WEER IN TARSUS
Zo hebben dan — gelijk wij gezien hebben — de broeders van Jeruzalem Paulus naar Caesarea gebracht, toen het hem al meer en meer onmogelijk werd in de heilige stad voor de Naam des Heeren uit te komen tegenover de Grieks sprekende Joden.
Van Caesarea is Paulus vervolgens naar Cicilië, naar zijn vaderstad Tarsus, afgereisd. En het blijkt, dat hij daar behouden aangekomen is en er zich geruime tijd opgehouden heeft.
Het is spijtig, dat in de Schrift over dit verblijf van Paulus in de oude, vertrouwde omgeving, waar hij het eerste levenslicht aanschouwd had, niets is overgeleverd, dat ons in staat stellen kan na te gaan, hoe hij deze tijd in Tarsus heeft doorgebracht. Geen enkel gegeven staat ons hieromtrent ten dienste. Wij weten zelfs niet eens precies, hoe lang Paulus er geweest is.
Ogenschijnlijk kan Galaten 2 vers 1 v. ons verder helpen. Daar schrijft Paulus, in aansluiting op wat hij in het slot van Galaten 1 vermeld heeft, dat hij na verloop van veertien jaar op grond van een openbaring, die hij ontvangen had, samen met Barnabas en Titus weer naar Jeruzalem gegaan is.
Paulus verhaalt ons hier echter niet, dat hij vanuit Tarsus naar Jeruzalem getrokken is. Daarover rept hij met geen woord. En bovendien staat het ook wel vast, dat het zeker niet Tarsus was, vanwaaruit hij opging naar Jeruzalem. Eerder hebben wij te denken aan Antiochië.
Bij de veertien jaar — die wij met het oog op de antieke telwijze als dertien jaar hebben te verstaan — is zonder twijfel ook medegerekend de periode, waarin Paulus, zoals wij nog bemerken zullen, na Tarsus nog te Antiochië heeft vertoefd, terwijl ook zijn eerste zendingsreis er bij meegeteld behoort te worden.
Al met al kunnen wij dus met geen enkele zekerheid vaststellen, van hoe lange duur het verblijf te Tarsus geweest is.
Kunnen wij dan van deze jaren in Tarsus niets zeggen?
Het komt ons voor, dat wij toch op zijn minst er rekening mee hebben te houden, dat Paulus zich in Tarsus in zijn onderhoud heeft moeten voorzien. Net zo min als een ander kon hij van de lucht leven. Ook hij had behoefte aan het dagelijks brood, waarom de Heere Christus in het allervolmaakste gebed heeft leren bidden.
Daarom ligt het voor de hand te veronderstellen, dat Paulus in Tarsus het ambacht, dat hij als jongen reeds geleerd had, weer opgenomen heeft. Dit beroep uitoefenende, kon hij zelf zijn kost verdienen, zonder van andermans geld afhankelijk te zijn.
Deze veronderstelling is niet zo onwaarschijnlijk en uit de lucht gegrepen, als wij op het eerste gezicht vermoeden zouden. Paulus was opgeleid tot een Joods theoloog in de school van Gamaliel. Allerlei bronnen uit die tijd delen ons mede, dat de Joodse rabbijnen hun leerlingen altijd voorgehouden hebben, dat zij zich behalve in de theologie ook in een bepaald handwerk te bekwamen hadden, opdat zij met hun eigen handen zich datgene konden verwerven, wat zij voor hun levensonderhoud van node hadden.
De rabbijnen hebben begrepen, dat de wereld niet kon bestaan van het bestuderen van de Torah alléén, maar dat het ook noodzakelijk was zich met hart en ziel te wijden aan een beroep, dat in de samenleving van nut wezen kon.
In een kernachtig woord heeft eens een rabbijn het als volgt uitgedrukt: „Het is een uitnemende zaak, wanneer de studie van de Torah verbonden wordt met de een of andere wereldse bezigheid; want de arbeid, door deze beide geëist, doet de zonde vergeten. Alle studie van de Torah zonder (werelds) werk zal tenslotte nutteloos wezen en de oorzaak van zonde zijn" (Misjnah; tract. Aboth, II, 2.).
