HET GESCHREVEN WOORD
Wij willen een poging wagen enkele misverstanden uit de weg te ruimen, die de gelovige onderwerping aan het gezag der Heilige Schrift bij velen, die tot de kennis van Christus nog niet gevorderd zijn, in de weg schijnen te. staan. Middelerwijl is dit voor een niet gering deel te wijten aan de ontwikkeling van de zogenaamde Bijbelwetenschap, in het bijzonder van het kritisch Schriftonderzoek of de Schriftkritiek.
Hoewel deze wetenschap uit haar aard niet populair kan zijn, omdat zij zeer hoge eisen stelt aan de kennis van vreemde talen, oudheidkunde en historie, heeft zij toch een machtig aandeel genomen in de gedurende de laatste generaties toenemende vervreemding van de Heilige Schrift. Zij is namelijk wegens haar methode, onverschillig of zij die grammatisch-historisch, wijsgerig of anders gericht filologisch noemde en welke variaties zich daarbij maar voordoen, begonnen met de Heilige Schrift als een verzameling joodse en oud-christelijke litteratuurproducten te beschouwen en haar uitzonderlijk goddelijk gezag op zij te zetten. De Schrift werd overigens op één lijn gesteld met de heilige boeken der volkeren. Men moet zich er altoos over verwonderen, dat ook mannen, die zich gaarne onder gelovige christenen gerekend zagen, hebben medegewerkt aan een behandeling van de Heilige Schrift, welke geen ernst maakte met het getuigenis van onze hoogste Profeet en Leraar, die haar sprekende van de Schrift als één organisch geheel stempelt. Bovendien zegt Hij, dat zij niet kan gebroken worden. Hij betitelt haar als het Woord, dat uit de mond Gods uitgaat, en Hij wil aan haar klaar en duidelijk goddelijk gezag toegekend zien, blijkens de wijze, waarop Hij zelf de Schrift eert, als Hij zegt: „Daar staat geschreven"
(Lukas 4 : 4, 8).
De onderstelling dringt zich op, dat deze mannen ook niet diep onder de indruk kunnen zijn van de Godheid van Christus. Immers, wie in de Christus, die ons in de Schrift wordt voorgesteld, de Zoon des Allerhoogsten ontdekt heeft, hetgeen slechts door de openbaring van Christus zelf in ons leven mogelijk is, die moet ook oog voor het goddelijk Woord in de Schrift hebben gekregen. Dit is namelijk één en dezelfde weg, want Christus openbaart zich door het Woord, omdat Hij het Woord zelf is. Het Woord, de Schrift, is ook hetzelfde Woord, waardoor Hij zich in Israël heeft geopenbaard.
De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd, dat zij geen identiteit ontdekken in het Woord, waardoor God zich op verscheidene wijze sprekend en handelend in Israël heeft geopenbaard, het vleesgeworden Woord en het geschreven getuigenis.
De kritische theologen, want op die titel theologen stellen zij prijs, tegenover de filologen van het vak zien niet zelden uit de hoogte neer op de eenvoudigen, die de Schrift als Gods Woord ontvangen, ja, willen het zelfs doen voorkomen, alsof zij met hun beschouwingen de Schrift meer en beter eren dan die eenvoudige zielen. Deze mensen worden gesmaad als letterknechten en vereerders van een boekreligie. Zij echter behoorden te luisteren naar de God der Schriften, die waarschuwt: „Oordeelt niet, want waarin gij een ander oordeelt, oordeelt gij uzelf" (Matth. 7 : 1). Immers, wie staan in de wereld dichter bij letterknechterij en boekverering dan de beoefenaars der letteren?
Zij die zich over deze dingen beklagen, moeten evenwel niet vergeten, dat de taalgeleerdheid de Heilige Schrift niet tot object van wetenschappelijk onderzoek kan maken in haar geestelijke kwaliteit van Gods Woord en orgaan der Godsopenbaring. Dat ligt buiten competentie van iedere wetenschap, zelfs van de theologie. Gods Woord onttrekt zich in zijn wezen en werking aan alle menselijke kritiek. Dat is trouwens niet met het geschreven Woord zo, dit is ook zo met alle werken Gods, met het scheppende Woord evenzeer als met het openbarende. De schepselmatige gestalte, waarin de werken Gods tot ons komen, kunnen we naar onze schepselmatige maatstaven beoordelen, maar het eigenlijke gebeuren, het goddelijke in het scheppend en openbarend gebeuren, valt ten enenmale buiten het gewone menselijk wetenschappelijke experiment. Het is rein geestelijk van aard en kan ook alleen geestelijk worden ontdekt en gekend; d.w.z. door het geloof. Wij ontvangen de Heilige Schrift als Gods Woord door het geloof. Theologie is geen controle op het geloof, en geen controle op de Heilige Schrift. Zij kan niet anders zijn, als ze zich zelf getrouw wil blijven, dan wetenschappelijke bearbeiding van de geloofsgegevens, in het licht der Heilige Schrift, waarbij het geloof der Christelijke Kerk, dat de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangt haar axioma bepaalt.
