HET WOORD
PROF. DR. J. SEVERIJN
Gods Woord voor ons.
Omdat het Woord der openbaring voor de mens bestemd is, en het openbarende Woord zich derhalve tot de mens richt, kan men spreken van Gods Woord voor de mens, dat wil zeggen: de Godsopenbaring in menselijke vorm.
Als het goddelijke Woord geen menselijk verstaanbare gestalte aannam, zou er trouwens van openbaring geen sprake zijn. Wij zouden zonder kennis van God blijven. Men kan dan ook met recht beweren, dat het aannemen van een menselijke gestalte door het openbarende Woord Gods, tot het wezen der openbaring aan de mens behoort.
Het is wel waar, dat daardoor het Woord Gods als zodanig door velen niet herkend wordt, gelijk men in het vleesgeworden Woord, in de dagen van Christus' op aarde zijn, ook de Zoon van God niet heeft ontdekt, met uitzondering van hen, die het gegeven was.
Dat is met Gods Woord in mensentaal ook zo gesteld: het wordt alleen door het geloof in zijn goddelijke waarheid gekend.
Men wachte zich echter uit deze omstandigheid de conclusie te trekken, dat men het in menselijke gestalte geschreven en gesproken Woord straffeloos kan negeren. Juist die mensvormigheid, waarin het Woord Gods tot ons komt is ten hoogste bezwarend voor wie het veracht. Wanneer de mens het hoort of leest, is het voor zijn verstand genoegzaam duidelijk om te doen begrijpen, dat het van God, van de schepping, van zonde en oordeel, van genade en verzoening spreekt. Ook, als we met het Woord in aanraking komen, terwijl het niet met het geloof gepaard gaat, doet het wat, is het niet door gemeenschap des geloofs, dan toch krachtens de algemene betrekking van alles wat adem heeft, tot het scheppende Woord, door hetwelk alle dingen gemaakt zijn. Wat de mens bijzonder aangaat, als redelijk en zedelijk wezen — niet minder een gave van het scheppende Woord — is dat een openbarende daad Gods hem alle onschuld ontneemt, omdat hij een besef heeft van de eeuwige kracht en godlijkheid, waarvan hij afhankelijk is (Rom. 1 : 20). Het is trouwens buiten rede te verwachten, dat het goddelijke Woord, hetwelk, terwille van de mens en zijn eeuwige bestemming, in menselijke taal tot ons komt, zou nalaten Gods werk in de wereld te volbrengen (Psalm 33 : 11; Jes. 55; Spr. 19 : 21). Er zijn mensen, die zich van het Heilig Avondmaal onthouden, uit vrees zich een oordeel te eten en te drinken. Men moet zich er echter over verwonderen, dat er zovelen in de kerk en daarbuiten zijn, die geen vrees koesteren, dat zij zich ook een oordeel horen of lezen kunnen door, ondanks de kennis van Gods Woord door prediking of lectuur, te volharden in onbekeerlijke wandel.
Zij hebben enerzijds niet verstaan, welke grote gave God ons daarin geschonken heeft, dat Hij Zijn Woord geeft in gelijkheid met de menselijke spraak. Anderzijds zijn ze er blind voor, dat alle verontschuldiging van de mens wordt weggenomen, indien hij geen acht heeft gegeven op het profetische Woord.
Gods Woord bij ons.
Wanneer God tot een mens spreekt, daalt Hij uit de verhevenheid van het ontoegankelijke licht neder tot het schepsel. Dat is reeds een blijk van goedertierenheid en van genegenheid tot de mens, die Hij schiep. Geen verwondering behoeft het dan ook te baren, dat de Schepper tot de mens spreekt, die zojuist uit Zijn scheppende hand is voortgekomen en in wiens neusgaten Hij de levensadem heeft ingeblazen. De nieuwgeschapen Adam verschijnt in het leven en wordt door zijn God aangesproken. Hij ontdekt in Hem zijn Schepper, bij Wiens gratie hij existeert en ziet zich omringd door een paradijs-luister, welke een afschaduwing is van hemelse heerlijkheid. Van meet af werd Adam door het Woord Gods geleid. Immers, God sprak tot hem, zegende hem en gaf hem instructies (Gen. 2 : 15 V.V.). De mens is nooit zonder het Woord Gods geweest. Zonder dat zou hij ook nimmer zijn bestemming kunnen bereiken. Niet alleen, omdat hij met alle schepselen gemeen heeft, dat hij van het scheppende en onderhoudende Woord afhankelijk is, maar ook ten aanzien van een eeuwige toekomst. Dank zij het wondere bewustzijnsleven met zijn eigen gaven en vermogens, is het gesproken Godswoord ook niet weer, als op de vleugelen van de wind, verdwenen, maar, wat wij gehoord hebben, blijft in de herinnering bij ons bewaard.
