De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

12 minuten leestijd

Een appèl — Een verzoek uit verontrusting geboren — Kolenbrandersgeloof — Professor van Itterzon uit zijn tent gelokt en gekomen.

Ongeveer een maand geleden ontving ik een schrijven van de Vereniging „Protestants Nederland, " waarin een exemplaar van de brief „Aan de Kerken der Reformatie in Nederland", en een exemplaar van de „Open Brief", gericht aan Kardinaal Alfrink, aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen der r.k. kerk in Nederland.

Bij de diverse stukken, hiervóór genoemd, was een brief uit Delft met verzoek dit schrijven aan de kerkeraden boven aangeduid en de „Open Brief" in mijn „beschouwingen" in deze rubriek te betrekken.

Gaarne voldoe ik aan dit verzoek. Het spijt mij zeer, dat ik daaraan niet eerder kon gehoor geven. Maar de zaak blijft urgent en daarom is het niet heel erg, dat eerst nu, enkele weken na het verschijnen van de „Open Brief", in de Kroniek daarop de aandacht gevestigd wordt.

Van de „Open Brief" zal men in de bladen wel het een en ander vernomen hebben. Hij is uitgegaan in de dagen rondom de 31e oktober en de herdenking van het vierde eeuwgetijde der inlevering van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat was een unieke gelegenheid. En wat de inhoud betreft, die doet zien, dat „Protestants Nederland" gesteld is op een waardige toon, en wil gaan in de weg van de kerk van Rome „niet loslaten". Het is dan ook uitnemend, dat men zich direct richtte tot het Nederlands episcopaat en voorts aan ruim 3350 pastoors en kapelaans, aan bijna 1700 kloosters en aan de r.k. bladen. De „Open Brief" is dus wel op royale wijze ter kennis van onze r.k. landgenoten gebracht.

De „Open Brief" vangt aldus aan: „Met grote belangstelling en vreugde hebben wij kennis genomen van de vastenbrief van 15 januari 1961. Wij verheugen ons over het feit dat u daarin belangstelling hebt gevraagd voor het lezen van Gods Woord. Wij juichen het toe dat u priesters en gelovigen aanspoort om wegen te zoeken die kunnen leiden tot een beter en geloviger verstaan van Gods Woord".

Dat begin is naar mijn besef heel gelukkig. Wanneer we met hen, die betreffende verschillende essentiële punten van een ander gevoelen zijn dan het onze, een gesprek willen voeren, is het van uitnemend belang een gemeenschappelijke basis van uitgang te zoeken. Welnu, die is hier gegeven in de aansporing — nl. in de „Vastenbrief" — de Bijbel te lezen en te onderzoeken. De schrijvers herinneren na hun inleiding nog aan de belofte uit Jes. 55 : 10 en 11, waarna zij overgaan tot de verschillende zaken, die ze de kardinaal en de bisschoppen voorleggen. Ze brengen ze meermalen vragenderwijs naar voren. Het zijn er vijf.

Allereerst is er het verzoek om bij kerkelijke huwelijksbevestigingen de getrouwden een Bijbel te geven.

Vervolgens doen ze het verzoek in de r.k. kerken de gemeentezang te stimuleren.

De derde vraag neem ik in haar aanvang hier letterlijk over: „In de derde plaats verzoeken wij u met het oog op het komend concilie aan te dringen op herziening van de besluiten van het concilie van Trente. Wij verzoeken u opnieuw de grondtekst van het evangelie te confronteren met de uitspraken van dit concilie over de mis.

Het concilie van Trente sprak uit dat er door de consecratie een verandering intreedt van het brood in het lichaam en van de wijn in het bloed van onze Heer Jezus Christus. (Denzinger 877).

Wij verzoeken u nogmaals ernstig kennis te nemen van de bezwaren die er tegen deze uitspraak vanuit de door de R.K. Kerk en door ons aanvaarde tekst van het evangelie bestaan. (Matt. 26 : 17-19, Marcus 14 : 12-16, 14 : 22-25, Lucas 22 : 7-13, 14-23.

