De belijdenis in de Kerk
Door de herdenking van 1561 is de belijdenis weer in de algemene belangstelling gekomen.
Enige tijd geleden, in het Hervormd Weekblad van 9 november j.l., stelde ds. Groenewoud tegenover elkaar het functioneren van de belijdenis in de Gereformeerde kerken en in de Hervormde kerk.
De Gereformeerde kerken passen bij afwijkende gevoelens leertucht toe. Dit bedoelt de prediking zuiver te houden, maar leidde in 1926 en in 1944 tot scheuring, hoewel de zuivere prediking juist de vergadering van de gemeente tot Christus wil dienen.
De Hervormde kerk is, met de Gereformeerde praktijk voor ogen, huiverig voor leertucht. Ds. Groenewoud wijst op andere vormen van doorwerking van de belijdenis: in (rechte) prediking, catechese e.d., in een naar de belijdenis toegroeien in onrechtzinnige kringen, en in verschillende synodale geschriften van leerstellig karakter, die „een stuk belijdenis levend maken voor onze tijd." Het gaat daarbij, aldus ds. Groenewoud, niet om een herhaling van de oude waarheden, maar om een vernieuwd belijden waarbij de belijdenis in levend contact gebracht wordt met de Schrift en met de vragen van deze tijd.
Ds. Groenewoud geeft hier ongetwijfeld de gevoelens, die in brede kring in de Hervormde kerk leven, op zijn best weer. Heel voorzichtig zijn met leertucht, en bij de theologische bezinning der Kerk wel de belijdenis ook het zijne laten zeggen, maar niet de belijdenis als kader erkennen waarbinnen de bezinning zich dient te bewegen.
Het lijkt niet misplaatst, hier enige opmerkingen te maken zowel tegenover de Gereformeerden — hun indruk van wat er in de Hervormde kerk leeft moet volledig zijn — als binnen de muren van de Hervormde kerk.
Wij menen dan, dat zich niet goed laat voorstellen hoe de Kerk kan weren wat haar belijden weerspreekt, zonder daarbij leertucht te oefenen. Daarom is het te betreuren, dat de Kerk daar maar heel moeilijk toe schijnt te kunnen komen. Wij willen aannemen, dat in een al zeer evident geval als van prof. Smits haar de „überorganisation" van de leertucht in de kerkorde in de weg gezeten heeft, maar met wat meer goede wil zou dat, naar een kerkrecht-expert als prof. Van Itterzon toch duidelijk genoeg heeft aangetoond, geen beletsel zijn geweest.
Wij menen, dat een leven der Kerk in de vreze des Heeren zou worden bevorderd als niet alleen in zulke stuitende gevallen als van prof. Smits, maar ook in andere situaties het normatieve karakter van de belijdenis meer erkenning vond. Zo zou de vrouw nooit tot het ambt zijn toegelaten als niet ergens de reformatorische Schriftbeschouwing op een zijspoor was gezet. Trouwens, zelfs in de zaak prof. Smits is geen leertucht geoefend. Het aanzien van de synode scheen van meer gewicht dan de ere Gods.
In zulk een situatie en in minder navrante, maar even gewichtige gevallen was en is leertucht op zijn plaats.
Toch zijn ook wij, al zijn wij dan niet leertucht-schuw, van oordeel, dat de Gereformeerden ten onrechte van de Hervormde kerk een even gemakkelijk „drauflosgehen" verlangen als bij henzelf is op te merken.
Betekent dat, dat wij minder overtuigd zijn van de onrechtzinnigheid van vele Hervormde leringen dan de Gereformeerden? Minder verlangend naar de eliminatie of het rechtbuigen van die leringen? Allerminst. Misschien zien en voelen wij die dingen nog wel scherper omdat we er veel meer mee worden geconfronteerd. ........
Wij zien echter in het ontzonken zijn van de Kerk aan de Reformatie een schuld, die niet alleen rust op de vrijzinnigheid en de middengroep in de Hervormde kerk, maar even goed op de gereformeerden in (en buiten) die kerk. De kerk kón — menselijkerwijs gesproken — aan de leer der apostelen, aan de Reformatie, aan het geloof van de kerk der eeuwen ontzinken, omdat de gereformeerden dit heten begaan. Er was onder hen niet, of niet duidelijk genoeg, een roepen als in Jer. 3 : 21 omdat de kerk haar weg verkeerd koos, en de Heere, haar God, vergat.
Deze zorg om het geheel der Kerk hoorde er ook in deze tijd veel meer onder ons te zijn. Wat vinden wij bij ons van de visie van ds. L. Kievit, die ter gelegenheid van de behandeling van de nieuwe kerkorde in 1950 wees op de bede in Psalm 51: Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. Als deze bede bij ons veelszins ontbreekt, hoe zal de Heere God dan de kerk verlossen uit haar ingezonkenheid, naar Psalm 106 : 43b—45, Psalm 107 : 6, 13, 19, 28.
