Meditatie
ONDER ROOK EN LICHT
Exodus 13 : 21: En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij ze op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hun lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
De Heilige Schrift tekent ons het volk Israël als een volk, dat niet alleen op een wondere wijze door de Heere uit Egypte verlost is, doch dat ook daarna wonderlijk door Hem werd geleid.
Deze leiding was er zonder onderbreking en hield dus zelfs in het donker niet op, wanneer Israël soms ook des nachts moest optrekken, omdat dat overdag door brandende hitte onmogelijk was.
De Heere ging als het ware Zelf aan de spits van al die kinderen Israels en Hij openbaarde Zich daartoe in een zichtbaar teken, de wolk- en de vuurkolom,
In het vuur was iets van de uitstraling van Zijn vlammende heiligheid. Nog minder dan dat een mens in de zon kan zien zonder verblind te worden, kan hij zo God zien en leven. Maar meestal was het voor Israël dus vuur, omhuld in een wolk. De uitstraling van Gods heiligheid was voor het volk getemperd.
Iets dergelijks vinden wij bij de Verbondssluiting van God met Abraham. Tegen de avond verscheen de Heere toen aan Abraham eveneens in een rokende oven en vurige fakkel. Hier was het óók licht, maar in de rook.
En het zegt alles, dat de Heere nabij Zijn volk wil zijn, dat Hij Zich aan dat volk wil openbaren. Doch ook, hóe Hij Zich vertoont. Hij is Licht in de meest volle en rijke zin van het woord. Doch nu kunnen wij Hem zó niet aanschouwen, en nu onthoudt Hij ons Zijn licht, dat voor ons onontbeerlijk is, niet. Maar Hij geeft ons dat getemperd, zó, dat het ons niet verblindt en doodt, — integendeel!
Op dezelfde wijze openbaarde de Heere Zich op de woestijnreis aan Israël, en leidde Hij Zijn volk.
En zo mogen wij deze openbaring zien als een voorbode van Zijn volle Zelfopenbaring in Christus, in Wien Hij Zich immers ten volle wilde geven aan Zijn volk.
Ook van déze openbaring geldt: vuur, maar in de wolk, licht, doch in de rook. Eén en al goddelijke majesteit is Christus, — het vuur, het licht! Doch in de bedekking van Zijn broze menselijke natuur, die verbroken wordt onder de vloek der Wet en de macht van de dood; — de wolk, de rook!
Maar juist zó is Hij onze Zaligmaker, in Wien God, de Heilige, zondaren weer met Zich in verzoenende betrekking stelt, en aanneemt en leidt als Zijn kinderen en erfgenamen.
Intussen, jarenlang heeft de Heere Zijn volk Israël door de wolk- en vuurkolom trouw geleid. Israël ging niet alleen door het leven, doch werd geleid, stap voor stap. Stond de wolk stil, — het volk rustte; dreef de wolk weer verder, — het volk brak op om de reis voort te zetten.
Gods Kerk en allen, die in waarheid de Heere leren vrezen, zijn in nog hogere zin dan Israël een in beginsel verlost, uit het diensthuis der zonde uitgeleid, maar tevens een voortdurend verder geleid volk. Moogt gij dat reeds op uzelf toepassen? Dan moogt gij ook het volgende bijzonder op uzelf betrekken: wij gaan dan niet meer voort onder geleide van wolk- en vuurkolom, doch hebben rijker bezit. Wij gaan dan voort in het licht van de volle zelfopenbaring Gods in Christus, Zijn Zoon, in ons vlees verschenen.
En nu is het waar, dat deze Christus ook niet met ons gewone oog is waar te nemen, doch wél treedt Hij in de Schrift als vóór ons. En zo, in het kleed van het Evangelie, gaat Hij nu aan de spits van Zijn gemeente. Ja, door dit Evangelie, toegepast en ingedragen in onze harten door de Heilige Geest, wil de Heere Zijn Kerk leiden, uitleiden uit allerlei boeien en banden, en vérder leiden, veilig leiden!
Echter, nog eens moeten wij dan hierbij bedenken: de Heere openbaarde Zich aan Israël onder het teken van vuur en wolk, licht in de rook.