Hetgeen daarna volgt is weer onderverdeeld in 7 stukken en laat zien hoezeer deze zaak voor het reformatorisch protestantisme een levenskwestie is. Aan het slot is nog een verwijzing naar de Geref. Dogmatiek van dr. H. Bavinck en „Het herderlijk schrijven der Herv. Synode betreffende de R.K. Kerk."

In de vierde plaats gaat het verzoek „mee te werken aan herziening der Marialeer". Ook hier wordt verwezen naar geschriften van reformatorische zijde.

Tenslotte verzoeken de schrijvers „herziening van het dogma der rechtvaardiging". Ook hierbij wordt — het is aan het eind — op herziening van de uitspraken van het concilie van Trente op dit punt aangedrongen.

Ziehier, heel kort een weergave van wat „Protestants Nederland" aan het Episcopaat kenbaar maakte. Het is een waardig appèl.

Deze „Open Brief" ging — ik memoreerde het reeds — vergezeld van een schrijven „aan de kerkeraden van de Kerken der Reformatie in Nederland". Dit alles, hiervóór vermeld, is dus interkerkelijk opgezet. Het wordt heel het reformatorisch nageslacht op het hart gebonden. Het gaat erom het erfdeel der Reformatie te bewaren en te handhaven. Wat wordt dan aan genoemde kerkeraden gezegd? Allereerst wijst het bestuur van „Protestants Nederland" op — het is gebaseerd op de voorlopige cijfers der jongste volkstelling — de toename van de r.k. kerk en de teruggang van de kerken der reformatie in ons land. De r.k. kerk gaf een aanwas van 4% te zien, en vormt nu 40, 5% van de bevolking van Nederland. Voor „de kerken der Reformatie" gaven de cijfers van de volkstelling een teruggang van 7%, met het resultaat dat dit deel der bevolking slonk tot 37, 5%. Dat zijn uitwijzingen, die verontrusten. Misschien dat de definitieve cijfers nog verontrustender zijn.

Ook werden de kerkeraden gewezen op de overgangen naar de r.k. kerk van dr. Visser (geref.). Dr. v. d. Linde en ds. Loos (herv.). Voorts wordt erop geattendeerd, dat er zijn, die menen, dat „de r.k. kerk een heel andere koers vaart dan voorheen".

„Protestants Nederland", over dit alles verontrust, tracht tegen deze gang van zaken te doen wat het kan, door te waarschuwen tegen huwelijken van rooms en protestants en door haar propaganda de reformatorische gelederen wakker te houden. De schrijvers wijzen daartoe ook op hun blad: „Protestants Nederland". Zij maken mede melding van het feit, dat sinds het einde der wereldoorlog 180 r.k. priesters in Nederland uit hun ambt zijn getreden, die lang niet allen de weg naar de kerken der Reformatie konden vinden. Hier ligt h.i. een taak, die door de kerken der Reformatie is verontachtzaamd. De vereniging spreekt de wens uit, dat de kerken haar bij het vele werk, dat zij heeft, willen steunen. Dat kan, doordat de kerkeraden lid der vereniging worden, doch ook door haar met giften ineens, of met geregelde bijdragen te steunen.

Tot zover over wat aan de kerkeraden is verzocht. Een alleszins billijk verzoek. Of er vele, en dan de gewenste, reacties op zijn gekomen? Ik hoop het, want de zaak is het waard. Maar niets verhindert onze lezers, om „Protestants Nederland" te steunen. De vereniging — haar secretariaat is Laan van Nieuw-Oosteinde 289, Den Haag — is interkerkelijk. Ze werkt voor behoud en handhaving van het erfdeel der Reformatie in ons volk. Als we waarlijk gereformeerd zijn, moet dat doel ons ter harte gaan en hebben wij met onze gaven en meeleven te steunen. Het is een schone taak, en geheel naar het Woord.

