THEORIE EN PRAKTIJK
Aan de grens van het voormalige eiland Hoeksewaard ligt tussen vruchtbare polders en uitgestrekte velden het welvarende dorp Strijen. In de zomer van 1960 werd er op dat dorp in het gezin van de fam. Van Dalen een kindje geboren. Er heerste vreugde in het gezin om het geschenk van een welgeschapen zoon; doch over de wieg van het knaapje viel, helaas, de schaduw van zijn vader. Al in zijn prille jeugd moest de jonggeborene de gevolgen dragen van zijns vaders reputatie. Het jongetje is dan ook tot op heden niet gedoopt. Neen, de vader is geen dief of moordenaar. Hij zit niet in de gevangenis, omdat hij één of andere misdaad heeft gepleegd. Het is veel erger: hij is bestuurslid van de afdeling van de Gereformeerde Bond op het dorp. Ook treedt hij op als concierge van het gebouw, waarin iedere zondag tweemaal gepreekt wordt door gereformeerdebondspredikanten. De kerkeraad der hervormde gemeente weigerde hem toestemming zijn kind elders te laten dopen. Tegen deze beslissing van de kerkeraad werd beroep aangetekend bij de Provinciale Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Maar dit leverde evenmin een gunstig resultaat op als het daarna ingestelde hoger beroep bij de Generale Commissie. Hieronder volgt het trieste verhaal.
Een bladzijde uit de rechtspraak der Nederlandse Hervormde Kerk.
De heer Van Dalen richtte zich op 21 juli 1960 schriftelijk tot de kerkeraad van zijn gemeente. Hij verzocht toestemming zijn jongste te mogen laten dopen in de Hervormde Gemeente te Dordrecht. Na korte tijd, op 1 augustus, kwam het antwoord. De wijkkerkeraad, onder voorzitterschap van ds. A. Corbijn van Willenswaard, besloot geen doopconsent te verlenen. De vrager had ook andere plannen geopperd voor het geval de kerkeraad bezwaar had tegen het verlenen van doopconsent. Het sacrament kon b.v. bediend worden door een predikant van de modaliteit van de Geref. Bond in de dorpskerk. Hierover zou op de eerstvolgende vergadering van de Centrale Kerkeraad worden gesproken, luidde de mededeling. Terzijde zij opgemerkt, dat de kerkeraad nimmer bericht zond van enig besluit, dat over laatstgenoemde aangelegenheid is genomen.
Het gezin Van Dalen had voor de doop van een ouder kind reeds een beroep gedaan op de Prov. Commissie voor bezwaren en geschillen. Dit verweer had destijds niet tot het gewenste resultaat geleid. Men had toen dat kind maar in eigen gemeente ten doop gehouden. Hiervoor voelden de ouders echter nu niet meer. Thans onthielden zij zich van iedere actie. Korte tijd later lazen zij „Het Pastoraal Advies inzake de Heilige Doop", dat de Generale Synode rondzond (aanvaard op 9 februari 1960). Hierin komt de volgende passage voor:
Als regel behoort de doop in de eigen plaatselijke gemeente te geschieden. Voor bepaalde gezinnen kunnen er redenen zijn van modaliteitsverschil of redenen van particuliere aard, waardoor men de voorkeur geeft aan een doopsbediening elders. De Kerkeraad ga zo ver mogelijk in de erkenning van deze beweegredenen en weigere een consent alleen, wanneer hij ook in eigen gemeente het gezin niet tot de Doop zou willen toelaten. Het bezoeken van de diensten in een andere gemeente of van andere modaliteit mag zeker onderwerp van pastoraal gesprek zijn, maar niet motief tot weigering van een consent. Men wordt gedoopt in een Hervormde gemeente en daardoor dooplid van de Nederlandse Hervormde Kerk in haar geheel.
