DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 14
Zo is dan het geloof een gave Gods; niet, omdat het aan de vrije wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het de mens metterdaad wordt meegedeeld, ingegeven en ingestort; ook niet daarom, dat God alleenlijk de macht om te geloven zou geven, en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven van de vrije wil des mensen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in de mens teweegbrengt beide, de wil om te geloven en het geloof zelf.
God werkt het willen.
„God verwerpt de mens, die Hem verwerpt", zegt de jongste synodale verklaring over „De Uitverkiezing". Zo'n zinnetje wekt de schijn, dat er mensen zijn, die God verwerpen en andere, die Hem niet verwerpen. Ik meen, dat in Gods Woord alleen mensen voorkomen, die Hem verwerpen, tenzij .zij door de Geest Gods wedergeboren zijn. Een geschrift, dat van zulke onbijbelse veronderstellingen uitgaat moet wel fout zijn. Wanneer dit zinnetje juist was, zou er niemand zalig kunnen worden. De middenorthodoxe leer (of welke naam moet ik ze anders geven) lijkt wel lief en zacht, maar zij wijst ondertussen geen weg aan tot de zaligheid voor de werkelijke mens.
Wie en hoe is de werkelijke mens? De Heere Jezus zegt, dat deze werkelijke mens boos is (Lucas 11 : 13). De boze mens verwerpt God. Dat blijkt uit Mattheus 13 : 49, waar staat, dat de engelen de bozen uit het midden der rechtvaardigen wegdoen. Hoe zijn er rechtvaardigen? Door wedergeboorte (Joh. 3 : 5) en door de vrijspraak Gods (Luc. 18 : 13). De bozen worden ook doden genoemd (Luc. 9 : 60). Ook de doden zijn vijanden van God. Zij wandelen immers in zonde en misdaden (Ef. 2 : 2). Kortom, de natuurlijke mens, die enkel vlees is, verwerpt God, want het bedenken des vleses is vijandschap tegen God (Rom. 8:7). Daar is dan ook niemand, die God zoekt, (Rom. 3 : 11) d.w.z. allen verwerpen God van nature. Maar nu is dit Gods grote genade, dat Hij niet allen verwerpt, die Hem verwerpen. De Heere maakt onderscheid, waar geen onderscheid is.
Terwijl alle mensen van nature Hem verwerpen en aan de kennis zijner wegen geen lust hebben, ontfermt zich God diens Hij wil èn Hij verhardt dien Hij wil (Rom. 9 : 18).
Ondertussen brengt dit synodale geschrift deze richtlijn voor de prediking, dat aan alle mensen gepredikt moet worden, dat God hen verwerpt. Ik noem dit een harde prediking. Niet voor alle mensen, dat weet ik wel. Er zijn vele kerkgangers, die zich inbeelden, dat zij God niet verwerpen. De Farizeeër uit Luc. 18 verwierp God (Luc. 16 : 15) maar beeldde zich in Hem lief te hebben. Maar, zegt iemand, daar zijn toch ongetwijfeld kerkgangers, die God zoeken en niet verwerpen? Die zijn er en zij hebben een bijzonder kenmerk. Zij leren het elke dag dieper, dat zij van nature vijanden van God zijn. Daar is een volk Gods op aarde. En dat volk is hieraan te kennen, dat zij er aan ontdekt worden, dat zij van nature geneigd zijn God en hun naaste te haten. En dan is er ook nog een volk in de kerk, die zijn zo geweldig lief voor God en hun naaste, daar is geen eind aan. Maar met zondag 2 van de catechismus en met alle uitspraken van Gods Woord, waarop zondag 2 gegrond is, kunnen zij niets beginnen. Zij hebben het voor zichzelf nooit geleerd wie ze zijn geworden door hun diepe val in Adam. En dan toch maar preken en maar theologiseren en maar richtlijnen opstellen over „De Uitverkiezing"! Wat gebeurt er op deze manier? Zo wordt het Koninkrijk Gods toegesloten voor de werkelijke mens, voor de zondaar, die het ondervindt, dat hij een hater van God is, een verwerper van de Heere. „God verwerpt, die Hem verwerpen". Dus de mannen en vrouwen, die niet langs Gods nauwe weg zalig willen worden, en dat wil niemand van nature, gaan verloren. Daar is geen helpen aan. „God verwerpt, die Hem verwerpen". En nog eens zeg ik: wat zou het erg zijn als dat waar was.