Reeds hieruit schijnt naar voren te komen, dat de rabbijnen de dagelijkse arbeid zeer hoog hebben gewaardeerd. Inderdaad was dit het geval. Dat bewijst wel een oude Joodse legende, waarin verteld wordt, dat Adams ogen vol tranen schoten, toen God tot hem zei, dat de aarde doornen en distelen voortbrengen zou. Adam zou op dat moment tot God gezegd hebben: „Heere der heirscharen, zullen ik en mijn ezel uit dezelfde voederbak ons moeten voeden? " Toen echter — aldus deze legende — God er aan toevoegde: „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten", toen werd Adams ziel terstond gekalmeerd. Door zijn arbeid, zo wilden de rabbijnen met deze legende verklaren, is het de mens gegeven zich boven de dieren te verheffen en is de mens méér dan de dieren. Ook na de zondeval.
Zeer zeker mogen wij deze positieve houding der rabbijnen tegenover de dagelijkse arbeid beschouwen als 'n vrucht van wat Gods Woord hun geleerd had. Dit spreekt te meer, wanneer wij er op letten, dat het bij de Grieken totaal anders lag. Die hebben zich over de arbeid zeer laatdunkend uitgelaten. Een echte Griek beschouwde werken als iets minderwaardigs, als een bezigheid, die goed genoeg was voor slaven, doch niet voor vrije burgers.
Met vrij grote stelligheid kan dan ook wel aangenomen worden, dat Paulus in Tarsus weer het werk gedaan heeft, waar hij in zijn jeugd al in onderwezen was, en waar hij van huis uit al praktische ervaring in had opgedaan.
Elders uit Gods Woord vernemen wij, welk werk dat geweest is (Hand. 18 : 3). Het handwerk, waar hij in thuis was, was dat van tentenmaker, een beroep, dat in de omgeving van Tarsus veel uitgeoefend werd, omdat het leer, dat daarvoor nodig was, in ruime mate verschaft werd door de vele geiten, die daar in kudden geweid werden. Wanneer wij Paulus (evenals Aquilla) als tentenmaker kennen, moeten wij derhalve niet menen, dat hij zich bezig gehouden heeft met het loeven van tentdoeken, maar wij moeten denken aan het bewerken van leer. Dat was het materiaal, waarvan destijds de tenten gemaakt werden. Dit leer werd bij een looier gekocht, daarna in de vereiste banen gesneden en bewerkt, en tenslotte aan elkaar genaaid, totdat de tent ontstond, die men zich uitgedacht had, en die meestal langwerpig van vorm was.
Verscheidene verklaarders van het Nieuwe Testament zijn van oordeel, dat het eveneens in Tarsus was, dat Paulus die bijzondere ervaring ten deel viel, waarvan hij in 2 Corinthiërs 12 gewag maakt. Paulus zegt daar:
„Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam weet ik niet, of buiten het lichaam weet ik niet, God weet het), dat de zodanige is opgetrokken geweest tot in de derde hemel. En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet. God weet het), dat hij is opgetrokken geweest in het paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Van de zodanige zal ik roemen; doch van mijzelf zal ik niet roemen dan in mijn zwakheden... En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen." (2 Cor. 12 vers 1-5; 7.)
In deze passage uit de tweede brief aan de Corinthiërs wijst Paulus ons op hetgeen hij veertien jaar geleden heeft meegemaakt. Kennelijk heeft de Heere Christus hem toen iets laten overkomen, dat een zeer grote indruk bij hem heeft nagelaten. Zo grote indruk zelfs, dat hij nauwkeurig zeggen kan, hoeveel jaren er sedertdien zijn voorbijgegaan. Wat Paulus ondervonden heeft, moet wel een geweldige „mystieke" ervaring geweest zijn: een gezicht en een openbaring van Christus, die voor hem zelf van ongemeen grote betekenis geweest is.
