KRONIEK
Een somber begin — Van contacten en bijscholing — Enkele flitsen uit de voortgezette Synode der Gereformeerde Kerken.
Vreugde en droefheid wisselen elkander af in het leven. Soms liggen ze vlak naast elkaar en staan vóór ons in fel contrast. Zo was het voor ons allen in de eerste weken van dit jaar. We hadden in dankbaar herdenken — zij het in stilte — meegeleefd met de vreugde, welke God de Heere aan ons Koninklijk gezin had bereid in het zilveren huwelijksfeest. We leefden mee in de verte, waar onze Koninklijke familie in de intimiteit deze zegen herdacht.
De maandagmorgen daarop kwam' het droeve bericht door van de treinramp bij Harmelen, waarbij 92 het leven lieten en velen verwond en verminkt werden. Een nationale ramp. Het grootste ongeval in de geschiedenis van ons spoorwegbedrijf. Welke de oorzaak is geweest? Men kan, wat dit betreft, slechts van aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid spreken. De monden, die de zekerheid zouden kunnen uitspreken, zijn voor altijd gesloten. De beide machinisten kwamen bij de treinramp om. Rouw en verslagenheid beroerden ons allen. We werden even stil gezet. De schok was zo onverwacht. Heeft de Almachtige ons in deze ramp eens weer de grenzen van ons technisch kennen en kunnen, willen laten zien? We mogen wanen, dat we schier de volmaaktheid van veiligheid bereikten, veilig zijn we alleen als we in Gods schuilplaats geborgen zijn. „Buiten Hem is 't nergens veilig".
Er is in en na de ramp een wonder meeleven geweest met de getroffenen. In alle lagen van ons volksleven. Onze Koningin onderbrak haar vakantie en verkeerde enkele dagen temidden van haar volk. Dat was Oranje! Onze regering heeft bij monde van de minister-president uiting gegeven namens heel ons volk, van wat leefde in de harten. We hebben in dit alles iets gevoeld van onze saamhorigheid als volk, hoe vaak anders ook verdeeld in vele opzichten. Dat was in alle leed iets, dat verkwikte.
De ramp op 8 januari j.l. heeft mede de wolken over ons volk verdikt. Ik doel — men zal het begrijpen — op de spanningen rondom Nieuw-Guinea. Het debat daarover op 2 januari in de Tweede Kamer der Staten Generaal heeft weinig opklaring gegeven. Het kon moeilijk anders. Bekend is nu althans dat de regering alles doet om tot onderhandelen met Indonesië te komen. Internationale bemoeiingen zijn mede volop in actie daartoe. Zal het gelukken? Er is een treffen geweest van onze oorlogsschepen met Indonesische strijdmachten, die een invasiepoging ondernamen. Naar inlichtingen van de Nederlandse commandant openden de Indonesiërs het vuur. Van Indonesische zijde werd het tegendeel tijd gesloten; de beide machinisten kwa-beweerd. Dat was te verwachten. Evenzeer, als direct na de moordaanslag op Soekarno werd gesuggereerd, dat „Nederlandse agenten" hierin de hand hadden. Zal het ondanks deze agressie nog tot onderhandelen komen?
We kunnen niets anders dan de Almachtige smeken, dat een oorlog om Nieuw-Guinea ons bespaard worde. En vergeten we onze regering niet. God geve haar wijsheid en steune haar in deze zware tijden, die ons volk doormaakt.
Het jaar 1962 begon in zijn eerste dag zonnig en lichtend. Het vervolg was somber en calamiteus. Dit alles brenge ons volk, ja ook ons, meer onder beslag van het Woord des Heeren. De dichter van Ps. 4 gaf aan de gedachten van velen rondom hem uitdrukking toen hij zeide: „Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien". Zijn antwoord daarop late niemand onzer onbewogen: „Verhef Gij, het 'licht uws aanschijns over ons, o Heere!"
„Even stilgezet", schreef ik hiervóór. Echter, het leven gaat zijn gang en het werk moet voortgezet. Op Woudschoten werd 10 en 11 jan. j.l. de jaarlijkse Concio van hervormd-gereformeerde predikanten gehouden. Gewoonlijk geschiedt dit in de Ie week van januari. Ditmaal kon dit niet. Ondanks die verschuiving was een 120-tal predikanten opgekomen. Het was er goed. In de tegenwoordige vormgeving had ik ze nog niet bijgewoond. Wat ik met die „tegenwoordige, vormgeving" bedoel? Wel dit, dat er vóór de geregelde samenkomsten op Woudschoten ook reeds een Concio onder ons was. In de dertiger jaren is de behoefte daaraan reeds gevoeld. En zo hielden we geregeld een dergelijke samenspreking te Utrecht, in hotel Noord-Brabant. Ze ging toen niet rechtstreeks uit van het Hoofdbestuur van onze Bond, schoon wel met zijn voorkennis. De bezettingstijd was oorzaak, dat de Concio in de geschetste opzet niet meer bijeenkwam.
