HET WOORD
Gods Woord in ons.
In het dagelijks leven horen we telkens weer van dingen, waarvan we geen voorstelling, althans geen nauwkeurige voorstelling, hebben. Wij horen namen en aanduidingen noemen, maar wij weten toch eigenlijk niet, waarover het gaat. Daarentegen zijn er zoveel andere, voor ons gewone dingen, die we gebruiken bij de vervulling van onze dagtaak, bij voorbeeld, die ons tot in de onderdelen bekend zijn. We zouden ze, bij wijze van spreken, kunnen uittekenen.
Kennen en kennen is twee, zeggen de mensen en we kunnen nog wel meer onderscheidingen in het kennen opsommen. Dat is echter niet nodig. We hebben reeds begrepen, dat kennis van woorden en namen, waaraan geen duidelijke voorstellingen gepaard gaan, zeer onvoldoende is en eigenlijk geen kennis mag heten. Wij dragen dan ook een wereld van voorstellingen in ons binnenste, voorstellingen van de dingen, waarmede we dagelijks in aanraking zijn. Die voorstellingen staan niet alle tegelijk voor de spiegel van ons bewustzijn, maar, wanneer iemand ons aanspreekt, roepen zijn woorden bij ons bepaalde voorstellingen op, die beantwoorden aan die woorden. Als we kennis van zaken hebben is dat zo. En als dat zo is, kunnen we over de aangesneden zaken spreken.
Hoever dat gaat, hoever onze kennis strekt, blijkt spoedig in een onderhoud met deskundige heden. Naarmate de voorstellingen bij ons zelf helderder, nauwkeuriger en vollediger zijn, kunnen we verder met verstand van zaken meepraten en contact met elkander hebben.
Kennis van zaken hebben betekent derhalve zoveel als de gestalte der dingen in onze geest dragen.
Inderdaad is dat ten aanzien van de geestelijke dingen niet anders, doch op een ander niveau. De geestelijke dingen zijn n.l. onderscheiden van de dingen, die gezien worden. Daarom reeds is de kennis der geestelijke dingen andersoortig. God is geest en dientengevolge is de kennis van God geestelijk. We kunnen de catechismus van buiten leren, zoals een les over aardrijkskunde of geschiedenis — en, vergeten we niet, dat zulks zeer nuttig kan zijn —, maar nu zeggen we nog eens kennen en kennen is twee. Er is een verstandelijk kennen van de geestelijke dingen en een geestelijk kennen. Dit laatste is een kennen in het geloof. Geloof is ten aanzien van de geestelijke dingen, wat het oog is voor de dingen van deze wereld. Het geloof schouwt in de geestelijke werkelijkheid, zoals het oog in de ons omringende wereld.
Gelijk het nu bij het zien met het oog niet blijft, maar van hetgeen we gezien hebben, een voorstelling en blijvende herinnering in ons geboren wordt, zo is het ook met het geloof. Wat we door het geloof mogen zien van de geestelijke dingen, neemt ook innerlijke gestalte bij ons aan en blijft bij ons of he ver in ons.
Of kennen we het woord van de apostel Paulus niet: „Mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus gestalte in u krijge? " Hij predikt en spreekt van het Evangelie tot de Galaten (zie Galaten 4 : 19), opdat zij Christus leren kennen. En dat is ook zo, de geestelijke dingen moeten gestalte in ons verkrijgen, zullen ze door ons gekend worden. Hoeveel te meer zal de persoonlijke gemeenschap, die er is tussen Christus en de Zijnen, gepaard gaan met een gestalte van Christus in ons gemoed.
Wij kunnen dit ook toepassen op het Woord, als we voor ogen houden, dat we van doen hebben met het Woord, dat bij God was, dat God was, het Woord, dat alle dingen gemaakt heeft, het Woord, dat is vlees geworden. Dan kunnen we ons bewust maken, dat het steeds over de Christus gaat. We zullen dan ook verstaan, dat in die verschillende openbaringen van het Woord verschillende maten of phasen van kennis van de Christus worden voorgesteld.
Immers, in hoeverre verstaan we het Woord? Of wat hetzelfde wik zeggen, in hoeverre heeft het Woord gestalte in ons verkregen? Als scheppende Woord? Als profetische, verlossende Woord? Calvijn onderscheidt tweeërlei Godskennis, n.l. de kennis van God de Schepper en de kennis van God de Verlosser (Inst. I. 2.1). In beiderlei opzicht zouden we weder verschillende vordering en mate van geloof kunnen onderscheiden.
Dat is trouwens in overeenstemming met de Schrift (1 Corinthe 12). In dit hoofdstuk wordt gesproken over de verscheidenheid der gaven des geloofs. Slaan we daarbij ook het twaalfde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen op, dan zien we, dat daar tot tweemaal toe van de mate des geloofs wordt gesproken; „. . . . maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft" (Rom. 12 : 3). Ook hier spreekt de apostel over de verscheidenheid van gaven en vermaant de gemeente die te besteden, „hetzij profetie, naar de mate des geloofs, hetzij bediening in het bedienen, hetzij die leert in het leren (Rom. 12 : 7).
