IK VERKONDIG U GROTE BLIJDSCHAP
Grote blijdschap! Daar staan we vlak voor de moeilijkheid. Zeker, het ontbreekt met Kerstmis niet aan blijdschap en vrolijkheid. Allerwegen feest, muziek, gezang, licht. Kerstbomen schitteren op de pleinen onzer steden, in kerken en kroegen, en in de woningen van groot en klein. Symbolisch getuigen ze alle van onsterfelijk leven en hebt. Als engeltjes zingen de kinderen van Bethlehem, van de ster en van de kribbe. Als het versje uit is, maken ze ruzie over de geschenkjes van de kerstboom en vechten als tijgertjes. En de grote mensen? Die maken feestmaaltijden en eten ganzen en hazen.
Grote blijdschap! Is dat nu de blijdschap, die de hemelboden in Efratha op het oog hadden? Dat is het niet. Daarom spreken ze van Kerstmis als van een „Christelijk cultuur-probleem". Deze benaming schijnt een compromis te aanvaarden, want welbezien is Kerstfeest helemaal geen christelijk probleem en cultureel is het zelfs geen probleem, maar een stukje zonnecultus van het klassieke heidendom. Brengen we dus de blijdschap thuis overeenkomstig deze analyse, dan is de eigenlijke grond der blijdschap de voorjaarsverwachting der lengende dagen, en de voorbijgang van de sombere dagen van wolken, mist en donkerheid. Het feest van de komende lente.
Zeker ligt hierin een afdoende verklaring voor de algemeenheid en aantrekkelijkheid van de „Kerstfeestviering" en tevens voor het feit, dat de pogingen van puriteinsgezinden om het Kerstfeest en de Kerstdagen af te schaffen geen bijval vonden en zijn mislukt. Het verraadt daarin zijn oorspronkelijk werelds karakter.
Geen compromis tussen Christelijk geloof en heidense cultus. Men kan de symboliek van het zonnefeest wel overdragen en er misschien ook nog stichtelijk over praten, dan wordt de „heidense spar" (de uitdrukking is van dr. A. Kuyper) een soort Christusboom.
Desondanks vergeten we niet, dat het geboortefeest van de Christus ook een universele zijde heeft, o.a. dat Christus van het begin af het levendmakende Woord des Vaders is geweest, de bron en oorsprong des levens, van Wie alle dingen altijd hun leven ontvangen hebben en ontvangen (vgl. Calvijn Inst. IV, 17.8).
De boven beschreven veruitwendiging kan echter moeilijk in overeenstemming worden gebracht met de diepe zin van de vleeswording des Woords, met het rein geestelijk karakter des geloofs en — met de gedachtenisviering van Christus' lijden, sterven en opstanding, welke Hij zelf heeft ingesteld in het Heilig Avondmaal.
In het vorige nummer waren we een kleine verhandeling over de vleeswording des Woords begonnen. Mede in verband met de laatste opmerking over de gedachtenisviering der gemeente van Christus in het Heilig Avondmaal, zouden we daarom gaarne nog een paar opmerkingen toevoegen over de vraag:
Wat is eigenlijk in de vleeswording des Woords (want dat is toch het grote en wonderlijke gebeuren) geschied?
Niemand, die daarover zo helder en treffend heeft geschreven als Calvijn.
In de eerste plaats treft ons, dat hij er telkens de aandacht op vestigt, dat Christus ons verderfelijke vlees heeft aangedaan, onze menselijke sterfelijkheid deelachtig is geworden, opdat Hij daaraan onverderfelijkheid en onsterfelijkheid zou schenken. (Inst. IV, 17.1 v.v.).
De vleeswording des Woords is de weg, waarin Hij onze zonde, onze schuld, ons oordeel op zich genomen en gedragen heeft in het goddelijk gericht. Ons vlees aangenomen hebbende kon Hij onze dood sterven en verzoening doen door Zich tot een levend en algenoegzaam zoenoffer te geven. Immers het gericht en de dood konden Hem niet houden, dewijl Hij geen zonde gekend of gedaan had. Het recht Gods kon Hem niet veroordelen, tenzij het de Heere God behaagde Hem met het oordeel der zonde te straffen, indien Hij voor anderen in het gericht wilde staan, die daarin eeuwig zouden omkomen. Anders gezegd, indien het de Heere behaagde Zijn offer te aanvaarden ter wille van anderen.