Na deze jaren is ze herleefd. Ze gaat nu uit van het Hoofdbestuur van onze Bond en de leiding berust bij zijn Voorzitter prof. Severijn. Het ging dus met de Concio in zekere zin als met de Utrechtse Predikantenvergadering, welke thans onder auspiciën van de Generale Synode vergadert. Zo kerkelijk geëncadeerd zijn wij niet. Gelukkig maar.
Hoe dit alles ook zij, het was 10 en 11 januari j.l. een goed, een sterkend samen-zijn onder leiding van onze Bondsvoorzitter. Professor Severijn herdacht na opening en Schriftlezing (2 Tim. 4) de van hun post afgeloste commilitones. De lijst was langer dan het vorige jaar. In zijn openingswoord onderstreepte hij enkele naar voren tredende verschijnselen in de huidige situatie op theologisch en kerkelijk terrein, niet los staande van New-Delhi en versterking van 't Grieksorthodoxe blok, met name door toetreding van de Russische vleugel tot de Wereldraad. In de avondvergadering refereerde hij over: „Vragen voor en rondom de catechese". Dat was bijzonder interessant en instructief.
De hele middagvergadering werd in beslag genomen door de lezing van prof. S. v. d. Linde over: „Geloof en Geloofsleven". Ik zal daarvan hier geen, résumé geven. Dit stuk moet in zijn geheel gelezen worden. Ik heb goede hoop het in „Theologia Reformata" nog eens weer te genieten. Het was rijk van inhoud; bijbels gefundeerd, al werden er weinig teksten in genoemd; het was afgestemd op Calvijn, „de theoloog van de Heilige Geest"; een schoon geheel, dat door de discussie, waaraan velen deelnamen, en de repliek van prof. Van der Linde nog te meer zijn' actualiteit deed aan het licht treden.
Wat ds. Poot op de tweede dag gaf over de Kerk in de wereld van nu, was een keurig en glashelder stuk, dat wel heel wat discussie opriep, maar mede daardoor nog beter tot het auditorium ging spreken. Van de zijde van 't Hoofdbestuur werd de positie van ds. Poot aan „Kerk en Wereld" dusdanig belicht, dat misverstanden dienaangaande wel zullen zijn weggenomen. Het samenzijn op Woudschoten was een gelegenheid om contacten te leggen en te versterken. Daardoor was het verkwikkend. Maar men zou het ook kunnen zien als een zekere „bijscholing", die niet nalate vrucht te dragen voor het grote werk.
Op de 8e januari, zo vol van ramp en rouw voor velen, kwam in de middag in Apeldoorn de Generale Synode der Gereformeerde Kerken in voortgezette zitting bijeen. De Synode is na ongeveer twee weken opnieuw verdaagd, nu tot 19 februari e.k.
Daar zijn weer verschillende zaken ter tafel gekomen. De agenda was wel tamelijk uitgebreid. In „Geref. Weekblad" d.d. 5-l-'62 (uitgave Kok) heeft prof. H. Ridderbos verschillende punten nog weer gereleveerd. Daaronder was ook een, dat een verdere wijziging van Art. 36 aan de orde stelt. De bedoeling is hierbij eventueel ook de kerken te betrekken, die de Nederlandse Geloofsbelijdenis als „accoord van gemeenschap" hebben aanvaard; de kerken der reformatie hier te lande dus. Maar de e.k. gereformeerde oecumenische Synode moet er ook in gekend worden. Wannéér deze — de vorige is in Zuid-Afrika bijeengeweest — precies zal samenkomen en dan naar ik meen in Amsterdam, is nog niet zeker. De urgentie van de voorgestelde wijziging — het preciese concept heb ik niet bij de hand — kan ik niet inzien, evenmin trouwens als die van 1.905. In elk geval zal men thans — eventueel dan — dit niet in eigen kring afhandelen. Werkt in dezen een oecumenisch geweten? Dat zou in elk geval een winstpunt zijn. Wellicht tengevolge van heel de oecumenische beweging der laatste tijden? Of hebben hiertoe ook meegewerkt de moeiten en moeilijkheden, die voor de Geref. Kerken niet uitbleven na haar „verminking" van art. 36? Ik hoop van harte, dat een nieuwe „schrapping" zal uitblijven. De saambinding der „Gereformeerde gezindte", zou er, vermoed ik, niet door bevorderd worden. En de band trekt toch al niet sterk.