De mate van ons geloof wordt niet door ons bepaald, ook niet door onze geleerdheid of ongeleerdheid, want het geloof is een gave Gods. Deze komt echter wel overeen met de mate van het licht, dat voor ons over de waarheid Gods is opgegaan. Dat wil dus zeggen, in zoverre de waarheid Gods in onze ziel gestalte heeft verkregen. En, aangezien het Woord Gods de waarheid Gods is, is het hetzelfde, of we zeggen, het Woord heeft in ons gestalte verkregen of de waarheid heeft in ons gestalte verkregen. Merk op, wat de Schrift zegt: „Indien we zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet" (1 Joh. 1 : 8). „Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar en in dien is de waarheid niet" (1 Joh. 2 : 4).
Belijden, echt belijden, kunnen we dan ook alleen, voor zover de waarheid in ons is, wij de zaken, die des Geestes Gods zijn, ter harte hebben genomen. Want wij geloven met het hart en belijden met de mond.
Nu komen we nog even terug op het begin. We wezen er op, dat we van alle dingen, die wij kennen, een voorstelling, een gestalte in onze ziel dragen. De gehele wereld, zover we die kennen, dragen we bij ons. In die wereld van ons binnenste leven wij, dat is onze wereld. In die wereld trachten we ons te vinden. Daarin hebben we onze moeilijkheden. Daarmede leggen we overhoop.
Wanneer nu dat scheppende Woord, dat ons in het eerste hoofdstuk der Schrift reeds begint van Zijn werken te spreken in onze wereld, die wereld in onze ziel, binnenkomt en zijn goddelijke majesteit bekend maakt, vallen we met geheel die wereld onder God. Dan gaat dat Woord plaats maken voor God. Dan komen de valse verhoudingen aan het licht. Wij mensen drukken van nature op alle dingen de stempel van onze zelfzucht: onze wereld, ons werk, onze roem, onze wijsheid, onze rechten. Op alles staat: mijn. Als het geloof komt, wordt dat alles aangevochten en onderstboven gekeerd. „Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid" (Hebr. 11 : 3). Het geloof ziet het Woord Gods bezig in de schepping, het ziet de wondere macht Gods werkzaam. De hemelen verkondigen Zijn eer en het uitspansel Zijner handen werk (Psalm 19 : 2). De gehele wereld wordt gedragen door het woord Zijner kracht. Alle dingen zijn van God! Alle dingen door Hem voortgebracht. Alle dingen aan Hem onderworpen. Alle dingen steil afhankelijk van Zijn welbehagen. Ook die mens, die zo hoog bij zich zelf stond, van Hem afhankelijk.
Op deze wijze neemt het scheppende Woord gestalte aan in de mens, in wien het zich in het geloof openbaart. Dan verkrijgt het scheppende Woord plaats in het hart.
Ik hoor al iemand opmerken: „Maar dat is nog geen zaligmakend geloof." Zeker, dat weet ik wel, en dat wordt hier ook niet beweerd, maar het kan een begin zijn van verder strekkende kennis. En — in ieder geval is er een zegen in voor dit aardse leven. Als de waarheid van het scheppende Woord in iemand heeft post gevat, komt er toch zekere orde in het leven, zekere eerbied en godsvrucht, die aan de arbeid, het gezinsleven, het kerkelijk medeleven ten goede komen. Dat kan niemand ontkennen, die iets van deze dingen verstaat.
.Wij geloven met het hart en belijden met de mond. Naarmate er geloof woont
in het hart, wordt de belijdenis meer omvattend. We hebben een voorbeeld van het scheppende Woord aangevoerd, en daarbij blijft het bij sommigen, zodat zij weinig of niets vorderen boven een algemeen godsdienstig leven. Maar het Woord is werkzaam en het kan ook verder, zodat alle stukken van de belijdenis aan de orde komen, het één meer, het ander minder, zoals we gezien hebben „gelijk God aan een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft."
Een voornaam stuk is de belijdenis van het goddelijk gezag der H. Schrift. Reeds onmiddellijk aansluitende aan de kennis van het scheppende Woord, rept de confessie van de z.g. bijzondere openbaring, de Heilige Schrift en het Schriftgeloof.
Het is n.l. zo, dat gelijk het geloof het scheppende Woord in de schepselen ziet, het ook Gods waarheid in de Heilige Schrift ontdekt. Het geloof is trouwens een levende betrekking met het scheppende en openbarende Woord. Het geloof is gemeenschap met dat Woord, omdat het gemeenschap is met Hem, die gezegd heeft: Ik ben de Waarheid. Door de Schrift nu wil God Zijn waarheid in gedachtenis gehouden hebben van geslacht tot geslacht. In gedachtenis gehouden hebben! Dan moet het dus in ons komen en bewaard worden, ter harte genomen en betracht worden. Maar dan ook is die Waarheid niet met een ondergeschikt hoekje tevreden, want zij kan met geen ongerechtigheid samenwonen. Dan spreekt ze als tot Abraham: „Wandel voor Mijn aangezicht en weest oprecht" (Genesis 17 : 1). De eis van het verbond!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's