grootheid". Dat waren goede woorden. Ze mogen dienen om de worsteling onvermoeid voort te zetten, om voor het Evangelie, gelijk de Reformatie het weer tot gelding mocht brengen, de harten onzer kinderen te winnen. In die vorm blijft de schoolstrijd ook heden van kracht. Hij is niet beëindigd. Er is, ja waarlijk, de uitdaging der cultuur.

De moderator van de Schotse Kerk — het hoofd van die kerk — zal, zo werd onlangs gemeld, , een bezoek aan Paus Johannes XXIII brengen, Dit werd met overgrote meerderheid door de Synode der kerk in Schotland goedgevonden.

In de week, dat vier eeuwen Nederlandse Geloofsbelijdenis werd herdacht, gaf de N.C.R.V. een klankbeeld uit het leven van John Knox, de reformator van Schotland. Het was een aangrijpende vertolking van zijn strijd om Schotland voor het zuivere Evangelie te winnen. Ik weet niet of het alles historisch verantwoord was. In hoofdzaken wel.

Als ik die beide, dat klankbeeld en het besluit der jongste Schotse Synode met elkander vergelijk, dan is er nu wel als een snelle afloop van wateren. Hoe is het goud verdonkerd! Voeg daar nog bij, dat dr. Fisher, nu Lord Fisher, de vorige primaat der Engelse Kerk, heeft gezegd, dat „de kerk van Rome in plaats van een vijand een bondgenoot is geworden", dan is er wel reden om voor „dit nieuwe hoofdstuk in de wereldgeschiedenis" —, alzo typeert lord Fisher een en ander — grotelijks beducht te zijn. „Rome wint op alle fronten" wordt wel gezegd. Zij schijnt nu te winnen of te willen winnen met wat dr. Fisher noemt „ootmoedig tegenover iedere gelovige te zijn". Er zijn in Schotland zeker nog meerdere gemeenten, die het spoor door John Knox gewezen, willen volgen. Gode zij dank. Doch in de Schotse staatskerk is men, meen ik, dat spoor bijster. Maar ook een verdoolde kerk kan tot bekering komen. God heeft het in de Reformatie bewezen. Hij doe het ook in onze tijden in kerken als de Schotse.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's