De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OOK TOT DE GRIEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OOK TOT DE GRIEKEN

11 minuten leestijd

Wij moeten deze keer beginnen met even terug te grijpen op een vroegere fase in de geschiedenis van het oudste Christendom: op hetgeen er gebeurd is na de marteldood van Stephanus. Na diens steniging moet er onmiddellijk een hevige vervolging ontstaan zijn tegen de gemeente van Jeruzalem. Een vervolging, waarbij ook Paulus nog een voorname plaats heeft ingenomen aan de zijde der Wetsgetrouwe Joden. Hij was het immers, die dé huizen binnendrong dergenen die van/Christus Jezus waren, en die mannen en vrouwen meesleurde en overleverde in de gevangenis (Hand. 8 vers 3).

Met betrekking tot deze vervolging nu, zijn ons enkele zeer waardevolle gegevens bewaard gebleven. Zo vernemen Wij, dat allen verstrooid werden door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen (Hand. 8 vers 1). Wat daarmede bedoeld wordt, is wel doorzichtig: velen zagen zich gedwongen Jeruzalem te verlaten om voor eigen levensbehoud de wijk te nemen naar veiliger oorden in Palestina. Merkwaardig is, dat Lukas niet alleen hier, maar ook op andere Schriftplaatsen, waar het over deze vervolging gaat, spreekt van „verstrooid worden". Dat was toenmaals de technische term voor het feit, dat velen der Joden sedert de ballingschap niet meer in het land der vaderen verkeren konden, maar hun leven elders moesten doorbrengen, in het buitenland, ver van het land der beloften Gods. Zou hieruit naar voren komen, in welk licht men destijds het verlaten van Jeruzalem gezien heeft?

Als wij hiervan uitgaan, dan zou het kunnen wezen, dat de eerste Christenen, die genoodzaakt werden uit Jeruzalem weg te trekken, dit beschouwd hebben als een ballingschap, waarbij zij in wezen hetzelfde mee moesten maken als wat het volk der Joden had moeten ondervinden, toen het uit Sion weg moest om als ballingen rond te zwerven over de aarde: „Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion" (Ps. 137 vers 1).

Het blijkt, dat degenen, die verstrooid werden, na hun uittocht uit Jeruzalem weinig rust gekend hebben voor het hol van hun voet. Zij „gingen (het land) door", doorkruisten Palestina, waarschijnlijk, omdat zij nergens een vaste woonplaats meer konden kiezen in verband met de haat der Joden, die zich tegen hen gekeerd had. Wat hebben deze mensen al niet voor hun geloof moeten over hebben! Rusteloos hebben zij moeten rondzwerven, zonder zich ergens blijvend te kunnen vestigen!

Men heeft wel verondersteld, dat de Brief van Jacobus een schrijven geweest is, dat. aan deze verstrooide Christenen gericht is. Wij achten dat niet onmogelijk. Jacobus wendt zich toch, gelijk in het hoofd van zijn brief staaf aangegeven, tot „de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn" (Jac. 1 vers 1). Kennelijk is dit een figuurlijke manier van uitdrukken, waarmede Jacobus Joden- Christenen op het oog heeft, die ver van huis geraakt zijn. Het is dan ook zeker niet uitgesloten, dat hij door middel van deze brief contact heeft willen zoeken met vroegere mede-Christenen uit Jeruzalem, die omwille van hun geloof na de dood van Stephanus geen gemeenschap meer met de gemeente in de heilige stad konden onderhouden. Op deze wijze zou hij dan met goede raad hen hebben willen bijstaan in de moeilijke positie, waarin zij zich bevonden.

Door de Geest des Heeren gedreven, zou hij zich dan schriftelijk met hen in verbinding hebben gesteld om hen te leiden en te troosten in de velerlei druk, die over hen gekomen was.

Als deze veronderstelling inderdaad recht van bestaan heeft, zouden wij uit de Brief van Jacobus een indruk kunnen krijgen van de velerlei ellende, die het deel geworden was van de vervolgden uit Jeruzalem, die zich overal in Palestina slechts tijdelijk konden ophouden. Jacobus heeft het immers over allerlei moeilijkheden, waarmede zijn geadresseerden te kampen hebben: over uitbuiting door rijke volksgenoten, over zwoegen voor een minderwaardig loon, over armoe en onrechtvaardige behandeling, over verzoekingen en beproevingen, waar geen doel in ontdekt kan worden, over geloof, dat menigmaal niet in de liefde werkzaam is en geen vruchten draagt, die daarbij passen. Dit laatste doet ons vermoeden, dat wij hier van doen hebben met Christenen, die onder de druk der omstandigheden geestelijk uit het lood geslagen zijn.

