DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL, I5
Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij schuldig zijn degene, die Hem niet eerst geven kan, opdat het hem vergolden werd? Ja, wat zou God die schuldig zijn, die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is Gade alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gans niet, en behaagt zichzelf in het zijne, of zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk, dat hij heeft, hetgeen hij niet heeft.
Voorts van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordelen en spreken, want het binnenste des harten is ons onbekend. En wat aangaat anderen, die nóg niet geroepen zijn, voor dezulken moet men God bidden. Die deze dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover deze verhovaardigen, alsof wij onszelf uitgezonderd hadden.
Deze genade.
Welke genade is dit? Dat God werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in de mens teweeg brengt beide, de wil om te geloven en het geloof zelf. God stort het geloof in. Hij doet dat niet bij allen. Immers, niemand heeft het ware zaligmakende geloof, tenzij God het hem meedeelt, ingeeft en instort. Krijgen alle mensen dit ingestort? Gods Woord zegt: „Het geloof is niet aller" (2 Thess. 3:2). God verhardt diens Hij wil en Hij ontfermt Zich, dien Hij wil (Rom. 9:18). Hij heeft Jacob liefgehad en Ezau gehaat (Rom. 9: 13).
Deze en meerdere dergelijke teksten zijn aan de synode bekend. Zij heeft tot
opdracht om te spreken in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. Maar neemt u nu de moeite eens om het geschrift van onze eerwaarde synode te lezen met de vraag naar deze daadwerkelijke gehoorzaamheid. Dan zult u bemerken, dat over het onderscheidend handelen Gods in de uitverkiezing zeer onvoldoende gesproken wordt. Als er van onderscheid gesproken wordt, geldt dat voor het oordeel van de jongste dag. Daarom begon het minderheidsrapport terecht met deze zinsneden: „Met het meerderheidsrapport kunnen wij niet instemmen, omdat daarin — naar ons inzicht — het diepste en het wezenlijke van Gods openbaring omtrent zijn verkiezing niet voldoende tot zijn recht komt. Onvoldoende komt tot uiting, dat de verkiezing Gods een onderscheidend handelen is en blijft".
God maakt, zeg ik, onderscheid, hoewel onder de mensen geen onderscheid is. Wij zijn allen verdoemelijk voor God. Maar Hij heeft van eeuwigheid een volk in Zijn hart gesloten, terwijl Hij anderen voorbijging. God de Vader maakt onderscheid. God de Zoon maakt onderscheid en bidt voor degenen, die de Vader Hem gegeven heeft en niet voor de wereld (Joh. 17 : 9). God de Heilige Geest maakt onderscheid. „De wind blaast, waarheen hij wil; maar gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk die uit de Geest is" (Joh. 3 : 8). De drie-enige God ontfermt Zich, wiens Hij wil. Dat is de geopenbaarde waarheid, die ook in art. 6 van Hoofdstuk I der Leerregels wordt uitgesproken. „Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt komt voort uit Zijn eeuwig besluit. Want al Zijn werken zijn Hem van eeuwigheid bekend" (Hand. 15: 18) en „Hij werkt alle dingen naar de raad Zijns willens" (Ef. 1:11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar diegenen die niet zijn verkoren, naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat".
Dit is eeuwenlang de gereformeerde belijdenis geweest. De synode, ik zei het al, heeft deze waarheid verworpen, willens en wetens, want zij heeft het minderheidsrapport verworpen, zeker op dit punt, maar ook op alle wezenlijke punten. Tot mijn verbazing staat echter de synode hierin gelijk met de synode der Gereformeerde Kerken. Tenminste dat moet ik wel geloven, als ik de briefwisseling lees tussen ds. Volten, gereformeerd predikant, en dr. Nijenhuis, hervormd predikant in „Woord en Dienst" van 23 dec. jl. Daarin schrijft ds. Volten dat de Gereformeerde Bond'wel blij zal wezen als de Gereformeerde Kerken naar de Hervormde Kerk terugkeren. Deze broeders zouden dan de gelederen van de Bond versterken.
Ik laat nu maar in het midden in hoever dit juist zou zijn. Want er volgt wat. Ds. Volten zou toch niet alle Bonders in zijn nieuwe herenigde kerk willen zien. „Ik wil toch niet alles van de g(ereformeerde) g(ezindte) in een protestantse kerk zien opgenomen of beter: ik wil niet alle predikers van de g.g. op de kansel toegelaten zien".