Aan het goddelijk Woord ontdekt te worden, zowel in de schepping als in de Schrift, is een gave Gods. Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid (Hebr. 11:3). De psychische mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Cor. 2 : 14).
De vervreemdende factoren zijn echter ook van uit de hoek der natuurwetenschappen en niet het minst vanuit de natuurfilosofie opgetreden. Ze zijn niet alleen maar ingeslopen in de kringen van kerkelijk geloof, maar de voorbeelden ontbreken niet van brutaal bombardement op het heiligdom.
Ruim een eeuw geleden kwam het hoofdwerk van Charles Robert Darwin (1809-1882). „Over het ontstaan der soorten door middel van natuurlijke selectie", uit. Men heeft daaraan ruimschoots aandacht geschonken.
Slechts zeer ten dele is het te verdedigen, dat de geleidelijke tot snelle afval van het Christelijk geloof, welke kenmerkend is voor de twintigste eeuw, oorzaak zou vinden in traditioneel-christelijke opvattingen omtrent de ouderdom der aarde, het constant karakter der soorten, en dergelijke, alsof die afval voorkomen had kunnen worden, indien de christenheid de nieuwe biologische gedachtegangen op de voet zouden hebben gevolgd om niet te zeggen aangehangen.
Ik wil niet ontkennen, dat gegeven de concrete situatie omstreeks de wending van de negentiende en de twintigste eeuw van een tegenstelling in die zin kan gesproken worden, wellicht zelfs van een crisistoestand, maar de wortels van zulk een crisis gaan veel dieper terug in de historie en komen op uit de kiemen van een conflict van onverzoenbare tegenstellingen in de diepste schachten van het leven. De geschiedenis van de ontwikkeling van de moderne cultuur kan de gestadige openbaring en toespitsing van de innerlijke controversen illustreren.
Maar daarom liggen deze dingen ook niet zo simpel als sommigen willen voorstellen. Wij geven gaarne toe, dat de mensheid tot op de ontdekkingen, die andere voorstellingen brachten aangaande de ouderdom van de aarde en van ons geslacht, en tot andere gedachten betreffende het wetenschappelijk-wijsgerig wereldbeeld leiden, omtrent een en ander tradities heeft gehuldigd, die de moderne mens heeft prijsgegeven. Ook willen wij geenszins de christelijke invloed op die tradities ontkennen of verkleinen, doch men mag niet over het hoofd zien, dat het traditionele wereldbeeld ook de erfenis der grijze oudheid buiten Het christendom in zich meedraagt en door wijsgerig inzicht van lang verleden geslachten mede werd bepaald.
Trouwens heel de kwestie van het zogenaamde wereldbeeld wordt schromelijk overdreven en verkeerd gesteld. Zo moeten wij ten zeerste bezwaar maken tegen de veeltijds gehuldigde voorstelling, als of er sprake kon zijn van een, dus gekwalificeerd, schriftuurlijk wereldbeeld, dat verouderd zou zijn, en intussen als argument tegen het door het christelijk geloof omhelsde en geëerbiedigde gezag der Schrift wordt gelanceerd. Het is waarlijk niet moeilijk daaromtrent tal van voorbeelden te noemen, zoals ieder weet, die enigermate op de hoogte met de betreffende litteratuur. In sommige kringen is dit zonder meer een soort van dogma geworden.
Prof. Lever heeft echter gelijk, 'als hij wil aantonen, dat verschillende voorstellingen, welke door de „Christelijke" traditie aan het z.g. wereldbeeld worden toegevoegd, als de ouderdom der aarde e.a., niet als gegevens der openbaring mogen worden aangemerkt, doch slechts meningen vertegenwoordigen. (Honderd jaar Darwin. „Trouw" d.d. 24-11-'59). Dat komt ons zeer juist voor en verdient door critici, die het door ons gewraakte argument hanteren, ter harte te worden genomen.
In de eerste plaats ligt aan het wereldbeeld in alle tijden de gewone alledaagse . verschijning van de wereld ten grondslag, met andere woorden: de wereld, zoals wij die zien. Zó hebben alle geslachten der aarde de wereld gezien; uit dit gezichtsbeeld hebben zij gesproken van zonsopgang en zonsondergang en dat doen wij nog zonder onderscheid. Dat is de wereld, waarin wij leven en ons bewegen. In diezelfde wereld leefden ook de profeten van het Oude Testament.
De menselijke geest blijft intussen bij de zeg „spontaan" gegeven voorstelling niet staan. Hij vraagt naar het vanwaar, waarheen, waarom en het hoe. Hij wil het innerlijk verband, beweging en verhouding doorgronden. Waar komt die zon vandaan, waar is zij als ze voor ons oog in het westen verdwenen is en hoe komt ze in het oosten weer terug? Wat is er onder de bodem, waarop wij leven? En vraag nu maar verder.
In het begin blijft het bij gissen en menen en wanneer dit plaats maakt voor vermoeden en weten, breidt het gebied van gissen en menen zich in gelijke mate uit.