Zo is het tot de mens gesproken Woord Gods niet maar voor een ogenblik bij hem, doch het leeft in het bewustzijn voort en wordt van geslacht op geslacht overgedragen. Anderzijds laat God Zijn gesproken Woord niet zonder meer aan de mens en de traditie over, doch Hij waakt over Zijn Woord. Dat heeft het eerste mensenpaar reeds ondervonden, tot smart en rouw, die de ganse mensheid trof. Omdat God over Zijn Woord waakt, waakt Hij ook over de mens tot wie Zijn Woord gericht is. Vandaar, dat Hij aan de mens een bevoorrechte plaats op aarde bereidde, die het paradijs wordt genoemd, als een afschaduwing van zijn hemelse toekomst. Ook maande God hem als een vader tot gehoorzaamheid, hem wijzende op het dodelijk gevaar, dat dreigde hem zijn eeuwige bestemming te doen missen, indien ongeloof en ongehoorzaamheid hem zouden misleiden (Gen. 2 : 17).
De mens is gevallen en heeft zich het oordeel Gods op de hals gehaald. Hij en zijn ganse geslacht bestaat onder het oordeel Gods. Wij. kunnen eigenlijk niet zeggen: dat we leven onder het oordeel Gods, want al is het ook, dat wij gewoon zijn zo te spreken over ons aardse bestaan, leven naar de maatstaf Gods doen wij maar zeer ten dele, namelijk voorzover wij in de Christus geloven, doch buiten het geloof staat het leven in het teken van de dood. Daarom spreken wij van bestaan en wel van bestaan onder het oordeel Gods.
God heeft echter het gevallen schepsel niet overgegeven. Hij heeft Zich als een God van barmhartigheid en genade geopenbaard, vrede makende door het bloed des kruises.
Bepalen wij ons thans tot de zondeval, waardoor de mens zich van de gaven, waarmede hij door God was versierd, heeft beroofd en de toorn Gods over zich heeft gehaald. Voor de mens kon geen andere verwachting overblijven dan die van een eeuwige Godverlatenheid. Edoch, God heeft Zijn hand niet van hem afgetrokken. Integendeel, het Woord, dat niet verre is van een iegelijk van ons, vanwege de levensbetrekkingen in schepping, onderhouding en openbaring, is nog meer nabijgekomen. Zo nabij zelfs, dat het is vleesgeworden (Joh. 1 : 14), ons vlees en bloed heeft aangenomen, ons oordeel op Zich heeft genomen en onze dood is gestorven, opdat Hij de Zijnen daarvan zou bevrijden. Zoals Calvijn zich ergens uitdrukt: Hij heeft ons sterfelijk vlees aangenomen, opdat Hij het onsterfelijk zou maken (Inst. IV. 17.8).
De zonde oorzaak geworden, dat het Woord nog dichter bij ons is gekomen, ja, onzer één is geworden. Wij hebben kunnen opmerken, dat het Woord zich in heel het werk der openbaring van menselijke vormen en gestalten heeft bediend; tot openbaring van Gods ontferming over het gevallen schepsel, een wederhorig en ongehoorzaam geslacht, is het goddelijke Woord zelfs mens geworden naar de gelijkheid des zondigen vleses (Rom. 8 : 3). Het Woord bij ons: Immanuël (Jes. 7 : 14; Jes. 8 : 8).
Daarmede begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis der openbaring.
Dit hoofdstuk heeft een langdurige voorbereiding gehad, welke begon toen God de van schaamte wegvluchtende Adam bij zijn naam riep om hem te straffen, doch niet zonder hoop op ontkoming (Gen. 3 : 9).
