De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE BELIJDENIS IN DE KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BELIJDENIS IN DE KERK

8 minuten leestijd

II

In december jl. werd in De Waarheidsvriend geschreven, dat de hervomd gereformeerden prijs stellen op leertucht in de Kerk. Een motivering werd gegeven van hun mening, dat enerzijds de (kerkelijk) Gereformeerden te vlot zijn met hun leertucht-eisen aan de Hervormde kerk; en anderzijds de Hervormde kerk huns inziens te voorzichtig is in dezen.

Ds. Groenewoud gaat in het Hervormd Weekblad van 11 dezer in op de vraag, in het Waarheidsvriend-artikel gesteld: of hij wellicht voor zijn rekening neemt wat in een officieel kerkelijk stuk te lezen zou zijn, t.w. dat de kerk wel dient te luisteren naar de belijdenis der vaderen, waarop echter kritiek geoorloofd is omdat het niet ónze belijdenis (d.i. de belijdenis van de huidige kerk) zou zijn.

Ten eerste schrijft ds. Groenewoud daarover het volgende.

„Ik meen, dat ik op een dergelijke vraag het antwoord niet schuldig moet blijven. En geef het dus bij deze, met het verzoek aan de heer Smit, het ter geruststelling van zijn lezers in „De Waarheidsvriend" over te nemen".

„Ik moet dan beginnen met een zekere reserve. Het is jammer, dat de heer Smit het officiële kerkelijke stuk niet noemt; en dat hij niets zegt over het verband waarin de door hem gewraakte zinnen voorkomen. Het zou namelijk kunnen zijn, dat ze in hun verband gelezen een geheel andere indruk maken dan nu ze hier zo geïsoleerd staan, geheel los van elk verband. En dan wil ik wel verklaren, dat ik het hier helemaal niet mee eens ben en dit dus beslist niet voor mijn rekening neem".

Ten tweede bestaat er geen officieel kerkelijk stuk, waarin de in De Waarheidsvriend gewraakte uitlating voorkomt. Het spijt schrijver dezes, hierin ten onrechte de synode te hebben beticht, dat zij openlijk met deze woorden de belijdenis der kerk zou hebben gedesavoueerd. Hij heeft daarin ten onrechte gevaren op het kompas van een artikel in De Waarheidsvriend van 16 november jl., waarin dit — ook onbedoeld — door enkele aanhalingstekens was gesuggereerd.

Dus — eerlijk is eerlijk — ds. Groenewoud wil zulk een relativering van de belijdenis niet, en die was in deze bewoordingen ook niet in een officieel kerkelijk stuk te lezen.

Zonder daaraan nu verder te tomen, laat zich wel de vraag stellen, hoe zo'n vraag aan ds. Groenewoud dan kan opkomen. Dit zal zijn oorzaak wel vinden in de verschillende wijze, waarop confessionelen en gereformeerden over de belijdenis spreken. Ds. Groenewoud zegt daarvan, dat er enerzijds in de Kerk zijn die eigenlijk geen leertucht willen, en anderzijds, die „de belijdenis zonder meer als een kerkelijke wet willen handhaven, zonder ten volle in rekening te brengen dat zij altijd aan het Woord moet worden getoetst". Hij verbindt daaraan de vraag naar de normatieve functie van de belijdenis. Bedoeld wordt daarmee dus: hoe de belijdenis in de Kerk als norm werkt, waar toch de Schrift bij uitstek de regel des geloofs is.

Het is moeilijk, daarop iets te zeggen zonder te vervallen in herhalingen van wat vroeger reeds is opgemerkt.

De Schrift openbaart ons, naar Calvijn zegt, wie God is en wie wij zijn. Deze openbaring Gods roept op tot een zich gevangen geven aan de heilsboodschap met het verstand èn met het hart. De H. Geest bewerkt een acht geven op die boodschap, naar Gods genadige uitverkiezing. Dezen geloven. Dat geloof is uit de aard der zaak op de openbaring betrokken. Die openbaring ligt daar, in de Schrift. In de waarmaking van de daarin vervatte beloften brengt de H. Geest ons in levende gemeenschap met de Christus der Schriften.

Die beloften Gods zijn ons geopenbaard in de Schrift, zij zijn ons in eerste instantie tentoongesteld in Christus, en gepredikt door de apostelen. Die leer der apostelen draagt de Kerk de eeuwen door als een kostbare schat met zich mee. De kerk is echter nooit zonder bestrijding, noch van buitenaf, noch intern. Daarom gevoelde zij zich in bepaalde situaties gedrongen, zich uit te spreken omtrent wat de door haar geloofde leer der apostelen inhield en betekende.

Het geloof is een gave Gods, gewerkt door de H. Geest, derde Persoon van een God, bij Wie geen verandering of schaduw van omkering is in Zijn goede gaven en volmaakte geschenken.

Het geloof is gericht op de Schrift, op de Christus der Schriften.

Het geloof heeft als voorwerp de leer der apostelen, het doorgaande in het leven der Kerk van de aposteltijd af.

Hierom heeft de belijdenis des geloofs iets in zich van dat onaantastbare, het zichzelf gelijkblijvende in de wisseling der tijden, dat de Oorsprong des geloofs kenmerkt.