De Synode adviseert dus de kerkeraden in een geval als dat van het gezin Van Dalen geen doopconsent te weigeren. Men wilde de kleine wel in Strijen tot de Doop toelaten, dus moest men consent verlenen voor de bediening van het sacrament in een andere gemeente. De hierboven afgedrukte zinnen laten hieromtrent aan duidelijkheid niets te wensen over. Vandaar dat de heer Van Dalen op 17 januari 1961 andermaal een verzoek om doopconsent bij de kerkeraad indiende; hij verwees daarbij naar de raad, die de Synode gegeven had. Vier dagen later kwam het antwoord: geen consent! De vader was van mening, dat de kerkeraad in strijd met het advies van de Synode handelde. Daarom ging hij tegen het kerkeraadsbesluit in beroep bij de Prov. Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Deze commissie deed op 10 juli uitspraak. Zij oordeelde, dat de klager onontvankelijk was in zijn beroep, omdat hij tegen de eerste weigering van de kerkeraad niet tijdig bezwaar had aangetekend. Het beroep op het Synodale Advies wees de commissie van de hand. Zij baseerde deze beslissing op de kerkorde, die in Ordinantie 8 de doop in eigen gemeente als regel stelt. Het geciteerde Pastorale Advies leidde, volgens haar, in dit geval niet tot een andere conclusie.
Zonder nog in te gaan op deze overwegingen vervolgen wij ons verhaal. De heer Van Dalen besloot tegen deze beslissing in hoger beroep te gaan bij de Generale Commissie voor bezwaren en. geschillen. De uitspraak kwam op 11 december j.l. In tegenstelling tot het bovenvermelde besluit kreeg nu de klager gelijk wat betreft de tijd, waarop het beroep was ingesteld. Maar de commissie achtte het bezwaarschrift ongegrond. Zij is van oordeel, dat het Synodale Advies niet kan inhouden, dat daarmee aan de kerkeraden een bepaald advies zonder meer wordt voorgeschreven.
Intussen had zich in de andere wijkgemeente van Strijen een dergelijk geval voorgedaan in het gezin Van Vliet. Ook deze vader is bestuurslid van de afdeling van de Geref. Bond. Hij bewandelde dezelfde weg. De argumenten lopen dermate weinig uiteen, dat we eenvoudig van twee parallelle gevallen kunnen spreken. Andere ouders, die ook de gereformeerdebondsbeurten bezoeken, zagen het geworstel aan. Zij lieten met een bezwaard gemoed hun kinderen in de dorpskerk dopen. De kerkeraad maakte hiertegen geen bezwaar. Tegelijkertijd betuigde echter een twaalftal jonge gezinnen adhaesie aan de door beide genoemde vaders ingediende bezwaarschriften.
Naar aanleiding van de hier gesignaleerde doopspraktijk in de Nederl. Herv. Kerk willen wij enkele opmerkingen maken. Allereerst de vraag:
Welke betekenis heeft het Synodale Advies inzake de Doop ?
In het algemeen is het zó, dat men een advies geeft met de bedoeling, dat het opgevolgd zal worden. Van dit standpunt zal ook onze Synode wel uitgaan. Intussen is er enig verschil tussen de bepalingen in de Ordinantie over de Doop en het bedoelde Advies. De kerkorde wekt de indruk, dat de kinderen in de regel gedoopt moeten worden in de gemeente, waarin de ouders woonachtig zijn. Wij moeten er evenwel aan toevoegen, dat deze regel niet uitdrukkelijk is opgenomen in de Ordinantie, wèl in het Advies. De betreffende artikelen van de Ordinantie voor de bediening van de H. Doop luiden als volgt:
Kinderen, tot een andere (wijk)gemeente der Hervormde Kerk behorende, worden niet gedoopt, dan nadat door de ouders of verzorgers van dat kind aan de kerkeraad de schriftelijke toestemming van de kerkeraad der andere gemeente is overgelegd. Verzuimt de kerkeraad deze schriftelijke toestemming binnen twee weken af te geven, dan wordt deze kerkeraad geacht zijn toestemming te hebben gegeven. Weigert de kerkeraad de toestemming te verlenen — welke weigering, schriftelijk met redenen omkleed en binnen veertien dagen gemeld moet zijn aan de ouders of verzorgers van het kind en aan de kerkeraad der gemeente, waar de bediening van de Doop begeerd wordt — dan kunnen de ouders of verzorgers van het kind zich beroepen op de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen. (Ord. 8, art. 2, sub 5, 6 en 7.)