Welke predikers dan niet? „De kerk mag niet in haar midden toelaten, wat apert in strijd met het evangelie is. Ze heeft zich af te grenzen naar links, maar ook naar rechts".
De midden-orthodoxie schijnt voor ds. Volten al van te voren algemeen aanvaardbaar te zijn. „Ze moet een zeker „recht van dwaling" verdragen, maar niet alle dwaling. Ik denk hier natuurlijk aan hen, die de volgorde „ellende, verlossing, dankbaarheid" van de Catechismus zo prediken, dat de mens haast tot zijn dood en misschien helemaal in het stuk der ellende blijft liggen en van Christus niet meer wordt uitgegaan (zondag 1) en ik denk vooral aan hen, die een opvatting van de praedestinatie voorstaan, waarin, kort gezegd, voor het Schriftuurlijke aanbod der genade geen plaats meer is. Ik kan dat hier natuurlijk niet gaan uitwerken, maar een kerk moet — op grond van het evangelie — een prediking weigeren, die in de eeuwigheid een boek laat liggen, waarin rechts een aantal namen staan en waarin links een aantal namen staan, zonder dat daaraan iets te veranderen valt, zodat de nodiging tot het kruis kan vervallen en de zielen van Gods kinderen worden beangstigd. De kerk heeft dan „Neen" te zeggen. Er is hier geen modaliteit meer, maar er is hier een ketterij".
Tot zover ds. Volten. Mij dunkt het kan zo wel. De gereformeerde belijdenis spreekt van een eeuwig besluit Gods. Volgens dat besluit handelt God in de tijd. De Schrift spreekt van het Boek des Levens. Daarin staan de namen dergenen die zalig worden. Gods voornemen is onveranderlijk en daarom is er de volharding der heiligen. Ds. Volten verklaart nu kortweg allen, die de gereformeerde belijdenis met hun hart geloven voor ketters. Men moet toch maar durven als men in een kerk predikant is, waar de Dordtse Leerregels in volle kracht gelden, want dat van de gereformeerde synode was maar een grapje van mij. Of gelden de Dordtse Leerregels daar niet meer?
Ik zou mij niet zo uitdrukken als ds. Volten. Dat beeld van die twee lijsten ruikt nogal naar Barth. Maar is er geen eeuwig besluit en staat dat niet onwrikbaar vast? Zakelijk loochent ds. Volten toch de waarheid van art. 6 en naar ik meen van Rom. 8 : 29, 30 b.v. Voor mij betekent Gods raadsbesluit helemaal niet, dat de nodiging tot het kruis kan vervallen, en dat Joh. 3 : 16 geschrapt moet worden. Dat is een nare caricatuur van de gereformeerde belijdenis der verkiezing, welke tekening een grove leugen is. Ik signaleer dit maar weer eens. Aan dergelijke verhalen ben ik al een beetje gewend, maar dat zij nu uitgerekend uit de Gereformeerde Kerken moeten komen! Wil ds. Volten een misbruik van de waarheid der uitverkiezing bestrijden, waarbij het aanbod van genade verwaarloosd wordt, dan vindt hij de Gereformeerde Bond aan zijn zijde, maar dat zal dat op een andere wijze moeten doen, want zijn woorden tasten de Dordtse Leerregels in het hart aan. En dan moet u weten, dat ik vele brieven heb liggen van eenvoudige zielen, die mij ontroerd verzekeren, dat in de Geref. Kerken geen enkele dwaalleer ooit verkondigd kan worden.
Wat de boeken in de hemel betreft, in de Schrift wordt gesproken van het Boek des levens, des Lams en van namen, die daarin geschreven staan en niet geschreven staan (Openb. 13 : 8 en 17 : 8). Ik denk dus dat ds. Volten de Heilige Schrift ook moeilijk in zijn protestantse kerk zal kunnen toelaten. Die zal hem ook te ketters zijn. Maar dat is te verhelpen door gedeelten daaruit te negeren. Ook kan men veel bereiken door een bepaalde exegese.
Deze genade is God aan niemand schuldig.
