Een eerste indruk
(II)
A. Allereerst de belijdenis van de totale verdorvenheid van het gehele menselijke geslacht. De Leerregels beginnen als volgt: „Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden ..." — De belijdenis gaat uit van de zondeval en de ontzettende gevolgen ervan. Het ganse mensengeslacht staat doemschuldig voor Gods aangezicht. Goed en naar Gods evenbeeld geschapen is de mens van God afgevallen in een vrij- en moedwillige ongehoorzaamheid (H.C. vr. en a. 9 en 10). Vandaar dat Adam en al zijn nakomelingen liggen onder de eeuwige vloek.
De belijdenis van de verkiezing heeft als achtergrond het paulinisch getuigenis. dat de gehele wereld voor God verdoemelijk zij (Rom. 3 : 19). Alleen in de belijdenis van deze werkelijkheid komt het stuk der verkiezing in zuiver licht te staan. We ontvangen zicht op de verkiezing als uit-verkiezing en op de verwerping als de keerzijde ervan.
Men kan niet Schriftuurlijk theologiseren over de verkiezing, als men de locus de peccato (de leer der zonde) niet Schriftuurlijk honoreert. En we zijn ons bewust hoezeer hier bij menigeen de schoen wringt. Wat we dienaangaande b.v. aan exegese van Romeinen 2 : 12—16 hebben te horen gekregen laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De belijdenis van de absoluutheid van de verlorenheid van het ganse menselijke geslacht wordt erdoor van zijn kracht beroofd.
B. In de tweede plaats de belijdenis van de absolute souvereiniteit Gods. Calvijn komt altoos op uit het buigen voor zijn souvereine God, Die doet met het Zijne, wat Hem behaagt. Dat is niet de belijdenis van God als een willekeurig tyran. In de verste verte niet. Maar ik bedoel hiermee een willen verslonden worden van ons met al onze wijsheid en humaniteitsgedachten en - normen door de souvereiniteit van onze grote God, Die rechtvaardig is in al Zijn werken. Zijn oordelen zijn een grote afgrond en spotten met de voorstellingen van onze verdorven ratio. De God der Schriften is die God, Die de rotsen in tweeën splijt. Die dondert in de hemel en de gronden der wereld blootlegt (Psalm 18). Alleen het verlicht en geheiligd verstand van Gods kind, dat buigt voor Zijn God, vermag iets van de diepten Gods te schouwen. Maar dan nog geldt: Ziet dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en v/at een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan de donder Zijner mogendheden verstaan?
Hier volgen enkele aanhalingen uit de Institutie:
Als Calvijn bezig is met Rom. 9 : 20 (O mens, wie zijt gij, die met God strijdt? ), wijst hij erop, dat de apostel Gods souvereiniteit verheft. „De wijze van handelen der Goddelijke gerechtigheid is te hoog, dan dat ze naar menselijke maatstaf kan afgemeten worden, of door de kleinheid van het menselijke verstand kan begrepen worden." — „Gods oordelen hebben zo'n diepte, dat alle verstand der mensen er door verslonden zal worden, wanneer het poogt daartoe door te dringen. Maar Paulus leert ook, hoe onbehoorlijk het is Gods werken aan deze wet te onderwerpen, dat wij, zodra hun reden voor ons niet duidelijk is, hen durven af te keuren" (Inst. III o. 23.4).
Aangaande de verworpenen, die hij alle verontschuldiging beneemt schrijft hij: Van Gods beschikking, door welke zij klagen tot het verderf bestemd te zijn, staat de billijkheid vast, die ons wel onbekend is, maar die toch volkomen zeker is.
Dat de richtlijnen getuigenis geven van dit souvereiniteitsbesef doordrongen te zijn, kan ik helaas niet zeggen.
Is het daarom, dat de exegese van sommige „moeilijke" teksten zo gewrongen is?
Ziehier zo de eerste overwegingen na de lezing der „richtlijnen".
Er dringen zich nog andere vragen op. Laat me ze toch even aanstippen. De richtlijnen doen het voorkomen, alsof Calvijn uit eerbied voor Rom. 9 (dat hij verkeerd zou hebben verstaan) zich zo uitvoerig bezig houdt met de verwerping. Mijn vraag is, of hierin aan Calvijn recht gedaan wordt, aangezien men bij het lezen der betreffende hoofdstukken der Institutie juist onder de indruk komt van zijn luisteren naar de gehele Schriftopenbaring? Hoeveel teksten haalt hij aan en bespreekt hij! Voluit maakt hij echter ernst met de Schriftuurlijke gedachte, dat de verkiezing uitverkiezing is (Ef. 1:4).
In verband met het voorgaande leeft de vraag bij mij, of „de verkiezing der gemeente", zoals daarover de richtlijnen schrijven (bl. 17) niet grondig aantast het particuliere karakter der verkiezing naar de H. Schrift, die ons brengt bij het Hoofd van Gods uitverkoren Gemeente, „in Wie de hemelse Vader Zijn uitverkorenen met elkander verenigd en door een onlosmakelijke band met Zich verbonden heeft"? (Inst. III c. 21.7).
Aan de Leerregels wordt verweten, dat zij eenzijdig zich beroepen op N.T.-teksten en het O.T. niet honoreren. — Wordt hierin aan de Leenegels recht gedaan? — De bedoeling der Leerregels is een nadere uitwerking te geven van NGB art. 16 in verband met de toen hangende geschillen. Nu wordt aan de Leerregels verweten, dat zij niet alles hebben behandeld, wat in de H. Schrift over de verkiezing gezegd wordt.
Ongetwijfeld is er meer over de verkiezing te zeggen. Er zijn tal van concentrische cirkels in Gods verkiezing, of, om met Calvijn te spreken, trappen in de verkiezing. Er is een verkiezing van een volk uit alle volken der aarde tot verbondsgemeente, om draagster der openbaring te zijn, er is verkiezing van een geslacht, van bepaalde personen tot volvoering van een taak in het heilshandelen Gods.
Over al deze trappen spreken de Leerregels niet. Maar daarmee valt niet de Schriftuurlijke waarheid te loochenen van hetgeen ze beleden hebben aangaande de verkiezing in haar kern.
Nog één vraag: Als de richtlijnen zeggen op blz. 16, dat, toen God Zich in Jezus Christus met een verloren mensheid verbond, dat Zijn verkiezende genade was, waarin de verkiezing der gemeente en de verkiezing der enkelingen is gegrond, en dat daarom Christus de spiegel der verkiezing is, en dit ondersteund wordt met Inst. III c. 24.5, waar Calvijn eveneens Christus aanwijst als de spiegel der verkiezing, constateer ik dan hier niet terecht, dat als twee hetzelfde zeggen, het daarom nog niet altijd hetzelfde is, en dat daarom hier Calvijn andere dingen in de mond gelegd worden dan hij eigenlijk bedoelde?
Tenslotte beveel ik nog een nadere bezinning op de verhouding gemeenschap — enkeling en omgekeerd in verband met de verkiezing. Wat hierover de richtlijnen op blz. 17 schrijven kan m.i. de toets der Schriften niet doorstaan.
Genoeg heb ik overhoop gehaald. Het was me enkel te doen om ons tot grondige studie te brengen aangaande de Schriftuurlijke verkiezingsleer. De richtlijnen bevatten ongetwijfeld allerlei pastorale wenken, die we ter harte moeten nemen, maar theologisch ken ik aan de richtlijnen, die Calvijn en de confessie geven, meer Schriftuurlijke helderheid toe dan aan die van de Synode.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's