KERKNIEUWS
Beroepen te:
Witmarsum, M. J. Gols te Midlum — Sommelsdijk, A. Kastelein te Hei en Boeicop — Bergambacht, J. C. Stelwagen te Woudenberg — Haarlem (wijkgemeente 2) (toez.), B. K. W. Dijkstra te Baambrugge.
Aangenomen naar:
Winsum, vic. C. B. Posthumus—Meyes te Rotterdam — Arnhem, „Stichting Evangelie en Industrie", Th. F. Warffenius te 's Heer Abtskerke — Rinsumageest (toez.), kand. J. Kronenburg te Zeist, de bedankte voor Surhuizum (toez.).
Bedankt voor:
Middelhamis, J. H. Cirkel te Huizen (N.H.) — Krimpen aan de Lek, A. van Brummelen te Schoonrewoerd — Wijckel (toez.), J. H. Jimmink te Drogeham — Giessen-Rijswijk (N.-Br.), (toez.), M. J. Kalvenhaar te Elim — Gouda (wijkgemeente 1), A. van Brummelen te Schoonrewoerd.
Benoemd tot:
Emigratiepred. voor de Nederlanders in Canada, vic. A. L. Groenenberg te Scheveningen en vic. F. J. Verbaas te Amterdam — hulpprediker te Poortugaal, C. H. Heyboer, catecheet te Zaamslag — pred. voor de jeugd-observatiehuizen te Amersfoort en Zeist, W. Willemse te Hilversum.
Bevestiging en intrede van kand. P. M. Breugem te Achterberg.
Kand. P. M. Breugem, die beroepen - werd in de vacature, onstaan door het vertrek van ds. C. van Viegen, hoopt op 26 december a.s. (Tweede Kerstdag) te worden bevestigd in het ambt door ds. J. Wieman van Nunspeet en wel in een kerkdienst, aanvangende om 10 uur v.m. Des n.m. om 2.30 uur hoopt hij dan als herder en leraar van Achterberg zijn intrede te doen. De Hervormde Gemeente is dankbaar en verheugd, dat kand. Breugem de herdersstaf te Achterberg wil opnemen, zodat daarmede een einde komt aan de vacature, - die er sedert 27 september 1959 bestond.
J. Goedhart verhuisd.
Het adres voor preekbeurten e.d. van de eerw. hr. J. Goedhart, Herv. Geref. G.O. te Haarlem, is met ingang van 28 december 1961 gewijzigd in: Korte Meentweg 14, Noorden (Z.H)., tel. (01724) 268.
Zwijndrecht.
Door de kerkeraad van Wijk Oost te Zwijndrecht is besloten om in de aanstaande vacature van ds. Emmerzaal een Hervormd Gereformeerd predikant te beroepen.
Weerwoord op de rede van kardinaal Alfrink van de Vereniging Protestants Nederland.
Aan: Zijne Eminentie Bernardus, Kardinaal Alfrink.
Eminentie, Zeer erkentelijk voor het uitvoerig antwoord op de door ons gezonden „Open brief", gegeven in Uw rede van 3 november j.l. te Boxtel, willen wij niet nalaten daarop nog met een enkel woord te reageren. Het verheugt ons, dat U één der belangrijkste verschilpunten tussen Rome en de Reformatie zo duidelijk gesteld hebt met de woorden: „Als exegeet wil ik graag verklaren, dat ik het geloof van de Kerk bijvoorbeeld ten aanzien van de wezenlijke tegenwoordigheid van de Heer in de eucharistie, of van het offerkarakter van de eucharistie, niet aanvaard, omdat dit geloof met mijn exegese van de Schrift overeenstemt, maar omdat het het geloof van de Kerk is."
Ook al menen wij, dat de tegenstelling Rome- Reformatie niet uitsluitend kan worden teruggevoerd op de controverse Schrift als enige norm der waarheid, tegenover Schrift en apostolische traditie belde als openbaringsbronnen, zo willen wij onzerzijds toch belijden met Artikel VII der Nederlandse Geloofsbelijdenis: „dat deze Heilige Schrift de wil Gods volkomen vervat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt." En daarom ook verwerpen wij: „al wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt."