Het is dus de genade van het instorten van het geloof en alle willen en werken ten goede. Is God niet verplicht aan ieder dit geloof te schenken? Door velen wordt in onze dagen erkend, dat het geloof een gave Gods is en dat het genade is genade te ontvangen. Maar dan weigert men nochtans te erkennen, dat de Heilige Israels onderscheid maakt of mag maken. Daarvan spreekt echter de Schrift meer dan eens. Artikel 15 begint met te wijzen op Gods souvereiniteit. De mens heeft nooit aan de Heere iets kunnen geven, en waartoe zou God dan verplicht zijn? In het algemeen is dit de dwaling van alle bestrijders der verkiezingswaarheid. Zij verstaan de achtergrond der verkiezing niet. Zij maken de mens in hun verbeelding groter dan hij is en dus maken zij God kleiner. De bestrijders der verkiezing missen in de regel de belijdenis van de diepe val des mensen en persoonlijk missen zij de waarachtige kennis van hun totale onmacht en schuld. De achtergrond der verkiezing is ons bederf en onze schuld. Maar reeds zonder deze is de Almachtige aan niemand iets verplicht. „Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene vat ter ere en het andere ten onere? " (Rom. 9 : 21). Zo stelt God, uit de mensheid sommigen tot vaten des toorns en sommigen tot vaten der barmhartigheid.
Hoe wordt een mens een vat des toorns? Met volle medewerking van hemzelf. Hoe wordt hij een vat der barmhartigheid? Met volle tegenwerking van hemzelf.
Is God niet verplicht om elke uiterst tegenwerkende mens te slepen (Joh. 6 vers 44) tot Christus? Wat zou God aan wie dan ook verplicht zijn? Maar is er dan willekeur bij God? Daar is nooit willekeur. God doet alles met een doel. Ook handelt Hij in alles wijs en rechtvaardig. Als God de goddeloze rechtvaardigt lijkt dit pure willekeur. Maar God heeft Zijn Zoon gegeven tot gerechtigheid en zo rechtvaardigt hij de goddeloze in Christus en blijft rechtvaardig door Christus tot zonde te maken en als zondaar met Hem te handelen. En als God de onbekeerde laat in het verderf, dan is dat een verderf, dat deze mens zelf gekozen heeft. „En of God willende Zijn toom bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid". Was God aan Adam iets schuldig? . Neen. Al wat de mens oorspronkelijk bezat was vrije gave. Al zijn beperkingen of al zijn overvloed was naar Gods wijs bedoelen en op niets kon deze mens recht doen gelden.
Heeft enig mens bij ons enig recht? Wij zijn verdoemelijk, dat is ons recht. Wij hebben niet de minste lust om God te dienen, Hef te hebben, te eren. Op z'n hoogst maken we ons wat afgoden en richten een gouden kalf op. Wij stichten onze eigen religie. Is de Heere verplicht zo iemand met Zijn almacht uit de ellende te trekken? De mens wil het niet eens. De Heere echter is verplicht hem te straffen. Aan niemand evenwel is God deze genade schuldig. De souvereiniteit Gods is geen willekeur, maar rechtvaardige vrijmacht. Nooit is er bij het schepsel enige verdienste.
Zou Adam dan niet de hemelse zaligheid verdiend hebben? Neen, Adam was uit gunst door God gezet in het verbond der werken en als een beloning had de Heere het leven aan de gehoorzaamheid verbonden. God had Adam niet nodig, zodat Hij hem loon beloofde, als hij voor Hem werkte. Het behaagde God Adam in de weg der gehoorzaamheid te brengen tot het eeuwige leven. Adam kon God niets geven, waar de Heere geen recht op had. God is niemand iets schuldig. Heimelijk zit bij velen de gedachte, dat God vanwege de liefde van Zijn Wezen ieder mens tot de zaligheid behoorde te leiden. Ik kan er echter niet van buiten in Gods Woord twee dingen te vinden: 1. God is liefde. 2. Onze God is een verterend vuur. Er zijn diepten in God, welke de mens niet bedekken mag door een deel van Gods openbaring te negeren en te redeneren vanuit het ene: God is liefde. Men spreekt er wel eens van, dat de belijders der uitverkiezing teveel willen redeneren. Ik meen, dat dit gevaar van teveel redeneren en teveel God als mens denken, minstens zo zeer voorkomt bij hen, die van de algemene verzoening, tegen de Schrift in, hun hele dogmatiek maken. Een beetje meer eerbied voor de Schrift zou velen goed doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's