Ik ben blij, dat wij een andere prediking mogen brengen. Wij mogen prediken: God neemt aan, die door de Heilige Geest er door verbroken zijn, dat zij Hem verwerpen. Die God wil zalig maken, die moeten belijden, dat zij niet willen. God werkt het willen. Wat een troostvolle richtlijn voor onze prediking geven de Dordtse Leerregels in ons artikel. Hoezeer immers is het voor allen, die door Gods Geest overtuigd worden van zonde, een verpletterende ervaring, dat zij in de diepste grond van hun hart niet willen. De Leerregels hebben de mens zo geschilderd in artikel 3 van ons hoofdstuk: Wij willen tot God niet wederkeren en wij kunnen tot God niet wederkeren. Zo hebben de mannen Gods ons de werkelijke toestand des mensen geleerd.
Als Kohlbrügge, die door sommigen zo geprezen wordt, maar waaruit zij dan een paar bloemetjes plukken om hun leer te versieren, over een man schrijft, die zijn doodvonnis heeft ondertekend en die nu door zijn vrienden bewerkt wordt om toch vooral te geloven, laat hij diens beste vriend deze opmerking maken: „De Koning roept u". Wat antwoord dan de ongelukzalige man, die dag en nacht tot God roept? Hij zegt: „Maar ik wil niet." „God verwerpt, die Hem verwerpen", zeggen de nieuwste richtlijnen voor de prediking. Gelukkig is het niet waar. Doch dit had Kohlbrügge geleerd met al Gods ware volk, dat zij met hun zoeken en roepen, nochthans onwilligen zijn én dat ieder bekommerde en als door een onweder voortgedrevene gewillig gemaakt moet worden. Gelukkig, God biedt het geloof niet alleen aan; Hij geeft niet alleen de macht om te geloven. Hij geeft ook de wil om te geloven.
Is dat dan echt nodig? Dat is echt nodig, want de weg om zalig te worden is tegen de mens. Justus Vermeer, die wel maar een rechtsgeleerde was, doch nochtans veel wist van de wegen, die God houdt met Zijn volk, spreekt in zijn „Oefening over het Genadeverbond" over de ontdekking, die een zondaar maakt, dat hij buiten het genadeverbond staat, en onder een verbroken werkverbond ligt. Dan raakt hij aan het bidden. Hij klaagt over zijn harde hart, dat niet mee wil, dat geen indruk heeft. Hij wordt een onwaardige in zijn eigen ogen. Hij erkent alle genade verbeurd en de verdoemenis verdiend te hebben. Zijn onmacht wordt hem nu tot schuld en niet tot verontschuldiging. Hij wordt als een, die in het water ligt en aan het zinken is; die rust daar niet op, dat hij zichzelf niet redden kan, maar dat verzwaart zijn ellende en gevaar en hij roept des te sterker. Zulk een krijgt dan een openbaring van Christus. Hij ziet Jezus anders dan hij Hem te voren zag door horen, lezen of onderwijs. Dit is een openbaarmaking van Christus in het hart en tegen de zonde.
Maar nu komt het: „Daarbij ziet en gevoelt zulk een bij dat licht des Geestes de afkerigheid van zijn hart van Christus en van dat zalige verbond, waarin alles om niet te krijgen is." O, die onwilligheid om door Jezus alleen zalig te worden, ook om om niet zalig te worden, en die eigenwerkelijke grond ziet en gevoelt hij; Jezus zegt, Joh. 5 : 40, Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben. O, dat gelooft zulk een ziel in zijn kracht; en als zij zich al aanbiedt aan de Heere Jezus, zij kan niet los worden, zij vindt zich van rondom aan banden vast. Dat alles maakt haar aan zichzelf bekend, dat het aan haar kant en niet aan 's Heeren zijde scheelt. Want wilde zij, zij zou los worden en gaan, evenals in het natuurlijke. Dit maakt haar verlegen, bekommerd, benauwd, roepende, en Christus dierbaar, en zeer begerig om uit zichzelven en tot Christus te worden overgehaald".