Hoe dit ook wezen moge, uit de Handelingen der Apostelen komt aan het licht, dat desondanks velen van hen, die verstrooid waren, zich er niet voor geschaamd hebben het geloof uit te dragen, dat hun door Gods genade geschonken was. Van de ene plaats naar de andere reizend, hebben zij in Palestina „het Woord verkondigd" — het Evangelie gebracht, zoals er eigenlijk staat. Zij zijn verbreiders van het Evangelie van Christus geworden, die getuigenis gaven van wat God hun deelachtig gemaakt had (Hand. 8 vers 4).

Wij moeten er op letten, dat deze Joodse Christenen aanvankelijk alleen maar in het beloofde land dit getuigenis hebben laten horen. In Judea en Samaria. Verderweg trekken was toen nog niet nodig. Naar het buitenland vluchten behoefden zij nog niet. In Palestina zelf waren nog steden en dorpen genoeg, waar zij die veiligheid konden vinden, die zij voor zichzelf, hun vrouwen en kinderen zochten.

Later is dat veranderd. Toen was het noodzakelijk ook nog uit Palestina te gaan. Men trok toen zelfs naar Phoenicië, naar de omgeving van Tyrus en Sidon, naar het eiland Cyprus, en naar Antiochië, de hoofdstad van Syria. (Handelingen 11 vers 19).

Ook in het buitenland hebben deze mensen hun geloof niet verloochend, maar zijn zij als getuigen van Christus opgetreden, en hebben zij het zaad des Evangelies uitgestrooid, in hun eenvoud, als ware discipelen des Heeren, die spreken wilden van de hoop, die in hen was.

Tot wie zij met de boodschap van het Evangelie gekomen zijn, wordt ons nauwkeurig omschreven. Lukas zegt daarvan: „tot niemand het woord sprekende dan alleen tot de Joden" (Hand. 11 vers 19).

Met andere woorden: men meende, dat men slechts tot de Joden mocht komen met het Evangelie der genade Gods in Jezus Christus. Men achtte het ongeoorloofd zich ook tot de heidenen te richten. Dat laat zich goed begrijpen, wanneer wij ons rekenschap geven van de afkomst van deze verstrooiden. Zij waren in het Jodendom opgevoed en onderwezen. En hoewel zij tot het geloof in Christus gekomen waren, niettemin waren nog niet alle Joodse trekken uit hun leven verdwenen. Het Joodse stempel was nog niet geheel en al weggewist. Een mens kan, ook als hij tot het geloof in Christus gekomen is, nog lange tijd veel van zijn vroegere bagage met zich omdragen. Laten wij slechts denken aan wat de zendingsarbeiders in dezen nog constateren moéten bij bekeerde heidenen. Nog nader: laten wij alleen maar zien op onszelf. Dan zal bij waarachtige zelfbeproeving aan de hand van het Woord Gods ook niets anders gezegd kunnen worden dan dat er bij ons nog veel aangetroffen wordt, dat er als vreemde zuurdesem niet gevonden behoorde te worden, maar dat wij toch niet los kunnen laten, omdat wij nu eenmaal daarbij zijn opgevoed en onderwezen. Wat van der jeugd af aan ons is ingeprent, daar worden wij niet op één dag van verlost. Die verlossing, die uitzuivering, kost tijd, soms zélfs heel veel tijd. Tradities hebben vaak een lang bestaan. Ook onjuiste tradities.

Zo hebben wij het ook te zien, wanneer ons gezegd wordt, dat de verstrooide Christenen uit Jeruzalem zich met het Evangelie alleen tot de Joden begeven hebben. Vanaf hun jonge jaren was het hun ingegoten: de Joden zijn Gods uitverkoren volk; voor hen is het heil; God is primair de God van Israël. Vandaar deze handelwijze. Dat er ook een roeping lag ten opzichte van de heidenen, naar het woord dat Christus gesproken had tot Zijn discipelen vlak voor Zijn hemelvaart, werd niet ten volle beseft. Men bleef traditioneel bepaald in zijn spreken van het Woord Gods.

. Maar ook hierin kwam verandering. En wel te Antiochië. Enigen van de verstrooiden, die op hun omzwervingen te Antiochië gekomen waren, zijn er toe overgegaan ook tot de Grieken te spreken. (Hand. 11 vers 20).

