HET GESCHREVEN WOORD
II
Uit de aard der zaak, geldt dit in mindere mate de filologische en aanverwante wetenschappen, die zich met de Bijbel bezighouden. Zij dienen zich voortdurend voor ogen te stellen, dat zij van doen hebben met een boek, dat zich aandient als Gods Openbaring, door Christus en Zijn apostelen als zodanig wordt gekend en geëerbiedigd en door de kerk der eeuwen als Gods Woord wordt ontvangen.
Hoewel de eigenlijke openbaring, de openbarende en wederbarende werking van het Woord, zich aan de controle der wetenschappen onttrekt, kunnen de genoemde vakken nuttige vruchten afwerpen voor de uitlegging en verklaring van de Heilige Schrift, wat de taalkennis betreft in de eerste plaats, maar ook wat de historische, sociologische, geografische en chronologische situatie aangaat. Nog eens, dit alles doet niets af van onze stelling, dat al deze onderzoekingen en de daarmede samenhangende onderstellingen en beschouwingen geen oordeel over het werk van Gods Woord en Geest, met andere woorden over de Heilige Schrift als openbaringsorgaan, rechtvaardigen.
Daarom berust de leer der zogenaamde tijdgebondenheid der Schrift op een betreurenswaardig misverstand omtrent haar goddelijk gezag. Zeker, de Godsopenbaring heeft een geschiedenis. In die geschiedenis zijn voorbijgaande momenten, zoals in alle geschiedenis, doch die betreffen de vorm en gestalte der Godsopenbaring en nimmer het Woord Gods, dat daarin spreekt en handelt, nimmer de wil Gods, die daarin openbaar wordt. De ceremoniën der Wet zijn voorbij, maar het Woord Gods in die ceremoniën blijft spreken van schuld en van verzoening. Dat deze dingen symbolische of sacramentele betekenis hebben verstonden ook de profeten en de vromen in Israël (Sam. 15 : 22, Jes. 58).
Het gaat in dit alles om de geestelijke verhoudingen en geestelijke werkelijkheden, die daarin worden uitgebeeld. Vorm en gestalte kunnen derhalve aan de mens en aan de tijd zijn aangepast, maar deze zijn niet anders dan een veranderlijk letterschrift, en tekenen, waarvan Woord en Geest zich bedienen om ons te leren verstaan, wat wij anders niet leren konden. Het verstand blijft bij het uitwendige, bij de tekenen en het schrift, maar het geloof schouwt in de geestelijke werkelijkheid, waarvan zij spreken.
Dat is niet alleen partieel bijvoorbeeld met de ceremoniën der wet het geval, maar met de hele Schrift. Daarom kon Paulus een beroep doen op de geestelijken: „Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf des Heeren geboden zijn. Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend (I Kor. 14 : 37v.).
De gehele Schrift is geestelijk. Zij leert, dat God de wereld schiep en daarna de mens naar Zijn beeld, dat Hij met hen in gemeenschap trad en zich bekend maakte. Hoe zou ook de mens zijn bestemming kunnen bereiken, indien hij van de gemeenschap Gods werd afgesneden? Immers die bestemming lag in de eeuwige realisering van het beeld Gods, dat is Zijn wezen.
De mens gaf oorzaak, dat hij van die gemeenschap werd afgesneden en zijn bestemming moest missen, omdat hij als God wilde zijn overeenkomstig de dwaze illusie, welke in zijn ziel postvatte. Als God zijn, zijn eigen wetgever en meester zijn, de autonomie der verbeelding, nog altijd de grootste dwaasheid en zonde van de mens, te gelijk verloochening van zijn Schepper en van zijn eigen wezen.
Na de val opent de Schrift het aspect op de geschiedenis der Gods openbaring aan de mens-zondaar, en legt de hartader der wereldgeschiedenis bloot, de gang, welke God gaat met de mens en met de wereld, het handelen Gods door Woord en Geest om al Zijn welbehagen te doen, souverein en - zonder aanzien van de persoon.
In dat handelen Gods met de mens, met de wereld, met Israël, met de volkeren en met de personen, wordt Hij gekend, zoals Hij gekend wil zijn in de openbaring van Zijn deugden. Als in een beeld worden zij saamgebundeld door Mozes, toen God hem verscheen en hij in aanbidding uitriep: „Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid en overtreding der zonden vergeeft, die de schuldigen geenszins onschuldig houdt (Ex. 34 : 6 V.).
Zo had God Zich aan hem geopenbaard, zo had Hij Zich bekendgemaakt aan Zijn volk Israël bij de verlossing uit Egypte, zo hebben de profeten van Hem geprofeteerd en zo leren allen God kennen, die met Hem van doen krijgen. Zo trekt Hij door de geschiedenis heen: lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, doch ook die de schuldigen geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen in het derde en vierde lid.
Ligt in deze woorden van Mozes niet het antwoord op zijn vraag bij het braambos: „Als zij zeggen: hoe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? " (Ex. 3 : 13 V.).
„Ik zal zijn, die Ik zijn zal", was toen het antwoord van God. „Gij zult zeggen: Ik zal zijn heeft mij gezonden."
Jahweh, Ik zal zijn, is de eigennaam van God in Israël geworden. Deze naam heeft echter niets uit te staan met enige ontologische speculatie, zoals wijsgerige geesten zouden wensen. „Ik ben die Ik ben", gaat boven alle naam en definitie uit. Ik ben u voorts niet zo vreemd, want Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jakob (vgl. Ex. 3 : 15).
Zo zult gij Mij aandienen. Dat is Mijn naam, de God, die trouwe houdt, de God des verbonds, de Heere.