Hetzelfde vinden wij nóg in heel Zijn openbaring, in de gangen van Zijn Koninkrijk en in de weg, welke Hij met Zijn volk en met óns, gaat.
Het Evangelie is er niet zonder de Wet. Welige zou eigenlijk de betekenis van het Evangelie zijn, als er geen Wet was? En ziet, Christus, Die Zich éénmaal zo diep vernederd heeft, is nu uitermate verhoogd, — was een licht! Maar Zijn Kerk is nog steeds weer in veel strijd gewikkeld, — dat is de rook, de wolk! In het geloof mogen al Gods kinderen weten, dat Zijn Koninkrijk komt, — dat is het licht! Doch eerst is deze wereld nog vol van krachten én wonderen van de antichrist, — dat is de wolk, de rook!
Daarom, wie in beginsel uit het diensthuis der zonde wordt uitgeleid en het daarin niet meer kan uithouden, — wie in waarheid achter Christus leert aankomen, voor die wordt het realiteit, een stuk léven, dat wij dan onszelf moeten verloochenen en het kruis op ons nemen.
Echter, door en in Zijn Woord, toegepast door de Heilige Geest, is de Heere dan met ons, doch op een doorlopende leerschool leren wij Hem dan kennen als de rechtvaardige, heilige God, voor Wien wij niet bestaan kunnen. Maar óók, als een God, Die ons in Christus zéér genadig is en een Vader, van Wiens Vaderschap alle vaderschap op aarde slechts een gebrekkige afspiegeling is.
En, alzo geleid door dat Woord, gaan wij onder góéde en véilige geleide! Het zal onze dagelijkse strijd moeten blijven, ons door de genade van de Heilige Geest in oprecht geloof aan dat Woord te mogen onderwerpen.
Want dan ook, terwijl het soms zo vaak weer donker rondom ons en binnen in ons kan zijn, wil dat Woord ons bijzonder tot bemoediging én tot een wegwijzer zijn. Dan wil het méér zijn dan de wolk, welke schuift voor de verschroeiende zon, en dan de vuurkolom, welke zelfs licht geeft in de nacht.
Israël moest op de reis steeds weer naar Boven zien, om te kijken, of het soms het spoor niet bijster werd. Ook wij moeten niet alsmaar naar beneden en op wat van beneden is, zien. Hoe vaak doen wij dat juist, — in de voorspoed van het leven, doch ook in de tegenspoeden, met de gevolgen van dien!
Echter, naar Boven hebben wij te zien en moeten wij steeds weer léren zien! De rechtvaardige zal uit het geloof, — uit het Woord, — leven.
Dat is een leven van afhankelijkheid en gebed, en van veel strijd mét en tégen onszelf. Maar dat is tevens een leven van zégen, een leven, waarin de Heere ons niet meer aan onszelf overlaat, en ons zegent uit de volheid van Christus.
Zeggen wij het zó al de psalmdichter na: „d' Ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts, om op God te letten"?
Ziet, als tijdens de woestijnreis de zon opkwam en het licht van de vuurkolom verbleekte, ging van de wolk de sprake uit: de Heere is nabij. En als de dag weer daalde en de duisternis de wolk in het donker hulde ging van het vuur, dat dan door de wolk naar buiten straalde, eveneens de sprake uit: de Heere is nabij.
En het donker kon het licht niet doven en de wolk het vuur niet, al kon ze het wel bedekken. De wolk triumfeerde niet over het vuur, het licht wél over de wolk.
Ja, hét licht triumfeert. Het waarachtige Licht: Christus en wat God in Hem beloofd en gegeven heeft. Dat geldt voor heel de levensgang van Gods Kerk en van allen, die de Heere vrezen. In de zegen daarvan deelt niemand van degenen, die het Woord en Christus verwerpen. Voor die wordt éénmaal het laatste straaltje licht nog gedoofd in de buitenste duisternis. Doch die oprecht leerden geloven, dellen wel in die zegen.
Eénmaal gaat het geloof over in aanschouwen. En dan neemt God alle wolken weg en vertoont Hij Zichzelf en Zijn Koninkrijk in heerlijkheid aan allen, die Hem hebben leren vrezen.
(Amersfoort)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's