Meditatie
Volkomen hopen!
Hoopt volkomen op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. 1 Petrus 1 : 13 b.
Elk jaar brengt ons dichter bij de toer komst; ook bij de toekomst van de Zoon des mensen. Daarom zijn Gods kinderen blij, dat er weer een nieuw jaar begint, waarin het grote perspectief geopend is: de genade, die hun toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. Op die machtige genade hopen zij; althans: zij ontvangen het bevel daarop te hopen, volkomen. Dat is een totaal andere hoop, dan waar de wereld in leeft. De hoop van de vreemdeling in deze wereld op de genade van de laatste toekomst verhoudt zich tot de hoop der wereld op de naaste toekomst als het leven tot de dood. Met al haar idealen komt de wereld teleurgesteld en bedrogen uit, want haar hoop is dood, en is niet gegrond in de levenstriumf van de Heere Jezus Christus.
Het bevel om te hopen op de onvoorstelbare gunst, die ten deel valt, als Christus wederkomt, is dan ook zeker niet gericht tot allen, die het liever beter krijgen, dan zij het hebben. Met name adresseert Petrus zijn brief aan de vreemdelingen, de verstrooiden, die om hun armzalig lot niet door de apostel beklaagd worden, maar ten aanzien van wie Petrus zingt over de levende hoop, die hen het hoofd omhoog doet heffen. Voor deze mensen ligt de schone erfenis klaar, gewaarborgd in de opstanding van Christus. Een machtige toekomst wacht hen. Die wordt voor hen bewaard, en zij worden tot die toekomst bewaakt door God Zelf. Nu, als de zaken zo staan, dan is er ook wel reden om te hopen. Door God bewaard in de hemel, en door God bewaakt op aarde. Zo is het gesteld met de erfenis, èn met de erfgenamen. Op aarde is er weinig te hopen. Vreemdeling zijn valt niet mee. Dat brengt smaad en verachting met zich mee, kruis en droefheid, beproeving en leed. Niet voor niets wil de apostel deze mensen bemoedigen. Zij hebben het echt wel nodig. Want hier zal het nooit beter voor hen, worden, eerder slechter. In dit duistere heden komt echter de lichtende genade in de verschijning van Jezus Christus op hen toe. En daarop mogen deze zwervers hopen. Zij mogen niet tevreden zijn met wat in het verleden is geschied, al was dat nog zo rijk. Want zij zijn verlost uit hun ijdele wandel door het kostbare bloed van Christus. Hun schuld is verzoend, en de Heilige Geest is hun verworven. In het donkere heden genieten zij van die ontvangen rijkdom, en daarom verheugen zij zich met een heerlijke vreugde. Maar tóch: de toekomst zal nog schoner zijn. Hóe schoon is niet te zeggen. Het is nog niet geopenbaard, wat zij straks zullen zijn, want Christus is nog niet geopenbaard. Dat ligt nog in het verschiet, als het verhoogde Lam Gods, in Wiens handen het verzegelde boek van Gods raad ligt, verschijnen zal, omluisterd met de hoogste glans. Nu is dat nog niet te zien. Zelfs schijnt het tegendeel soms waar te zijn, alsof Hem geen heerlijkheid gegeven is, zodat het geloof en de hoop op Hèm vergeefs schijnen. Maar die schijn bedriegt, want Zijn glorie blijft niet altijd verborgen. Hij wordt geopenbaard! Dan zal ieder Zijn heerlijkheid zien, tot ontzetting van allen, die op deze wereld thuis zijn, en die Hem daarom ook niet verwachten; die wellicht naar een betere toekomst uitzien, maar niet naar Hèm; tot eeuwige vreugde van allen, die hier geen vaderland hebben, maar die op weg zijn naar het betere en hemelse vaderland. Want hun blijdschap zal dan onbepaald, door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen.