Het is wel duidelijk, van hoe groot belang de formulering van dit kernverschil is en de vraag mag onzerzijds wel gesteld worden, of hiermede niet de weg tot ieder „gesprek" tussen Rome en de Protestanten zeer bemoeilijkt, zoal niet geheel afgesloten wordt. Is het in feite niet zó, dat de Rooms-Katholieke Kerk eerst aanvaarding van haar leergezag zou moeten eisen?
Blijft er dan voor ons nog wel een andere mogelijkheid open, dan de oproep terug te keren tot de Heilige Schrift als de enige norm der waarheid?
Daarom ook bidden wij — in het bewustzijn van onze eigen schuld en tekortkomingen — de Drieenige God, dat Hij ons allen lere te luisteren naar Zijn Woord. Opdat Zijn Woord alléén heerschappij hebbe, zowel in de Kerken der Reformatie als op het komende Concilie van de Rooms-Katholieke Kerk.
Opdat Zijn Naam worde geheiligd en Zijn Koninkrijk kome.
Uit naam van het Hoofdbestuur van de Vereniging „Protestants Nederland".
Ds. L. Lagerwey, voorzitter, H. A. de Bruyn, secretaris.
December van het Jaar onzes Heren 1961.
Correspondentie-adres: L. Huizer, Noordeinde 48a, Delft.
Een nieuwe psalmberijming — Samenwerkende dichters hebben een „smaakvol gemiddelde" tot stand gebracht.
De bekende katholieke dichter Gabriel Smit — die ook op het gebied van psalmberijming als bij uitstek deskundig mag gelden — schrijft over 150 PSALMEN, Proeve van een nieuwe berijming, aangeboden door de Interkerkelijke stichting voor de psalmberijming. Hij heeft oprechte waardering voor veel van wat de samenwerkende dichters tot stand hebben gebracht. Tegenover achteruitgang van sommige teksten staat op vele plaatsen vooruitgang. Behalve op de zes psalmbewerkingen van Nijhoff, die hij alle zes voortreffelijk acht, wijst Gabriel Smit op de psalmen 4, 22, 91 en 122 als „een viertal", dat als uitstekend royaal te verveelvoudigen valt. Zo is er meer. En 't werk als zodanig kan moeilijk worden overschat, ook al om de beperkingen in verband met de melodie." De dichters van deze berijming, bestemd voor kerkelijk, liturgisch gebruik, hadden uitdrukkelijk de opdracht woorden te maken bij de oude bestaande melodieën, gedateerd Geneve 1562. Voor de katholieken die deze melodieën niet kennen, verreweg de meesten, is dat bij het kennisnemen van deze berijming een haast onneembare handicap, zo meent Gabriel Smit.
De dichters die deze nieuwe psalmberijming tot stand hebben gebracht zijn — behalve Nijhoff die helaas in 1953 stierf en van wie er 6 berijmingen zijn — Guillaume van der Graft, Wim Schulte Nordholt, Jan Wit, Willem van der Molen, Ad den Besten en Klaas Heeroma (Muus Jacobse). Aanvankelijk heeft ook de Friese bard Fedde Schurer nog meegedaan, maar die samenwerking wou later niet meer lukken. Er waren te grote verschillen van inzicht en stijl. Te betreuren valt ook dat van de laatste, 150ste psalm, tengevolge van vooral gereformeerde bezwaren de mooie berijming van Nijhoff niet kon worden opgenomen. Een enkele regel had misschien wel iets, dat een dichterlijke vrijheid kon worden genoemd, maar dat was dan ook zonder enige twijfel een dichterlijke schoonheid. Hoe dan ook, het is méér dan jammer.