Wat was het antwoord op de „Open Brief"? Dat is door Kardinaal Alfrink in een samenkomst te Boxtel gegeven. Het was bij de opening van „De Eikenhorst" als secretariaat van de St. Willibrordusvereniging (en als zetel van de r.k. bijbelstichting en als r.k. oecumenisch studiecentrum). Dat antwoord was, naar „De Protestant" meldt — ik las het in „Trouw" d.d. 30 nov. jl. — aldus: „De roomskatholiek gelooft wat hij gelooft omdat het het geloof van zijn kerk is — wezenlijk is voor hem het geloof dus een geloof in de kerk — de protestant gelooft wat hij gelooft op grond van de exegese van de bijbeltekst".

Tegen de „protestantse" opvatting had Kardinaal Alfrink ingebracht, dat ze altijd een subjectief element in zich heeft en dat men in de strijd der meningen over de ware uitleg der Schrift nooit zal kunnen uitkomen zonder het aanvaarden van een instantie, die uiteindelijk het laatste beslissende woord spreekt, nl. de rooms-katholieke kerk. Dan antwoordt „De Protestant" daarop met een verwijzing naar het woord van Luther: „Ook de kerk kan dwalen". In wat hij in Boxtel zeide, gaf Kardinaal Alfrink naar het oordeel van de scribent in „De Protestant" „haarscherp" het verschil aan tussen Rome en de Reformatie op dit punt.

Het antwoord, zoals ik het via „De Protestant" uit „Trouw" aan de weet kwam, doet mij denken aan een oud verhaal. Een bisschop, die met veel twijfelingen had te kampen, ontmoette een eenvoudige werkman, die in een bos bezig was houtskool te maken. Hij was wat men noemt kolenbrander. De bisschop vroeg hem of hij nimmer met aanvechting en twijfel had te kampen. De kolenbrander schudde van neen, want, zo zei hij, ik geloof wat de kerk gelooft. Toen de bisschop vele jaren later op zijn sterfbed lag, zei hij gerust te zijn, omdat hij het „kolenbrandersgeloof" had en daarin stierf.

Wij zullen een andere zekerheid moeten kennen. De zekerheid des geloofs, rustend in Gods goedertierene beloften in Christus Jezus, een zekerheid, gewerkt door die Geest, Die leidt in alle waarheid. Dan wordt het rijke antwoord 1 van de Heidelberger Catechismus ons enigst uitzicht en „de enige troost in leven en in sterven".

Over wat in de zittingen onzer Synode zoal gebeurt, worden we officieel en officieus ingelicht. Het „Persbureau der Herv. Kerk" geeft zo spoedig mogelijk het officiële communiqué. Enkele weken daarna geeft „Woord en Dienst" een verslag, dat ook als officieel mag aangemerkt worden. Intussen hebben diverse dagbladen reeds een en ander gepubliceerd met een zekere onderstreping van hetgeen de scribenten bijzonder heeft getroffen, zodat we het behandelde door een zekere bril en in een bepaalde belichting kunnen genieten. Dit zijn „officieuze" berichtgevingen. Daaronder ressorteert ook wat door synodeleden in de kerkelijke pers aan verslagen gegeven wordt. In ons orgaan diende in dezen ds. J. Vermaas onze lezers. In „Herv, Weekblad" geeft gewoonlijk dr. Streeder die verslagen. In „Herv. Weekblad" d.d. 23-11-'61, stond een verslag te lezen van de hand van ds. Poldervaart. Dr. Streeder kon nl. een deel der zitting niet bijwonen.

Op dat verslag nu haakte prof. dr. G. J. van Itterzon in in het volgende nr. van genoemd blad. Hij was uit zijn tent gelokt en gekomen doordat ds. Poldervaart zijn naam had genoemd. Wat toch is de zaak?

De P.K.V. van Zuid-Holland had een aanvulling van ordinantie 11, de leertucht-ordinantie, ingediend, met de strekking, dat ook em.-predikanten onder de daargenoemde bepalingen zullen vallen. Dit voorstel bedoelt dus een lacune in bedoelde ordinantie weg te nemen, een lacune, die door de zaak-Smits, naar velen menen, klaar als de dag, aan het licht kwam. Wat in dezen bij de behandeling ter Synode is gezegd, werd niet vermeld in het communiqué, dat het „Persbureau" publiceerde en .ik kon het ook niet vinden in „Woord en Dienst" van 25 november jl. Ds. Poldervaart gaf het en wel tamelijk uitgebreid. Hij deelt mede, dat „de commissie voor kerkordelijke zaken, de voorgestelde wijziging niet elegant vond en niet nodig". Over wat ter verduidelijking van het „niet elegant" werd opgemerkt door de genoemde commissie, zal ik niet weergeven. Betreffende het tweede lees ik in het verslag: „niet nodig, omdat ordinantie 11 een sluitend en logisch opgebouwd geheel vormt, dat bij een juiste hantering geen moeilijkheden behoeft te geven, temeer, nu het bedoelde artikel door de jurisprudentie verduidelijkt is".