Zo komt dan ook tot ons de roep: Keert weder, afkerige kinderen! Bepaaldelijk dan óók in kerkelijk opzicht! Wij mogen niet doen alsof het ontzinken van de anderen ons niet raakt.
Daarom: wie het verval der kerk als een stuk schuld voor zichzelf ervaart, is niet zo vlot met het afkappen van wie hij, naar hij dan goed voelt, zelf — persoonlijk of in zijn voorgeslacht — heeft helpen doen wegdwalen.
Dit is geen excuus om de zaak te laten zoals ze is. Wij zeggen niet: dan maar geen leertucht. We willen niet niets doen, maar we willen het anders doen — zonder ons overigens van de leertucht te distantiëren.
De kerk is verziekt, geïnfecteerd door leringen die het geloof der gemeente niet vermogen te voeden. Wel dient het ontoereikende van die leringen duidelijk te worden aangewezen niet alleen voor hen die er niet, maar ook voor wie er wèl door bekoord zijn; maar men brengt geen genezing met paardemiddelen, die een doodziek mens niet verdragen kan. Dan éérst een appèl vanuit de belijdenis op de gehele kerk, onszelf inbegrepen. Leertucht dus pas, wanneer en in de gevallen waarin de kerk dat verwerken kan zonder in stukken uiteen te vallen. Dan wordt de gemeente, die in haar geheel des Heeren is, niet versplinterd, maar gebouwd in het allerheiligst geloof, voor zover de Heere het getuigen vanuit de belijdenis doet doorklinken.
Nu de Hervormde gevoelens inzake de plaats van de belijdenis.
Dat in Hervormde kring in het algemeen de betekenis van de belijdenis gaarne gerelativeerd wordt, is jammer. Het is zelfs ontstellend, in een officieel kerkelijk stuk te lezen: „De kerk luistere met eerbied naar de vaderen. Natuurlijk. Maar het is dan ook de belijdenis der vaderen. Niet onze belijdenis. We oefenen dan ook rustig kritiek op haar, als dat ons (!) goeddunkt".
Wij zouden wel eens willen weten of ds. Groenewoud, die zegt dat het niet om een herhalen van de oude waarheden gaat maar om een vernieuwd belijden, deze grove miskenning van de normatieve functie van de belijdenis ook voor zijn rekening neemt.
In verreweg de meeste Hervormde kerkdiensten, ook en zelfs vooral buiten de gereformeerde kring, , wordt regelmatig het Apostolicum gelezen. Is dat nu ook wèl de belijdenis der Oude Kerk, maar niet de onze? Zo niet, wat is dan het principiële verschil tussen het Apostolicum (de Twaalf Artikelen) en de reformatorische belijdenisgeschriften ? Laat men daar nu eens eerlijk en ronduit antwoord op geven, zonder te vluchten in het niet-principiële verschil in omvang van de oecumeniciteit van beide.
Natuurlijk heeft de belijdenis der Kerk ten opzichte van de Schrift niet meer dan een afgeleid gezag. Maar toch: gezag. Krachtens haar relatie tot de Schrift, en niet krachtens ons goeddunken. In dit gezag komt het samenbindend karakter van de belijdenis uit. De gemeente wordt door de prediking naar deze reine leer vergaderd rondom het Woord en de Christus des Woords.
Daarom voelen wij ons onbehaaglijk, als anderen in de kerk zo aanhoudend de nadruk leggen op het afgeleid-zijn van het gezag der belijdenis — men pleegt dit handig te verwisselen met de betrekkelijkheid van dat gezag, een slechte ruil! —, op de beperktheid, feilbaarheid en kortzichtigheid van de belijdenis-opstellers, op de noodzaak dat de belijdenis „steeds weer" aan de Schrift „moet" worden getoetst. Met deze overladenheid kan gemakkelijk de indruk ontstaan van concessies aan figuren die ten aanzien van de belijdenis minder scrupuleus zijn. Zo doende, beschouwt men de belijdenis — mirabile dictu — te veel als formule-zonder-meer, en erkent men er te weinig in de uitdrukking van het door de Heilige Geest gewerkte geloof van de kerk der eeuwen.
De mogelijkheid van toetsing van de belijdenis aan de Heilige Schrift moet openblijven, omdat haar gezag daar immers van is afgeleid. Maar het karakter van de belijdenis als expressie van het geloof der kerk brengt mee, dat de eis mag en moet worden gesteld dat zij, die toetsen, staan in dat geloof. Het feit op zichzelf dat men in kerkelijke vergadering bijeen is, verzekert niet de leiding van de Heilige Geest. Dat te veronderstellen is rooms.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's