Ik zou niet graag willen beweren dat het typisch gereformeerd is. Dergelijke zaken hebben zich ook in katholieke kring voorgedaan en zullen zich zonder twijfel nog voordoen. Maar het is altijd jammer wanneer theoretisch-theologische haarkloverij het wint van de levende schoonheid, die toch ook waarheid is. Leest u zelf maar. Dit ds Nijhoffs (geweigerde) berijming:
Looft God, looft Hem overal, looft de Koning van 't heelal om zijn wonderbare macht, om de heerlijkheid en kracht van zijn naam en eeuwig - wezen. Looft de daden, groot en goed, Die Hij triomferend doet. Hem zij eer. Hij zij geprezen.,
Hef, bazuin, uw gouden stem, harp en fluit, verheerlijkt Hem! Cither, cimbel, tamboerijn, laat uw maat de maatslag zijn van Gods ongemeten wezen, opdat zinge al wat leeft, juiche al wat adem heeft tot Gods eer. Hij zij geprezen.
Als ik goed ben ingelicht golden de bezwaren speciaal de - vierde en de vijfde regel van het tweede couplet. Het is karakteristiek voor de situatie. Nijhoffs formulering, hoezeer misschien ook beïnvloed door de oude berijming - van Camphuysen is bijzonder persoonlijk, bijzonder spits en, wat mij betreft, bijzonder mooi. Maar persoonlijk kunstenaarsschap moet telkens wijken voor wat wordt gezien als collectieve eis.
Soms wel „nieuwer" maar minder sterk.
En hiermede kom ik dan aan wat Ik als eerste bezwaar tegen deze nieuwe berijming zou willen formuleren. Het is geen geheim dat het werk door de dichters uitdrukkelijk in gemeenschap werd verricht. In zijn uitermate lezenswaardige opstel „Nijhoff en de psalmen" (opgenomen in zijn bundel „Tussen twee stoelen") heeft Van der Graft- Barnard genoeg over die werkwijze onthuld en haar met nadruk als teamwork gekarakteriseerd. Zijn de teksten daardoor soms met wat te weinig persoonlijk geworden? Het resultaat schijnt op veel plaatsen gepolijst naar wat een zeker gemiddelde zou kunnen heten, zonder twijfel een intelligent, smaakvol gemiddelde, maar een gemiddelde, en als zodanig dan vaak wat glad. Ik kan mij best voorstellen dat men bezwaren heeft tegen berijming als deze oude psalm 42:
't Hijgend hert, de jacht ontkomen. Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen Dan mijn ziel verlangt naar God.
Maar te denken dat de volgende bewerking een verbetering zou zijn, hoe dan ook, schijnt mij minstens een vergissing:
Evenals een moede hinde Naar het klare water smacht. Schreeuwt mijn ziel om God te vinden. Die ik ademloos verwacht.
Het is misschien „nieuwer", maar dat is dan ook alles. Het is zeker modieuzer en, naar mijn smaak, minder sterk. De oude berijming ligt zwaarder, vaster, is persoonlijk mannelijker van toon. Het gaat mij niet om deze berijming alleen, het gaat mij om de sfeer die uit vele teksten blijkt en die telkens aan dit „smaakvolle gemiddelde" doet denken, — een begrip dat nooit opgaat voor de oorspronkelijke tekst. In zekere zin schijnt „teamwork" in flagrante tegenspraak met verre-weg de meeste psalmteksten als zodanig. Zij zijn wel bij uitstek liederen geworden van de christelijke gemeenschap, maar hun oorspronkelijke vormgeving was niet gemeenschappelijk; hoezeer meer dan persoonlijk geïnspireerd, het zijn persoonlijk geschreven gedichten.
En ander voorbeeld, uit psalm 103. De oude berijming is van aangrijpende kracht en statigheid:
Zo hoog zijn troon moog' boven de aarde wezen. Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen. De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zo ver het West verwijderd is van 't Oosten, Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten. Van ons de schuld en zonden weggedaan.