Zo ontstaat om het gezichtsbeeld der wereld, een sfeer van deels wetenschappelijke, deels wijsgerige begrippen omtrent het geschieden in die wereld. Aanvankelijk sluiten deze begrippen nauw aan bij het gezichtsbeeld en worden deze door psychische gevoelens en bewegingen gericht, om niet te zeggen geïnspireerd, zoals de idee van de onderwereld met de daaraan verbonden somberheid. In tegenstelling daarmede wordt licht, blijdschap, vreugde met boven vereenzelvigd. Deze psychische intensie is even algemeen menselijk als het alledaagse wereldaspect.
De bewering echter, dat de Schrift een bepaalde, al of niet verouderde theorie op sterrekundig gebied zou leren, is ten enenmale absurd. De Schrift beweegt zich in het algemeen menselijke wereldbeeld naar de alledaagse voorstelling.
In die voorstelling spreekt God de mens aan als de Schepper van hemel en aarde, die alle dingen regeert. Weliswaar is die aanspraak niet voor een iegelijk even klaar en duidelijk als voor het profetisch verlichte hart, doch een zeker besef van de eeuwige kracht en goddelijkheid is krachtens een openbarende daad Gods algemeen (Rom. 1 : 18vv.).
Het zoeven gememoreerde feit bepaalt ons bij een getuigenis der Heilige Schrift, dat uitermate gewichtig is voor de natuurwetenschap en voor alle menselijke wetenschap, namelijk dat God de wereld heeft geschapen met alles, wat er in is. Door de eeuwen heen, maar in zonderheid in de moderne cultuursituatie, heeft dit getuigenis der Godsopenbaring scheiding gemaakt tussen Schriftgeloof en filosofisch geloof of, anders uitgedrukt, de levens- en de wereldbeschouwing van een naturalistische geest. De hier in het geding zijnde controversen liggen niet op het terrein der wetenschap in eigenlijke zin, niet op het terrein der kennis, maar in het gebied der vooronderstellingen en beschouwingen. Het zijn met name de voor- en na-wetenschappelijke beschouwingen, die uiting geven aan het conflict, het conflict ook tot op zekere hoogte veroorzaken, maar de zaken liggen dieper. In de grond der zaak staan wij hier voor de de ganse wereldgeschiedenis kenmerkende antithese tussen geloof in de God der openbaring en ongeloof.
Niet slechts de erkenning van de openbaring, die leert dat God de wereld heeft geschapen, namelijk de God van de Bijbel, maar het geloof aan God de Schepper en meer nog het geloof in Hem, die zich in Christus ook als de Verlosser heeft geopenbaard, zullen zich respectievelijk in relatief meer dringende mate verzetten tegen theorieën en opvattingen, welke met de schepping Gods en de eer van Zijn Naam in strijd zijn, als bijvoorbeeld de identificering van natuur en God, van de menselijke en de goddelijke rede, de leer van de autonomie van de mens en dergelijke.
Van de antithese tussen geloof en ongeloof willen zij, die zich het verste van de erkenning der Godsopenbaring en haar consequenties verwijderd houden, niet weten. Ondanks echter de van rechts tot links over de gehele linie gangbare opmerking, dat de Bijbel geen handboek voor natuurwetenschap, historie of enige andere wetenschap bedoelt te zijn, kan niemand met recht weerspreken dat de Heilige Schrift de ganse wereldgeschiedenis en haar voleindiging plaatst in het teken van deze antithese, die ook de beoefenaars der wetenschappen in twee kampen verdeelt.
Hoe meer exact de kennis van enige wetenschap mag zijn, hoe minder de genoemde scheiding door de kennis wordt bepaald. Daarom gaat de crisis in feite buiten de kennis, en zeker buiten de exacte natuurkennis om.
Immers niet de kennis der verschijnselen maar hun verklaring brengt reeds verschil van opinie onder haar beoefenaars, laat staan de beantwoording van de het ganse object ener wetenschap omvattende vragen aangaande oorsprong, wezen en bestemming der dingen. Denken wij nu maar, om een andere wetenschap te noemen, aan de kennis der historie. Van welk een overheersend belang zijn ook hier de algemene beschouwingen aangaande de oorsprong, het wezen en de bestemming van al het geschieden.
Laten wij ook niet voorbij zien, dat er wetenschappen zijn, die in de Heilige Schrift haar enige bron hebben, zoals de theologie in eigenlijke zin en de kennis der religie, maar ook de psychologie mist haar voornaamste bron, indien zij de Schrift negeert. En wat fundament blijft er over voor de sociologie, wanneer zij voorbijgaat aan de machtigste sociale factor, de religie?
Al is het volkomen waar, dat de Heilige Schrift geen wetenschappelijk, zelfs geen theologisch handboek is, zo ligt daar toch een verband tussen het geloof en de wetenschap, hetwelk haar beoefenaar slechts tot schade van hemzelf en van zijn arbeid kan veronachtzamen of negeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's