De openbarende werkzaamheid Gods is bij spreken niet gebleven. Laat ons liever zeggen in de volgende periode van de geschiedenis treedt het aan de dag, dat spreken niet alleen is: expressie in woorden. Zelfs bij ons mensen heeft het spreken een veel ruimere zin. Wij spreken in gebaren, gedragingen, handelingen. Een mens kan ook welsprekend zwijgen. Het behoeft niet meer te worden opgemerkt, dat het Woord Gods op velerlei wijzen gesproken heeft (Hebr. 1 : 1). De geschiedenis van het volk Israël getuigt van het spreken Gods op menigvuldige wijze, door profetieën, door verschijningen, ceremoniën, gezichten, dromen, kortom: het spreken Gods is handelen Gods. Veelal wordt God de Heere genoemd als het subject van al deze vormen van openbaring. Wij moeten daardoor echter het Woord niet uit het oog verliezen, want het Woord is God, de tweede Persoon, en deze is het handelend subject in de geschiedenis van Israël en niet alleen van Israël. Het Woord, is immers de Godsopenbaring in Persoon.
Het is het Woord, de Messias, die Israel uit Egypte uitleidt, die verschijnt in de braambos, de wolk en in de vuurkolom, op de berg Sinaï, en vaak als de „Engel des Heeren".
De geschiedenis van Israël vertegenwoordigt een dramatisch geheel van Godsopenbaring, door God in de wereld gezet, opdat zij ontdekke, hoe Hij met een wederhorig kroost omgaat in gericht en betoon Zijner genade, hoe Hij verwachting schenkt aan een verloren mens, hoe Hij Zijn volk een weg bereidt in de Messias. Klaar en duidelijk zien de profeten; dat Hij komt. In deze weg wordt Israël drager der openbaring Gods en neemt het zijn uitzonderlijke positie in de wereld in. Uit Israël is de Messias, zoveel het vlees aangaat, voortgekomen.
Israël, een dramatisch geheel van Godsopenbaring, daartoe doof God verkoren, Israël de weg, waarin het Woord Zijn vleeswording voorbereidde. Daarom moet de geschiedenis van Israël niet worden gelezen als een verzameling van meer of minder interessante, volksverhalen uit de oude wereld van het Oosten, maar ons oog gericht blijven op de handelende God, dat is het op velerlei wijze sprekende Woord, de komende Messias.
God heeft deze openbaring niet alleen doen bewaren in het hart van Zijn volk, maar ook door het Schrift. Want het is Zijn welbehagen deze Godsopenbaring, Zijn waarheid, in blijvende herinnering te houden (Calv. Inst. I. 7.1.). Allen, die leren de zich openbarende God, het sprekende Woord, in de Schrift te ontdekken, ontvangen haar als Gods Woord en leren verstaan, dat de Schrift in de hand Gods openbaringsorgaan is en getuigenis van de Christus (Galv. Inst. I. 6.2).
Gelijk het Nieuwe Testament ons de Christus voorstelt in de weg van Zijn vernedering en verhoging en ons inleidt in de uitnemende kennis van de Gezondene des Vaders, zo stelt ons het Oude Testament de Messias voor in Zijn bemoeienissen met het volk Israël tot voorbereiding van Zijn komst in het vlees en tot inleiding in de hoop der vervulling van de beloften Gods in Hem.
Hij, die weleer Israël tot Zijn openbaringsorgaan heeft gemaakt, doof tekenen en wonderen, door ceremoniën en symbolen, door priesters en profeten, Zichzelf als het Lam Gods heeft geopenbaard in Zijn verblijf op aarde en Zijn discipelen tot getuigen heeft geordineerd, laat niet alleen de gedachtenis van deze dingen voortleven door de Schrift, maar het heeft Hem behaagd door de prediking van de Christus der Schriften Zijn koninkrijk te vergaderen en Zijn werk op aarde te voltooien.
Zo is de Heilige Schrift als orgaan van Gods openbaring in de wereld gezet en van haar kan als van het levende Woord gezegd worden: Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden (Lucas 2 : 34).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's