En een offer was het. Volkomen vrijwillig gebracht. De Vader heeft toch de Zoon gegeven het leven in Zichzelf te hebben, zodat Hij het kon afleggen en wederom tot Zich nemen. De dood kon Hem niet houden, omdat Hij de Rechtvaardige is. Daarom ook kon het gericht Hem niet in een eeuwig verderf slepen. Dat liet het recht Gods jegens de Rechtvaardige niet toe. Het verzondigde vlees, de verzondigde menselijke natuur kwam in Zijn Persoon in het gericht en moest versterven in het oordeel. Om het gericht over Zich te laten komen, het oordeel der zonde (van de mensheid) te ondergaan, heeft Hij Zich vrijwillig gegeven, heeft Hij vrijwillig ons vlees aangenomen, is Hij vrijwillig mens geworden. Dat heeft Hij, de Schepper aller dingen voor de Zijnen over gehad, omdat het des Vaders welbehagen is geweest. Ziedaar het offer en de saamstemming van de liefde van de Vader en van de Zoon — en wij mogen er bij voegen — en van de Heilige Geest, want de Geest heeft in alles medegewrocht.
Alle nadruk dient daarom te vallen op het karakter van een algenoegzaam en volkomen offer, dat Christus vrijwillig heeft gebracht. „Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdelen wandel, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt lam. ... (1 Perus 1 : 18 v.v.).
Door Zijn offer, dat de Vader behaagde, is verzoening teweeggebracht voor die anderen, die slechts met de eeuwige dood zouden kunnen boeten. De Onschuldige heeft Zich zelf geofferd, opdat de schuldigen zouden vrijuit kunnen gaan in het gericht. De Rechtvaardige heeft aan de eis der goddelijke gerechtigheid betreffende de mens voldaan, opdat de onrechtvaardigen het loon der gerechtigheid zouden beërven, n.l. het eeuwige leven.
Het offer van Christus kan dus onder verschillend aspect gezien worden al naar daarop het licht van de deugden Gods valt. Als gave Gods schittert het in de glans der ontfermende liefde Gods: Alzo Hef heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborene Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3 : 16).
Welk een gave is daarin weggelegd?
Deze, dat Hij door Zijn nederdaling op aarde voor ons de opklimming tot de hemel mogelijk gemaakt heeft; dat Hij door het aandoen van onze sterfelijkheid ons Zijn onsterfelijkheid geschonken heeft; dat Hij door onze zwakheid aan te nemen ons door Zijn kracht versterkt heeft; dat Hij door onze armoede op Zich te nemen Zijn rijkdom op ons overgedragen heeft; dat Hij door de last van onze ongerechtigheid, waardoor wij gedrukt werden, op Zich te laden, ons met Zijn gerechtigheid heeft bekleed (vgl. Calvijn Inst. IV. 17.2).
Hoe dit nu alles tot stand komt, is een grote verborgenheid, waarin God de Heere de Zijnen door Zijn Woord en Geest inleidt, en waarvan Hij ze deelgenoten maakt. Hij alleen kan het eeuwige leven schenken en onderhouden. Als Calvijn over deze zaak gaat handelen ziet hij op de tedere verhouding van het nieuwe leven n.l. het kindschap van God. God heeft ons eenmaal in Zijn huisgezin ontvangen en zorgt als een goed huisvader voor zijn kroost. De Heere verzekert ons van deze weldaden door een geestelijke maaltijd, het Heilig Avondmaal, als door een pand. Daarbij is Christus het levendmakende brood, waarmede Hij onze zielen tot de onsterfelijkheid voedt (Johannes 6 : 5). „Neemt, eet, dit is Mijn lichaam, en Hij nam de drinkbeker en gedankt hebbende gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit, want dit is Mijn bloed" (Matth. 26 vers 26).
De Heere Jezus Christus zegt: „neemt". Hij beveelt het te nemen. Daarmede geeft Hij te kennen, dat het ons toebehoort. Hij beveelt ook te eten! Daarmede geeft Hij te kennen, dat het met ons één substantie wordt. Voor ons heeft Hij Zijn lichaam gegeven en Zijn bloed is voor ons vergoten „Zij worden dus onder brood en wijn voor ogen gesteld", zo besluit Calvijn, „opdat wij zouden leren, niet alleen, dat ze ons toebehoren, maar ook, dat ze voor ons bestemd zijn tot een voedsel van het geestelijke leven" (Calvijn Inst. IV 17.3). Evenals het brood ons lichaam voedt, onderhoudt en versterkt, zo is het lichaam van Christus, de enige spijs om onze ziel te voeden en levend te maken.
Wij eten Christus tot onze zaligheid, als we in het geloof de kracht van Zijn kruisdood en van zijn opstanding beseffen. Er is een eten in het geloof en een eten zonder geloof, misschien om het geloof. Het eten is niet het geloof, en het geloof is niet uit het eten, maar het eten is uit het geloof, dat voor ons de zaligheid ligt in Christus' dood en opstanding, en dat we gemeenschap hebben aan Zijn leven.
„Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, " aldus wekt de apostel Paulus de Corinthiërs op (1 Cor. 5:8). Indien we dat op het Kerstfeest mogen toepassen, zal het een gezegend gedenken wezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's