Wie hierover het Nieuwe Testament raadpleegt, zal gewaar worden, dat dergelijke ervaringen meermalen aan Paulus geschonken zijn. Hij heeft méér gezichten en openbaringen ontvangen dan alleen die waarvan hij in 2 Corinthiërs 12 gewaagt. Zo heeft hij in de Rechte Straat te Damascus, nadat Christus hem tot stilstand gebracht had, in een gezicht mogen zien, dat een man, Ananias geheten, bij hem binnen kwam en hem de handen oplegde (Hand. 9 vers 12). En toen hij voor het eerst na zijn bekering te Jeruzalem terug was en in de tempel in gebed verzonken was, is hij in een vertrekking van zinnen geraakt en heeft hij de Heere Jezus gezien, die tot hem het woord richtte (Hand. 22 vers 17 v.v.). En in Troas zou hij in de nacht een gezicht krijgen, waarin hij een Macedonisch man ontwaarde, die hem bad: Kom over in Macedonië en help ons (Hand. 16 vers 9 v.). En wanneer hij in zijn arbeid in Corinthe ontmoedigd zou worden door de vele tegenstand, die hij daar ondervond, zou de Heere 's nachts in een gezicht tot hem komen en tot hem zeggen: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet; want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad (Hand. 18 vers 9v). En wanneer hij zich voor het sanhedrin verdedigd zou hebben en door een Romeinse overste vandaar zou weggehaald zijn en in de legerplaats gebracht, zou in de volgende nacht de Heere bij hem komen staan en zeggen: Heb goede moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen (Hand. 23 vers 11). En wanneer hij op zijn reis naar Rome op het punt zou staan schipbreuk te lijden, dan zou in de nacht een engel Gods bij hem komen, die tot hem zou zeggen: Vrees niet, Paulus, gij moet voor de keizer gesteld worden; en zie. God heeft u geschonken allen die met u varen (Hand. 27 vers 23 v.).
Wat nu evenwel 2 Cor. 12 vers 2—4 aangaat, waarvan men wel gemeend heeft, dat dit in Tarsus geschied zou zijn, daarover nog het volgende.
Onzes inziens heeft Paulus het hier niet over twee verschillende ervaringen, die hem vergund werden, maar over een en dezelfde. Christus is er de auteur van geweest. En Paulus heeft er deelgenoot van mogen zijn als „een mens in Christus" — dat is: als een, die door de band des geloofs aan Christus verbonden was — en alzo een nieuw schepsel, voor wie het oude voorbijgegaan — en alles nieuw geworden was. De wijze, waarop hij over deze belevenis spreekt (hij doet alsof het een ander overkomen is, hij gebruikt de derde, en niet de eerste persoon) laat ons zien, dat het Paulus bij dit gezicht en deze openbaring vreemd te moede was. Ook kan hij niet zeggen, of hij het al dan niet lichamelijk doorgemaakt heeft. Het overkwam hem, het verraste hem, hij was er volkomen passief bij, het ging zijn bewustzijn verre te boven, het overweldigde hem. Hij ervoer, dat hij werd opgetrokken, eerst tot aan de derde hemel, zoals het betreffende woord vertaald dient te worden, en daarna nog verder, tot in de derde hemel, die het hemels paradijs is, waar o.a. ook degenen die in Christus ontslapen zijn verkeren mogen, zoals b.v. de ene moordenaar (Lukas 23 vers 43) en waar het hem, die overwint, van Christuswege gegeven zal worden te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is (Openb. 2 vers 7). Voor dat „opgetrokken-worden" bezigt Paulus een zodanige uitdrukking, dat het snelle en het onverwachte van dit alles er door aangegeven wordt: het was hem, alsof hij geroofd, weggerukt werd; het ene ogenblik was hij nog op de wereld, en het andere was hij al in de derde hemel, in het paradijs, in de plaats der volmaakte zaligheid. Wat hij daar gezien heeft, zegt Paulus ons niet. Hij vermeldt alleen, wat hij er gehoord heeft: onuitsprekelijke woorden, die een mens niet navertellen mag, omdat zij daarvoor te heilig zijn. En wij kunnen constateren, dat Paulus zich aan dit gebod gehouden heeft: wat hij precies gehoord heeft, heeft hij ons niet bericht; hij heeft er juist over gezwegen. Laat het ons daarbij ook niet ontgaan, dat Paulus met nadruk, tot twee maal toe, verklaard heeft, dat hem om deze ervaring een doorn in het vlees gegeven is, opdat hij voor hoogmoed bewaard zou blijven.
Onlangs heeft K. A. Eckhardt er nog de aandacht op gevestigd, dat de apostel Johannes óók een dergelijke ervaring gehad heeft, toen hem op Patmos een deur geopend werd in de hemel en een stem als van een bazuin tot hem sprak: Kom hier op, en Ik zal u tonen hetgeen na dezen geschieden moet (Openb. 4 vers 1 v.v..).
Overigens zij nogmaals herhaald, dat het volstrekt niet zeker is, dat het feit van 2 Cor. 12 in Tarsus plaats gevonden heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's