Er wordt in de kerkorde bij de behandeling van deze kwestie (uiteraard) niet over modaliteiten gesproken. Bij de kerkeraden kunnen er dus vragen ontstaan: moet men om verschillen van theologische aard doopconsent verlenen, ja of neen? De Synode heeft op deze vraag niet willen antwoorden door hieromtrent een artikel in de kerkorde op te nemen. Hij heeft zich beperkt tot een pastoraal advies. Hiertoe zal wel de overweging hebben bijgedragen, dat het een uitermate moeilijke en delicate zaak betreft, waarin niet altijd door een wetsartikel de juiste handelwijze is voor te schrijven. Inmiddels raadt de Synode nu aan: „Weigert om modaliteitsverschil geen consent voor het dopen van een kind in een andere gemeente. Weigert alleen, wanneer ge het kind in eigen gemeente ook niet tot de doop zoudt willen toelaten. Wie iets afweet van de doopspraktijk der Hervormde gemeenten, is ervan op de hoogte, dat zulk een weigering een hoge, hoge uitzondering is. De doop zal, in het algemeen slechts geweigerd worden, als er duidelijk aanwijsbare (meest zedelijke) misstanden in het gezin voorkomen. Derhalve is de betekenis van het Synodale Advies: weigert nagenoeg nooit een consent om modaliteitsverschillen. De Prov. Commissie in Zuid-Holland en de Generale (dus landelijke) Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen delen dit standpunt niet. Zij stelden de kerkeraad van Strijen, die het advies van de Synode negeert, in het gelijk.
Wat zijn de motieven van de kerkeraad?
Om te weten welke motieven de kerkeraad bij zijn weigering leidden, bezochten wij de twee Strijense predikanten, ds. A. Corbijn van Willenswaard en ds. C. Boogaard, die beide zo welwillend waren ons te woord te staan. Laatstgenoemde acht het advies van de Synode gevaarlijk, gezien de moeilijkheden, welke zich in gemeenten met minderheidsgroepen voordoen. Ds. Corbijn vraagt zich daarbij af, welke bijbelse argumenten de Synode voor het gegeven advies te berde zou kunnen brengen. Men ziet het aanvragen van een doopconsent om modaliteitsredenen als een manouvre in de kerkelijke strijd, die al enkele jaren in Strijen woedt. Wanneer iemand, aldus ds. B., een doopconsent aanvraagt, doet hij dit, omdat naar zijn mening de prediking in Strijen niet naar Schrift en belijdenis gebracht wordt. Een inwilliging van dit verzoek zou gelijk staan met het zichzelf uitreiken van een acte van onrechtzinnigheid. Bovendien zou in het dorp de indruk gewekt worden, dat de minderheidsgroep aan de winnende hand is en gelijk heeft. Om particuliere redenen wordt wel een doopconsent gegeven. Men staat b.v. toe, dat een kind gedoopt wordt op de plaats, waar de grootouders wonen. Ook maakt men geen bezwaar, wanneer de ouders bevriend zijn met een predikant van een andere gemeente. Men wenst echter geen toestemming te verlenen om modaliteitsredenen; dan wordt de doop te veel gebonden aan de persoon van de predikant, volgens de Strijense dominees. Wij stelden de vraag, of men niet meent, dat er van soepelheid meer goeds te verwachten is dan van een starre weigering. Maar ds. B. veronderstelde, dat er voor toenadering eerst een basis van vertrouwen moet bestaan, wil toegeeflijkheid gunstig werken. Als er geen vertrouwen in de kerkeraad aanwezig is, ziet een minderheidsgroep de verlening van doopconsent als een overwinning. Ds. C. wil door de weigering de eenheid der gemeente uitdrukken: deze mensen horen er ook bij. Zij moeten niet weglopen om hun kinderen elders te laten dopen. Juist rondom het sacrament kan zich de eenheid der gemeente op krachtige wijze manifesteren, vindt hij.