In de Staten-Vertaling is dat niet zo in het oog springend als in de Nieuwe Vertaling van het Nederl. Bijbelgenootschap. In de eerstgenoemde vertaling staat, dat zij „spraken tot de Grieksen". Tot de Hellenistische Joden dus. En de Kanttekenaren merken daarbij op: „dat is tot de Joden, die de Griekse taal en overzetting (van het Oude Testament) in hun synagogen gebruikten". Betere handschriften van het Nieuwe Testament hebben hier echter niet „Grieksen" (Hellenistas), doch „Grieken" (Hellenas). En wij doen er goed aan, wanneer wij die betere handschriften volgen.

„De Grieken" is in de Schrift vooreerst een aanduiding voor mensen, die van Griekse afkomst waren, en die wat beschaving en vorming aangaat geheel in de Griekse geest gedrenkt waren. Zij heeft er evenwel ook nog een uitgebreider zin: dan omvat zij allen, die onder de invloed van de Griekse cultuur stonden, en wordt zij een synoniem voor heidenen, als tegenstelling van de ware vereerders van God, van de Joden. „Jood en Griek" — een uitdrukking, die Paulus b.v. ook in Rom. 1 vers 16 neerschrijft  is een typisch Joodse term om de gehele mensheid samen te vatten, die naar de gedachten der Joden van die dagen uit twee groepen bestond: uit degenen die tot het volk des Verbonds behoorden, èn uit de Grieken, d.w.z. de beschaafde heidenen.

Het komt ons voor, dat Lukas in Hand. 11 vers 20 het woord „Grieken" in deze laatste betekenis aangewend heeft: de ballingen uit Jeruzalem hebben zich met het Evangelie in Antiochië óók tot de heidenen begeven. Dat onder die heidenen vele Grieken gerekend moeten worden in de engere zin van het woord, zal wel niet ontkend kunnen worden, als wij ons herinneren, dat Griekse kolonisten een aanzienlijk deel van de bevolking van Antiochië uitmaakten.

Nauwkeurig is ons overgeleverd, welke verstrooiden het geweest zijn, die tot de Grieken gesproken hebben. Ofschoon hun namen niet genoemd worden, wordt ons toch medegedeeld, dat zij van geboorte van het eiland Cyprus en uit Cyrene, de hoofdstad van Lybië in Noord-Afrika kwamen. Als Joden uit de Joodse diaspora, die tot het geloof in Christus gebracht waren, wisten zij van huis uit wat het was om met heidenen om te gaan, en om proselyten te winnen voor de Joodse religie. Deze levenservaring zal hun zeker van pas zijn gekomen bij hun „Evangelisatie-werk" onder de heidenen te Antiochië.

Wat hen er toe gedreven heeft tot de heidenen te gaan, wordt wellicht verklaard door wat Lukas in Hand. 11 vers 1 bericht heeft: het was in de gemeenten bekend geworden, dat ook de heidenen het woord Gods aangenomen hadden. Petrus was door de Heere Zelf naar Cornelius gezonden om te verkondigen, dat een ieder, die in Christus geloofde, ook onder de heidenen, vergeving der zonden ontvangen zou door Zijn naam. Ongetwijfeld was dit ook de verstrooiden ter ore gekomen, en gaf het hun de vrijmoedigheid in de weg die de Heere Zelf Petrus gewezen had, verder te gaan.

De „Cyprische en Cyreneïsche mannen", die tot de Grieken te Antiochië gegaan zijn, hebben hun verkondigd, dat Jezus de Heere is. Daar is de inhoud van hun prediking, van hun getuigenis, mee aangegeven.

„Heere" is een titel, die in het Oude Testament voor God Zelf gebruikt wordt. Deze wordt hier toegepast op Christus Jezus. Hij is de Heere. En dan zullen wij het wel zodanig moeten opvatten, dat in hun verkondiging in sterke mate het woord van Christus heeft doorgeklonken, dat Hem gegeven is alle macht in de hemel en op de aarde. „Heere" (Kyrios) was voor de Grieken uit Antiochië geen vreemde klank. Sommigen hunner spraken zelfs de keizer met deze titel aan. Anderen kenden hem in hun godsdienstige samenkomsten ter ere van allerlei goden. Maar door de prediking van die eenvoudige Christenen uit Cyprus en Cyrene leerden zij verstaan, dat er maar één Heere was: Jezus, de Christus.

Deze prediking is niet ongezegend gebleven. De Heere Zelf zorgde voor de wasdom. Velen kwamen tot geloof en tot bekering. En zo ontstond er een gemeente des Heeren te Antiochië, waartoe vele heidenen behoorden.

En wat dit laatste betreft: op dit punt was Antiochië een gemeente van gans andere structuur dan die van Jeruzalem. In Jeruzalem waren het grotendeels bekeerde Joden, in Antiochië echter bekeerde heidenen, die tot de gemeenschap met Christus Jezus getrokken waren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OOK TOT DE GRIEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's