Nu is dit alles wat uit één gezichtspunt bezien. Men kan hier haastig een beschouwing aanvoeren, die erop wijst dat dit geloof ons maar niet zó zonder meer in de handen gedrukt wordt, maar door de mens heen gaat; het geloof is vrucht van een werken des Geestes met het Woord in de mens. Het is die mens, die gelooft, en daarbij mens blijft in de tijd en de vragen die daarin op hem afkomen. Dat blijkt alleen al daaruit, dat belijdenissen ontstonden daar waar de belijdende gelovigen in een bepaalde tijd in een bepaalde situatie waren geplaatst, t.w. waar zij, die bepaalde mensen, stuitten op dwalingen die tóen aan het geloofsleven der Kerk afbreuk dreigden te doen. De opstellers van de belijdenisgeschriften waren mensen, met menselijke tekortkomingen en gebreken en onvolkomen inzichten, óók onvolkomen geloofsinzichten. Zo'n belijdenis is dus maar niet alléén „op rekening te schrijven" van de Zich openbarende en in de mens werkende God, maar haar zal in uitdrukkingswijze, in probleemstelling en in het getuigen daaromtrent allerlei menselijks aankleven.

Enerzijds zou men alléén kunnen zien op de werkzaamheid Gods, die tot het geloof beweegt. De belijdenis komt dan in plaats van onder de Schrift, naast de Schrift te staan.

Het andere uiterste is, alléén op het „menselijke" in de belijdenis te letten. Die wordt dan weergave van een mening, die onbelemmerd discutabel is.

Hoe moet men nu met het oog op de waardering van de belijdenisgeschriften deze twee kanten tegen elkaar afwegen?

De ene gedachte, dat achter de belijdenis de Gever van het geloof staat, doet recht aan het eigen, geestelijke karakter van de openbaring.

De andere gedachte, dat de belijdenis door feilbare mensen tot ons komt, doet dat niet. Die degradeert, op zichzelf genomen, de belijdenis tot een mening zonder meer. Andere meningen zouden daarnaast evenveel recht hebben.

Natuurlijk zal ds. Groenewoud, en zullen anderen met hem, dit laatste niet bedoelen. Toch ontkomt men niet aan de indruk, dat er te weinig oog is voor het geloofsgehalte van de belijdenis, en het gave-Gods zijn van het geloof, als men zo doorborduurt op alle narigheden die men van de belijdenis-opstellers kan opsommen. Daarvan is uitsluitend het onvolkomen geloofsinzicht van belang. Maar dat komen wij in de Schrift en in de kerkgeschiedenis alleen maar tegen in kwantitatieve-, nooit in kwalitatieve zin. Alleen maar in de zin van: meer of minder; niet in de zin van: iets anders. Het aandragen van die narigheden is dus minder relevant (ter zake).

In dit spreken vanuit de feilbaarheid, onvolkomenheid enz. zit iets degraderends. Het draagt de stempel van een relativerend denken dat in algemene zin teruggaat op Kant, en in bijzondere, theologische zin op de transcenderende beschouwingen in de nieuwe theologie, die ook de Confessionele Vereniging bepaald niet onberoerd heeft gelaten. Het is inconsequent, zich enerzijds in termen van dit relativerende denken uit te drukken en anderzijds te zeggen dat men de belijdenis niet wil relativeren. 

Wat wil men met dat spreken vanuit-het-menselijke? Zijn er in onze kerk dan zó velen, die zonder dat de belijdenis geheel op één lijn met de Schrift zouden willen stellen? Is men heus bevreesd voor een te gemakkelijk hanteren van de belijdenis als wet? Ach, neen. Zulk een hanteren verhoudt zich tot een recht, voluit functioneren van de belijdenis, als een angst-voor God zich verhoudt tot de vreze des Heeren.

Hoe de belijdenis dan in de kerk recht functioneren kan, nu, bij deze toestand van de kerk? Niet in de eerste plaats als rechtsregel binnen de Kerk (dat ook wel eens, alstublieft). Maar laat men beginnen met de erkenning, dat daar het zaligmakend geloof aan het woord is. Dat mag men dan met genoegen verifiëren met de Schrift in de hand zoveel men wil; maar dan drukt men zich niet zo uit, dat de belijdenis „altijd" aan de Schrift „moet" worden „getoetst", en spreekt men liever van het afgeleid-, dan van het betrekkelijk gezag van de belijdenis, al is dat laatste letterlijk niet onjuist. Laat men zichzelf verdacht vinden, en niet de belijdenis, als men met bepaalde stukken van die belijdenis niet mee kan komen; laat men die stukken naarstig onderzoeken. En laat men in geen geval de gemeente Gods in verwarring brengen met leringen, die te vrij staan tegenover het belijden der Kerk.

Dus doende, zal men bemerken dat de belijdenis nog actueel is. Niet ieder zal door alles in de belijdenis even sterk worden aangesproken, maar dat is niet zo erg. Men leze de waardevolle opmerkingen van dr. Schroten over de „latente actualiteit" van de belijdenis in Theologia Reformata van september '61.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE BELIJDENIS IN DE KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's