Een ander punt is „Assen 1926", of concreter omschreven, de besluiten van de Synode van Assen (1926) inzake Gen. 1—3, datgene alzo, wat bij de behandeling van de zaak-Geelkerken naar voren kwam. Dit „Assen" schijnt voor velen der huidige „gereformeerde" generatie een onverteerbaar brok. Ds. H. Volten sprak zulks ook uit in zijn tweede brief aan dr. Nijenhuis („Woord en Dienst" d.d. 6 jan.) Ook prof. H. Ridderbos roerde het aan in bovenvermeld artikel. Werkt hierin door een nadere „wetenschappelijke" bezinning inzake het probleem „Schepping en Evolutie"?
In zijn artikelenreeks: „Verschuivingen in de R.K. Schriftbeschouwing", waarop ik onlangs de aandacht vestigde, schrijft prof. Berkouwer, dat van officieel R.K. kerkelijke zijde (Encycliek van Paus Pius XII 1950) niet meer „verboden wordt aan „vakgeleerden" de evolutieleer bij hun onderzoekingen te betrekken, mits in onderwerping aan het leergezag der kerk. Men aanvaardt „de mogelijkheid van een verbinding van Schepping en Evolutie" („Gereformeerd Weekblad", 3 dec. '61). Is er een dergelijk streven ook op te merken bij vakgeleerden van gereformeerden huize? Ik hoop nog steeds, dat prof. Berkhouwer dergelijke „verschuivingen", die er schijnen te zijn, eens in het „Gereformeerd Weekblad" zal behandelen. Men is met „Assen 1926" in deze Synodezitting niet klaar gekomen. De zaak is in handen van een commissie gesteld, welke erover heeft te rapporteren in de volgende Synode.
Ook de kwestie-Hasper is weer ter Synode geweest. Zo ongeveer 1949/'50 scheen het, dat de Geref. Kerken het „psalter Hasper", de psalmberijming van ds. Hasper, zouden invoeren. Later is dit besluit teruggenomen, omdat men in de thans aangeboden „Nieuwe Psalmberijming" meer perspectief zag. Een arbitrage-commissie heeft daarna uitgesproken, dat de Geref. Kerken generlei financiële verplichtingen hadden aan de „Stichting Geestelijke liederen", die door het niet aanvaarden van haar „psalter" financieel gedupeerd was. De zaak is ter Synode gebracht door de particuliere Synode van Noord-Brabant en Limburg, mede op instigatie van ds. P. Visser uit Tilburg en ds. W. de Graaf uit Almkerk. Deze hadden een memorandum rondgezonden aan de kerken — het was ook ter Synode op tafel — waarin o.m. deze zin voorkomt: „dat voor God en de wereld niet getuigd kan worden, dat waarlijk recht gehandeld is". Na breedvoerige toelichting van de kwestie door ds. Van Andel uit Utrecht, waren de beide predikanten, bovengenoemd, bereid deze zin, „die te haastig was geschreven" terug te nemen. De Synode besloot de zaak in handen van een commissie ad hoc te stellen, die in de voortgezette zitting, welke men 19 februari hoopt aan te vangen, met voorstellen over deze 'kwestie zal komen, waarna de Synode een beslissing hoopt te nemen.
Ziehier, heel in 't kort, wat werd besproken en besloten in deze trieste zaak. Want triest is ze, ook al wil ik wel aannemen, dat de Synode rechtens correct handelde. Misschien was een oplossing al eerder tot stand gekomen, indien de houding van ds. Hasper, alias de „Stichting Geestelijke liederen uit de schat van de kerk der eeuwen" iets soepeler was geweest. Maar het ging bij de terzijdestelling van het „psalter-Hasper" om een levenswerk. Opgewekte illusies verstoord te zien, is voor een auteur als ds. Hasper een harde zaak. Men ziet, psalmberijmingen, afgewezen of geaccepteerd, kunnen heel wat beroeringen brengen. Als het nu ondanks alles maar mag leiden tot een verdiept kennen en zangen van het „nieuwe lied", de „lofzang Gode", die de dichter van Psalm 40 zich in zijn mond gelegd vond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's