Niet erg overtuigend.
In mijn oren klonk de uiteenzetting van het standpunt, dat de kerkeraad inneemt, niet erg overtuigend. De moeilijkheden ter plaatse zijn daarbij geheel op de achtergrond gebleven en de doopgevallen worden op zichzelf beschouwd. Immers ook volgens de plaatselijke predikanten vormt Strijen niet een heel bijzonder geval. Kortheidshalve plaatsen we slechts de volgende aantekeningen:
1. Wanneer men de doop wel elders laat toedienen, omdat de ouders de predikant kennen, of omdat de grootouders het prettig vinden — wordt dan de doop niet gebonden aan de persoon van een bepaalde predikant? Banden van geestverwantschap moeten gewichtiger geacht worden dan die van bloedverwantschap of vriendschap.
2. Men kan de gemeente niet als eenheid verzamelen rondom het sacrament, wanneer de samenbinding door de bediening van het Woord ontbreekt.
3. Tenslotte zal een kerkeraad er goed aan doen niet alles te bekijken vanuit het gezichtspunt van strijd en moeilijkheden in de gemeente.
In elk geval blijkt uit de wijze, waarop het Pastoraal Advies ter sprake komt, dat er misverstanden aangaande dit herderlijk schrijven van de Synode zijn ontstaan.
Hoe denken de klagers zelf?
Het is ons gebleken, dat de ouders niet onbewogen zijn onder de moeilijkheden over de doop van hun kinderen. Zij hopen nog steeds op een wending in de ontstane droeve situatie en bidden daarom. De minderheidsgroep heeft toepassing van art. 235 van de Overgangsbepalingen aangevraagd. Nu ziet men uit naar een spoedige oplossing, die het mogelijk zal maken, dat de doop aan hun kinderen wordt toegediend. In tal van jonge gezinnen in Strijen slaat men de ontwikkeling met bezorgdheid en stille hoop gade. Vele ouders zuchten onder hetzelfde probleem. Onder de dwang der omstandigheden besluiten sommigen dan maar de kinderen op het dorp te laten dopen. Dat er op die manier geen toenadering tussen minderheidsgroep en kerkeraad wordt bereikt, is duidelijk.
Conclusie.
Gezien de verwarring met betrekking tot het verlenen van doopconsent om modaliteitsredenen vragen wij ons twee dingen af:
1e. Is de Generale Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, waarin o.a. vier rechtsgeleerden en twee predikanten zitting hebben, het geschikte lichaam om over vragen aangaande doopconsent te beslissen? Ziet de commissie de dingen niet te veel juridisch en te weinig theologisch-pastoraal?
2e. Wordt het niet hoog tijd, dat de Generale Synode der Nederl. Herv. Kerk meer gaat doen op dit terrein dan adviseren? Moet hij niet aan de diverse commissies duidelijke richtlijnen voor de rechtspraak verschaffen? Zo alleen kan ervoor gezorgd worden, dat de te nemen beslissingen in overeenstemming zijn met de kerkelijke adviezen. *)
(Rotterdam-Delfshaven)
H. Goedhart.
*) Aan de Synode is een afschrift van dit artikel gezonden met een begeleidend schrijven, waarin erop wordt aangedrongen, dat in de rechtspraak over de dooppraktijk éénheid gebracht wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's