Ds. Poldervaart vervolgt dan aldus: „Hoewel moeilijkheden niet nodig waren — maar de P.K.V. van Zuid-Holland lag indertijd te steken als een logger zonder radarapparaat in de mist en ontving via verschillende zenders tegengestelde koersaanwijzingen — volgde er toch: een eventuele verduidelijkende wijziging van dit artikel zou overwogen kunnen worden bij de u door onze commissie voorgestelde periodieke correcties van de Kerkorde". Het verslag laat dan weten: „Van deze overwegingen maakte de Synode het verzoek om te zijner tijd de correctie ernstig onder ogen te zien".

Zoals gezegd, ontbrak dit hele stuk in het „officiële perscommuniqué. Dit heeft terecht bij prof. Van Itterzon bedenkingen opgewekt. Hij was op dit punt door ds. Poldervaart geattendeerd, omdat die schreef, dat hij bij de toelichting van de commissie van kerkordelijke zaken wel gaarne „het gezicht van prof. Van Itterzon had gezien".

Nu, prof. Van Itterzon heeft raak en spits het zijne gezegd. Eerst kreeg de „officiële berichtgeving" der Synode de nodige kritiek. Allereerst zegt hij te begrijpen, dat het Breed Moderamen bepaalde zaken niet gepubliceerd wenst te hebben. Maar hier was geen „veto", gezien dat ds. P. deze kwestie publiceerde „Onbelangrijk" is ze evenmin, aangezien ook de instantie, die het Persverslag verzorgt, kon weten, dat alles wat met de zaak-Smits nog verband houdt in het land „gespeld" wordt. De verslaggever moet het dus „vergeten" hebben. Hij vervolgt dan: „Het is nu te hopen, dat het Persbureau mijn vraag, om een volledige informatie over heel de linie, leest". Dit slaat wel op het feit, dat genoemde instantie voor samenstelling van de „Bulletins" maar heel weinig uit „Hervormd Weekblad" vermeldt.

En wat de wijzigingen van Ordinantie 11 betreft: prof. Van Itterzon zegt, dat hij begrijpen kan dat om de 5 jaar de gewone correcties zullen geschieden. Doch hier betreft het geen „kleine, minder urgente wijzigingen in de Kerkorde". Het gaat hier immers om „een zo teer punt als de leertucht is". Hij prijst de Synode voor haar aandrang op de commissie, maar begrijpt niet, dat ze er bijvoegde „te zijner tijd". Bovendien een wijziging als gevraagd werd zou dr. Wagenaar in een paar uur gereed kunnen maken. En indien deze te overbezet zou zijn, kon ds. Landsman het ook wel in korte tijd klaar krijgen.

Ziehier, vrij weergegeven, de reactie van prof. Van Itterzon op wat ds. Poldervaart publiceerde. Beiden verdienen onze dank voor wat ze schreven over wat prof. Van Itterzon als titel boven zijn artikel plaatste: „Het leertuchtkerkrecht in de Generale Synode".

Inderdaad de leertucht is een „tere" zaak. Maar ze moet verzorgd worden. Calvijn noemde ze „de zenuwen, door welke het geschiedt, dat de leden des lichaams, ieder op zijn plaats, met elkander verbonden zijn". En hij vervolgt aldus: „Daarom zoeken allen, die de tucht begeren weggenomen te zien, of haar herstel verhinderen, hetzij ze dat doen met opzet, hetzij uit onwetendheid, de uiterste verstrooiing der kerk". (Institutie Boek IV C 12 § 1).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's