Hier is weer die onwil, waarin God te hulp komt, volgens artikel 14, doordat hij het willen werkt. Het willen is dan: Christus willen aannemen. Zoals de ouden het uitdrukken: de mens krijgt ogen om Jezus te zien, voeten om tot Hem te gaan, handen om Hem aan te grijpen. Zij spraken - uit hun nauwe omgang met Gods Woord en uit hun praktijk, hun ervaring van de Heilige Geest. Zij wisten bij ervaring, dat de mens niet willen of werken kan van zichzelf, maar zich soms wel eens bedriegt. Vandaar de vermaning van A. Comrie: „Onderzoekt uzelf, of gij, nadat gij overtuigende overreed, waart van de noodzakelijkheid om met Christus verenigd te worden, bevindelijk zaagt uw algehele machteloosheid om tot het geloof tot vereniging van uw ziel met Christus te oefenen en of dit u niet menigmaal heeft doen roepen en worstelen bij de genadetroon om het geloof. . . . Wij beleven wonderlijke tijden; de mensen komen tot de grootste zaken van het Christendom zo gauw, met zo weinig strijd en worsteling, dat ik moet zeggen: hoe hebt gij het zo gauw gevonden? hoe zijt gij zo schielijk tot Jezus, tot verbondsonderhandeling en geloofsverzekerdheid gekomen? .... Ondertussen, die bevindelijk aan hun machteloosheid zijn ontdekt geworden, hebben niet te vrezen, dewijl zij het geloof tot vereniging niet hebben kunnen oefenen, , totdat God het hem gaf.
God werkt het geloven.
Hoeveel men terecht ook spreekt van de verantwoordelijkheid van de mens en van het feit, dat hij zelf gelooft, dat doet niets af aan het feit, dat God dit geloof en geloven werkt en wel Hij alleen. De mens wordt niet geholpen, maar God werkt alles. Waarom? Omdat de gevallen mens er niet geschikt voor is. Daar is niets van de vrije wil bij. God geeft ons niet de mogelijkheid om te kiezen, maar het geloof zelf en alles wat er bij hoort God trekt tot het geloof, die Hem verwerpen. „Waaruit volgt, dat niemand uit de uitverkorenen Gods van het geloven Christi vreemd zal zijn. Daarom, gelijk Christus van te voren gezegd heeft, dat de mensen niet bekwaam zijn om te geloven, zolang zij van God niet getrokken worden: alzo zegt hij nu, dat de genade des Geestes krachtig is, waarmee zij zo getrokken worden, dat zij noodzakelijk moeten geloven." (Calvijn bij Joh. 6 vers 45). Daar is geen beginsel des geloofs noch enige voorbereiding tot het geloof in ons.
Voorts geeft God ook de toestemming van onze wil en het geloof zelf. Het geloof is voor geen half procent een werk van de mens. Het is geheel Gods werk. En als God alles gewerkt heeft en werkt, dan werkt de mens ook. Maar niet alleen is het begin van ons geloven van God. Elke toeneming in het geloof is ook van Hem. Het is de Geest Gods, die in de gelovige opwast. „En om het vertrouwen der Zijnen te vermeerderen, zo verklaart Hij, dat in al degenen, die van Hem niet afwijken het leven gedurig toeneemt en versterkt wordt. En voorwaar hoe meer iemand in het geloof voort gaat, des te dichter komt hij bij de volkomenheid des levens. Want de Geest, die het leven is, wast in hem (Calvijn bij Joh. 10 : 10). Ons artikel 14 zinspeelt op Fil. 2 : 12, 13.
Hoe is daar het werken Gods en dat van de mens verbonden? Prof. Greydanus schrijft: „In de zichtbare werking der gelovigen werkt God innerlijk. Wat, van de buitenkant gezien hun werk of werking is, dat is van de binnenkant beschouwd, Gods werking." Het is niet een ondersteuning van 's mensen werken, doch maakt dat de mens werken wil, werken kan en werkt. Het willen is een vast en bepaald willen. Greydanus meent dat het werken, dat vers 12 beveelt is: „het afwerken van iets, het bewerken, dat het zijne voltooiing bekomt, zodat hetgeen in beginsel of kiem gegeven is, zijn volkomenheid bereikt."
Wat artikel 14 zegt stemt dus met Fil. 2 : 12, 13 overeen. De dingen worden voor de mens klaargemaakt. Hij is er in het begin helemaal niet bij als onderwerp. De mens ligt in een doodsstaat en in die dode mens werkt God de zaligheid. De Heere werkt deze zo, dat de mens in staat gesteld wordt om zelf weer te werken. Maar het begin en beginsel is, dat God in Zijn uitverkorenen alles werkt. Dan pas gaan zij werken en al hun werk is door God gewerkt werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's