Deze nieuwe berijming heeft deze tekst vervangen door:
Zo hoog zijn troon moog' boven de aarde wezen. De bogen van zijn hemelse paleizen, Zo hoog en wijd is zijn barmhartigheid. Zo ver verwijderd 't Westen is van 't Oosten, Zo ver doet Hij van 't hart dat Hij wil troosten De zonden weg, ja. Hij heeft ons bevrijd.
De laatste twee regels zijn nauwelijks meer dan een complete inzinking. Het stoplapje „Ja" Is werkelijk beneden niveau. Men heeft zich soms te weinig losgemaakt van een overigens wel begrijpelijke angst te blijven aanleunen tegen wat een min of meer plechtstatige „tale Kanaans werd geacht. Anders gezegd: ik geloof dat men te weinig traditie heeft aangedurfd.
Zelfoverschatting en verwaarloosde kansen. Dat brengt mij tot mijn tweede bezwaar. Deze uitdrukkelijke zorg voor vernieuwing heeft er toe geleid dat men ook veranderde waar dat zeer bepaald niet nodig, en naar mijn overtuiging, zelfs niet wenselijk kon zijn. Wat in de oude berijming van Eusebius Voet was, verdiende echt meer eerbied. Hier en daar bleef wat bewaard, soms werd zelfs nog op oudere bewerkingen teruggegrepen, maar men heeft in wat ik niet anders kan zien dan als een zekere zelfoverschatting en bijzonder belangrijke kans verzuimd. Waar zijn in de nieuwe uitgave Datheen, Marnix, Revius, Camphuysen en vooral: waar zijn de prachtige teksten van Hooft, zo ongeveer de mooiste, die onze taal kent? Er liggen, min of meer verscholen, een paar zinswendingen, een enkel beeld. Maar waarom heeft men het nagelaten uit de levende geschiedenis (dus: de onveranderde actualiteit) van het Nederlandse dichterwoord samen te brengen wat aan werkelijke schoonheid uit de psalmtekst ontsprong? Dat Vondel hierbij ontbreken moest, spreekt vanzelf, want zijn „dichtgewijze uitbreiding" is op de Geneefse melodieën van 1562 niet zingbaar. Maar er zijn nog andere bewerkingen, waartegen dit onoverkomelijke bezwaar niet geldt. Waarom dit alles niet gekozen, gezift, eventueel wat bijgeschaafd, en van deze nieuwe bewerking niet alleen een hedendaagse tekst gemaakt, maar een poëtisch monument van Nederlandse vroomheid door de eeuwen heen ? Zou dit de hedendaagse gelovige onvoldoende hebben aangesproken? Dat is dwaasheid, — wat werkelijk mooi is, spreekt altijd aan. Ik kan mij met de beste wil van de wereld niet voorstellen, dat een van de voor deze nieuwe berijming verantwoordelijke dichters ook maar een ogenblik durfde te vermoeden, dat hij Hoofts bewerking van psalm 6 verbeteren of zelfs moderniseren kon.
Het enige antwoord hierop is: dat heeft men ook niet gedacht, maar men heeft het uitdrukkelijk niet gewild. Jammer, èrg jammer. Het gevolg was een eindresultaat, dat bepaald beneden de mogelijkheden lag. Vreesde men anders geen eenheid van stijl te krijgen? Dat heeft de oorspronkelijke tekst evenmin. En zelfs : wat dan nóg ? En van mijn belangrijkste bezwaren is juist wat ik dit „smaakvolle gemiddelde" achtte: Te weinig hoekigheid, een te week profiel. Van der Graft—Barnard heeft in het opstel „Nijhoff en de psalmen", dat ik al noemde, geschreven dat Nijhoff bij zijn werk aan de nieuwe berijming „welbewust (heeft) gestuurd in de richting van een Valeriusachtige stijl". Dat was, geloof ik, een voortreffelijk streven, maar er is te weinig van gerealiseerd. Ik hoor hier meer beschaafde midden-orthodoxie, dan harde geuzenvroomheid.
Overgenomen uit: „De Scheveningse Kerkbode".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's