Wanneer Christus verschijnt, ontvangen de pelgrims iets, wat zij nu nog missen, maar waar hun hart naar uitgaat, en waar zij op aan leven. Hun zal genade worden toegebracht, als Jezus er is. Dat wil niet zeggen, dat zij nu geen genade hebben. Integendeel, héél hun leven is ervan vervuld. Hun wedergeboren-zijn tot de levende hoop, hun vreemdelingschap, hun bewaring in de kracht Gods, hun beproeving, het is alles genade. Maar op de dag van Christus, als Hij verschijnt, zullen zij de króón der genade ontvangen, die alles overtreft. Als de laatste pelgrim de grens van het hemelse vaderland bereikt, zal die kroon op hun hoofd gezet worden. Dan zullen de vreemden op aarde delen in het volle bezit van de rijke, onvergankelijke erfenis. Dan zal het goede werk Gods, dat hier begon, voleindigd worden. Dat zal zijn de dag van Jezus Christus! Naar die dag ziet de kerk in hemel en op aarde in reikhalzend verlangen uit. Dan zal ook het moede lichaam voor eeuwig onttrokken zijn aan de macht van de dood. Dan is er geen verdrukking en beproeving meer. Dan zal er voor de vreemden alleen maar zijn lof en eer en heerlijkheid. Elke herinnering aan de vreemdelingschap is dan verdwenen. Dan zullen Gods kinderen Jezus gelijk zijn. Dan zullen zij Hem zien, zoals Hij is. Zal dat vooruitzicht geen goede moed geven om het moede hoofd, dat straks de eerkroon dragen zal, op te heffen? Zal die levende hoop niet sterken om vreemdelingen te zijn? Ja, zo alleen kunnen wij de loopbaan voleindigen, en daarin voortgaan, ook dit nieuw-begonnen jaar.
Zonder dit uitzicht zijn wij arm, en hebben wij geen hoop. Al stellen wij onze verwachtingen op wie en wat ook, indien wij geen vreemdeling zijn op aarde, gaat onze hoop niet verder, dan de dood. Zij blijft achter in het graf. Dan is onze toekomst somber en angstig, en weinig hoopvol gestemd. Dan kan het nieuwe jaar ons meer beangstigen, dan blij maken. Is die hoop op Christus(!) levend, zo is de pelgrimstocht een blijde reis. Levend hopen doet hopend leven. Daarom vermaant Petrus dan ook volkomen op de toekomstige genade te hopen. En die opwekking is niet overbodig, want wij zijn altijd geneigd deze hoop in een zweetdoek te begraven. Dan is de christenreis moeilijk en zwaar. Dan is de verwachting gedoofd. Dan leven wij van het ene jaar in het andere, terwijl wij er het beste van hopen. Maar dan leven wij niet in een heilige nuchterheid aan op de toekomstige genade, die voor de vreemdelingen hoe langer, hoe meer in zicht komt, en die elk jaar dichterbij gebracht wordt.
Het is goed bij het wisselen der tijden deze apostolische vermaning ter harte te nemen. Het reiskleed mag niet afgelegd worden, zolang het reisdoel niet bereikt is. Pelgrims hebben voort te gaan, het kleed omgord, opgebonden. Anders zullen zij struikelen, en missen zij de vastheid in hun levensgang. Er zijn genoeg dingen in de vreemdelingschap, die de aandacht afleiden van de kroon der genade. Daardoor vergeten zij omhoog te zien, en worden zij bedwelmd door wat de wereld te zien geeft. En dat maakt alleen maar angstig.
Het is de vraag, hoe wij het nieuwe jaar zijn ingegaan. Wat verwachten wij ervan? Zal 't een jaar van geestelijke bedwelming zijn, waarin wij voortslapen in de zonde, geen hoop hebbend, en zonder God in de wereld? Waar is onze hoop op gericht? Zal het goed zijn, als Christus dit jaar verschijnt? Vervult die gedachte u met vreugde of met schrik? Steeds meer worden wij door het wereldgebeuren opgeroepen te denken aan de verschijning van de Heere Jezus Christus. Hij komt om de aarde te richten. Bent u daar blij om? Dan kunt ge uw vreemdelingschap dragen, en u oefenend in de goede strijd sterven aan uw aardse verwachtingen, om volkomen uit te zien naar de genade, die u toegebracht zal worden, als uw Koning komt.
Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen; De Heer' zij eeuwig lof, en elk zegg' Amen, Amen!
(Ede)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's