Misschien moeten wij het ook zo verstaan: „Ik ben, die Ik ben, en gij zult wel ervaren, wat dat zeggen wil. Mozes heeft het ervaren, zoals uit zijn woord bij de verschijning op de Sinaï blijkt (Ex. 34 : 6).
Als Calvijn handelt over de kenmerken van Gods majesteit in de werken der schepping, en in verband daarmede over de kennis van God, de Schepper, merkt hij op, dat de mens in dat boek der schepping zo slecht lezen kan, indien de Heilige Geest hem niet te hulp komt. Daarbij neemt hij zijn toevlucht tot het beeld van een bril, die de oude mensen nodig hebben om beter te kunnen zien. Bij zulk een bril vergelijkt hij de Heilige Schrift (Calv. Inst. I. 6. 1.).
Mogelijk linkt dat woord voor sommige oren wat al te mechanisch en dat zou de waarde en betekenis wegnemen van de stelling, welke wij gaan verdedigen: namelijk dat niet alleen de werken der schepping eerst recht gezien worden door die bril, maar ook de geschiedenis der openbaring. Beter moet het nog wat anders gezegd. Door die bril zien wij de dingen geestelijk, we zien het Woord Gods, in zijn scheppende en openbarende werkzaamheid.
De Heilige Schrift, de goddelijke beryllus, en het licht van de Heilige Geest zijn de gaven Gods, waardoor Hij ons het profetisch gezicht op Zijn werken wil schenken. Profetisch zien betekent het Woord bezig zien in de schepping en in de geschiedenis der wereld (Ps. 19). Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid alzo, dat de dingen, die men ziet niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden (Hebr. 11 : 3). Daarom lezen wij de Schrift anders bij het licht van de Heilige Geest dan bij het licht van ons natuurlijk verstand. In het eerste geval gaat het met geloof gepaard. Beginnen we slechts met Genesis 1—3: In den beginne! Het verstand valt God onmiddellijk in de rede: wanneer was dat? Wat was er voor dien? Hoe weet men dat?
God schiep hemel en aarde. Wat is dat eigenlijk? Hoe ging dat in zijn werk? Wat wil de Schrift met de zes scheppingsdagen? Zijn dat dagen of tijdperken? De zon en de maan waren er volgens het scheppingsverhaal nog niet.
Dan komt de wijsheid van de geologie en van de paleontologie met haar moderne gegevens en bewijsvoeringen, met haar veronderstellingen en haar miljoenengetallen, de natuurwetenschap met haar evolutie theorie en het schijnt wel, dat een wel ontwikkeld mens een hope loze kronkel in zijn verstand moet hebben, als hij dat ouderwetse Schriftgeloof nog aanhangt. Een modem mens, die met zijn tijd meegaat, kan zich daarin niet meer vinden.
Nu is dit alles volkomen juist, meer zelfs dan degenen, die deze, argumenten gebruiken, wel weten. Er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen geloof en natuurlijk verstand. Alleen met die hopeloze kronkel is het een beetje anders gesteld, immers de natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Ze glijden hem voorbij en zijn hem een dwaasheid (1 Cor. 2 : 14). De Schriftgelovige echter heeft dit ontdekt en begint het te verwachten van hetzelfde licht, dat hem daaraan ontdekt heeft. Zo leert het geloof wel over het verstand meespreken, maar het verstand, dat door Woord en Geest nog niet overwonnen werd, weet van het geloof niet met kennis van zaken te oordelen. En toch wil het dat en het doet het ook. Voor het geloof is dit ook een dwaasheid, want het verstand kan nooit verder oordelen over het geloof dan naar de mate, waarin het door de geest des geloofs geleerd is.
Het geloof leest en verstaat de Schrift anders dan het verstand, omdat het-anders betrokken is bij wat geschreven staat. Het geloof is namelijk heel nauw bij het Woord Gods betrokken, zó nauw, dat het deel heeft aan de werken van het Woord. Het geloof is n.l. in het werk der openbaring opgenomen. Door het geloof komt de openbaring tot kennis en bevestiging in de persoon. Door het geloof krijgt Gods kind deel aan Christus' lijden en sterven, aan Zijn opstanding en aan Zijn heerlijkheid, in dit leven en in het toekomende. Zijn leven is met Christus verborgen bij God en, wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol. , 3 : 3 v.).
In de innige gemeenschap met de Christus, die in de aanvang alleen a!ls het scheppende Woord gekend is, is ook die kennis geworteld, welke betuigd wordt in het boven geciteerde woord: door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo, dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. Het verstand wil, dat de dingen, die gezien worden, opkomen uit andere dingen, die gezien worden, en van deze geldt weer hetzelfde. Op die wijze kan men in het oneindige voortgaan en kan men noch een begin, noch een einde ontdekken. Ook het verstand is daarmede tenslotte niet tevreden. Om zichzelf dan toch een rustpunt te bezorgen, besluit het tot een eeuwige cirkelgang. Intussen een schijnoplossing, want het blijft een mysterie, hoe een oneindige cirkelgang van eindige dingen zou kunnen bestaan.
Het geloof echter schouwt de scheppende heerlijkheid van het Woord, het kent zijn stem, het merkt zijn spraak op, het onderwerpt zich en aanbidt. De schepping door het Woord Gods is geen theorie, geen theologische grondstelling, waarmede het ontoereikend verstand te worstelen heeft, maar voor het geloof een werkelijkheid, welke zich alom manifesteert en waarbij het geestelijk betrokken is. Het ziet, dat de dingen, die gezien worden, opkomen uit dingen, die niet gezien worden. Het Woord is uit de hemel en het geloof is ook uit de hemel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's