Meditatie
De verticale wereldbeschouwing van Benjamin, Juda, Zebulon en Nafthali
Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali. (Ps. 68:28.)
Ons aller hart is heden vervuld van angst, onzekerheid, van een gevoel van nameloze onveiligheid. Het leven is een kokende zee geworden; een dreunend gebruis van vele wateren verheft zich. Oorlogsdreiging hangt er aan alle kant; de antichrist nadert en het beest uit de zee komt op. Vele christenen willen hier tegenover stellen de machtsconcentratie der kerk; dit is echter een gedachte uit het ongeloof geboren.
De christelijke wereldbeschouwing mag nooit horizontaal zijn, maar verticaal. We mogen niet in de eerste plaats vragen: hoe staan de zaken beneden, maar hoe staan ze Boven. Hoe dit laatste is, beantwoordt Ps. 68. De Kerk heeft geen kracht in zichzelf, haar enige kracht is, dat het Hemelvaartsdag en Pinksteren werd; dat God bij haar woning nam. Haar enige kracht is, dat ze leeft uit Christus' glorie; en haar enige verwachting, dat Hij, Die in haar woning nam, komt op de wolken des hemels om te schelden het wild gediert' in het riet en de troep van sterke stieren. En in dat geloof zal zij overwinnen, omdat bij haar zijn de krachten der toekomende eeuw. De Kerk zal dus niet vrezen, maar gelovig leven uit de heilsfeiten en de tempelstijl vertonen in heel haar leven.
Dit leert ons Ps. 68. Het is één der koningspsalmen. In die psalmen vinden we steeds deze achtergrond: de opvoering der ark naar de tempelberg Sion. Daarin zag Israël het komen Gods in Zijn Koninkrijk. Toen de Heere de Sion besteeg, werd Hij voor het geloof van Israël bij vernieuwing Koning. Israël wist: dit feit heeft een verbinding naar het verleden (de schepping) en naar de toekomst (de voleinding). Het is voortzetting van Gods scheppingsglorie en het is voorspel van het rijk der heerlijkheid. De opvoering der ark zegt Israël: God openbaart Zich weer, zoals Hij dat ook deed in de Schepping: God werd Koning, toen Hij alles schiep, Hij toonde Zich weer Koning, toen Hij Zijn troon stelde in Zijn tempel te Jeruzalem.
David en heel Israël met hem bedrijven vreugde over de terugkeer der ark uit Kirjath-Jearim (vs. 19-21). En dat in een tijd, waarin Israels omstandigheden zeer donker waren: in het zuid-westen door de Filistijnen en in het noorden bedreigd door de Syriërs. (Ps. 68 is te plaatsen in de tijd tussen 2 Sam. 6 en 8).
Toch is er aandacht en tijd voor de ark! En dan zelfs bij de stammen Benjamin, Juda, Zebulon en Nafthali! Deze vier stammen noemt de psalmist bij namen; de anderen niet. Dit is niet zonder betekenis. We weten, dat Benjamin en Juda de meest zuidelijk wonende stammen waren gelegen bij het Filistijnse gebied en dat Nafthali en Zebulon de meest noordelijk wonende stammen waren, gelegen aan de grenzen van Syrië.
Maar hoewel ze de meest bedreigde stammen waren, trokken ze toch op naar het feest m Jeruzalem. Hun angst voor de vijand was gebroken, want hun Koning was in de ark weer onder hen komen wonen. Ze geloofden, dat hun God nog Dezelfde was wat Hij was in den beginne.
Toen bedwong Hij alle krachten en stelde Zijn troon vast en nu openbaarde Hij Zich weer als Koning, Strijder tegen de machten, die zich tegen Hem en de Zijnen verhieven.
De Heere is ons genadig geweest; nu is er maar een ding betamelijk zeggen deze stammen: God onze eer brengen,
Hier vinden we beoefening van het ware geloof: uit God leven en op Hem vertrouwen; en hier zien we het leven naar het gebod.
Wij leven in een tijd, die beheerst wordt door imperialistische machtsdroom en kapitalistische gelddorst. En deze groeiende machtsconcentratie is het antichristelijk geweld dat de Kerk wil vernietigen Maar ze heeft de troost dat de vervulling van de opvoering der ark is gekomen toen Christus ten hemel opvoer. God gaf Hem toen een Naam boven alle naam. Het Kind werd weggerukt tot God en Zijn troon (Openb. 12). Dat betekent: Christus is onaantastbaar en al Zijn kinderen ook, want Hij trok ze achter Zich mee in het hemels heiligdom. God zit nog op de troon en zal Zijn Koninkrijk brengen tot Zijn voleinding.
De vijanden der Kerk zijn veel en machtig. Maar de Almachtige zal geducht uit Zijn heiligdom tegen hen uittrekken. Hij doet nu reeds de heidenen drijven op vleugels der ijdelheid en legt een misleidende toom in de kinnebakkens der volken. Ze wagen een hoge vlucht en ontplooien een grote krachtsinspanning. Maar hen ontbreken sterke vleugels en een goed geleid toom. Dat is Gods oordeel over de vijanden. En zoals het voor een vogel fataal wordt als hij zich begeeft in hoogten, waarvoor de vleugels te zwak zijn, zo fataal is het voor de vijanden, als ze zich vergrijpen aan Gods erfdeel. Ze denken een wereldrijk te bouwen, maar God jaagt ze te pletter. Elke nieuwe overwinning op de Kerk is een nieuwe lading dynamiet onder hun eigen rijk.
God bereidde Tofeth reeds voor het rijk van satan, stookte daar reeds het vuur heet en straks zal Zijn adem tegen Assur aanslaan en het vuur zal gaan branden als een zwavelstroom, d.i. het al niet meer te blussen zijn.
Geloofd zij God! Wat zal nu de Kerk doen? Gods kinderen kunnen ook in onze donkere dagen gerust zijn; ze hebben met Benjamin, Juda, Zebulon en Nafthali maar één taak: zichzelf te beproeven of ze in het geloof zijn, d.i. of klimaat van het geloof wandelen. Daar heeft God recht op. Immers in het genadeverbond zijn er wederzijdse plichten en rechten. Christus als de Verbondsbedienaar ziet toe of alles van Gods zijde voor de Zijnen in vervulling gaat naar de toezegging van het Verbond. Maar Hij ziet óók toe of Zijn volk
de eisen Gods erkent, aanvaardt. Tot die verbondseisen behoren: breken met het dode formalisme, de kwade zelfgenoegzaamheid, georiënteerd naar God staan, in Zijn tempel knielen en Hem eren als de Rotssteen, beleven Calvijn's woord: „wij zijn er om God".
Niemand onzer heeft er recht op om onbekeerd te zijn. Het is een schande tegen het verbond. De Heere kan het echter het minst van Zijn volk hebben, dat het nieuwe leven niet levendig is. In ons is geen kracht, bekwaam tot heilig leven. Dit mag niet alleen besproken zijn, maar moet voor alles met droefheid voor Gods aangezicht beleefd worden. Daar wij niet willen en kunnen leven in heiligmaking, hebben we Christus in dubbele mate nodig in Zijn koninklijk en priesterlijk ambt. Het heerlijke in die Koning, Priester is, dat Hij ook ten deze bevestigen wil de woorden van Ps. 81: al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij 't smeekt, mild en overvloedig.
Door Zijn bediening aan bet hart wordt verstaan: „Uw geboden zijn niet zwaar". Een door ons functionerende Christus geeft een lust en vermaak in de Wet Gods naar de inwendige mens. Met als gevolg al meer de bede: och wierd ik in Uw wetten onderwezen.
(Randwijk)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's