Meditatie
DER GELOVIGEN HOOP
En nu, wat verwacht ik, o Heere! mijn hoop, die is op U. Ps. 39:8.
We hebben hier voor ons de belijdenis van een oprecht gelovige. Met nadruk wijzen we hierop. Want een stukje van deze tekst zeggen duizenden de psalmist na. En nu, wat verwacht ik . . . Er zijn er, die nog wat verwachten of veel verwachten, zelfs nog een soort paradijs op aarde. Anderen hebben geen enkele verwachting meer. Men denkt het liefst maar niet meer. We zeggen dan het eerste gedeelte van de tekst: En nu, dat wil zeggen, na alles wat ik zie, temidden van alles wat gebeurt, wat ik ondervind, wat ik te dragen heb, wat zou ik nog verwachten? Maar de tweede helft blijft achterwege. Wordt Gods naam er nog bij genoemd, dan is het ais een vloek, als een schreeuw van vertwijfeling.
Met echt geloof heeft dit niets te maken. Want als Gods Geest het waarachtig geloof in ons werkt, dan wordt het anders. Ook dan komen we tot een slotsom. En nu — zo zegt David — nu ik gezien heb, dat het leven zo kort is, dat ieder mens, hoe vast hij ook staat, enkel ijdelheid is; nu hij gezien heeft, dat alles, waar de goddelozen zich druk mee maken en zich rijk mee maken geen houvast biedt, geen levenskracht en levensbehoud geeft, nu weet hij, dat hij ze niet behoeft te benijden en het zelf ook van de dingen van beneden niet moet verwachten. Zelf is hij ook maar een vreemdeling en een bijwoner. Maar, en nu komt 't leven des geloofs krachtig tot openbaring, nu vervalt hij niet tot wanhoop.
Neen, want hij mag met al Gods kinderen nog iets, nog iemand anders kennen. Hij mag kermen de God van de vreemdelingen en de gasten. Hij mag het weten, ook uit eigen ondervinding, dat deze God Zijn gunst en zegen wonderrijk schenkt aan zulke vreemdelingen en gasten, aan zulke pelgrims, op weg naar het Vaderhuis. Hij mag zich kennen als een vreemdeling en bijwoner bij God. Hij mag weten, dat de Heere voor hem zorgt, dat hij voor Zijn rekening ligt. Daarom mag hij zich als het ware werpen in Gods armen: mijn hoop, die is op U!
Zijn ook wij reeds tot deze slotsom gekomen? Zeker, we zijn allen vreemdelingen in deze zin, dat we hier geen blijvende plaats hebben. Maar, als ge het waarachtig geloof niet deelachtig zijt, dan wilt ge hier toch wel uw thuis maken. Want als ge als ongelovige de vergankelijkheid van het leven ziet, als ge merkt, dat ge alles eens los zult moeten laten, dan klampt ge u er des te meer aan vast, dan probeert ge die vergankelijkheid maar weg te denken.
Wat ge ziet en kunt tasten is dan alles wat ge hebt.
Hoe anders en rijker en heerlijker is het dan in 't leven van de oprecht gelovige. We leren van alles zien in het licht des Heeren. We worden dan door genade juist losgemaakt van wat van beneden is. God leert ons onszelf loslaten, alle valse fundament, alles waarop wij buiten God willen steunen.
Maar God leert ons tegelijkertijd een ander fundament en houvast en schuilplaats zoeken en vinden in Zijn ontferming, geopenbaard in de Heere Jezus Christus.
Hij wordt dan mijn hoop, mijn toevlucht en mijn verwachting, midden in de grootste raadselen en tegenheden en moeilijkheden, ja al bezwijkt dan mijn vlees en mijn hart. En nu, wat verwacht ik o Heere, mijn hoop, die is op U. Dit wordt dan beleden temidden van zoveel, dat juist tegen die God en die trouw van die God schijnt te getuigen. David bevindt zich toch in een geweldige geestelijke strijd. Een groot leed is over hem gekomen. Hiervan maakt Satan gebruik om hem fel aan te vechten.
Is dat nu de gerechtigheid Gods? Zie eens hoeveel voorspoed de goddelozen hebben en let eens op de rampen van uzelf! Alles roept hem als het ware op om God aan te klagen en met God te breken. Maar neen, toch wil David dat niet. Hij wil niet tegen God spreken en God niet vaarwel zeggen. Hij wil niet dat de vijanden zich daarover vemaken zullen. Hiermee is echter de strijd niet voor hem ten einde. Zijn smart wordt zwaarder. De raadselen moeilijker. Als een vuur gaat het in zijn binnenste branden. En o, als hij toen gezegd had wat daar leefde in zijn hart... dan ware onze tekst niet geschreven.
Is het zo nog niet menigmaal ook als we God mogen vrezen? 't Moet maar moeilijk worden. Het kruis moet maar zwaar drukken. En Gods weg moet maar met ons in de duisternis gaan ...
Nu zien we echter hoe wonderlijk Gods Geest kan werken. Als David zijn mond zal opendoen om te gaan spreken, dan komt er geen aanklacht. Neen, de aangevochtene wordt een neergebogene; de felle ziel wordt een biddende ziel; hij buigt in 't stof en hij zegt: Heere leer me mijn kleinheid en vergankelijkheid maar recht kennen. Wie ben ik, dat ik mijn hand tegen U zou opheffen. Bovendien ziet hij, dat zijn lijden niet te wijten is aan wreedheid of onrechtvaardigheid van God, maar dat zijn leed in verband staat met zijn zonde. En tenslotte als alles dan voorbijgaat, ook alle eer en voorspoed en gunst van mensen, wat zal hij dan jaloers zijn op de goddelozen en wat maakt hij zich dan druk over hun zegeningen. Neen, die God niet vrezen zijn niet te 'benijden! En als hij dan mag zien, tot Wien hij zich wenden mag, welk een God Zich aan hem verbonden heeft, wie die God reeds voor hem geweest is, dan spant zich zijn geloof, dan strekt hij zich uit naar zijn God. Nu buigt hij zich neer, belijdt zijn schuld, rust in Gods weg en verwacht alles van het heil Gods in de beloofde Messias.
Mag er iets van dit hopen zijn in ons leven? Van dit hopen, dat onlosmakelijk met het geloof verbonden is? Dit kan er niet zijn zolang wij ons handhaven in eigenwijsheid en zolang wij menen God te kunnen beschuldigen en verdenken van ontrouw en onrecht. Dat is de houding van het „natuurlijk" hart, geheel en al. Dan is er geen buigen voor Gods heiligheid en majesteit en geen kennis van eigen schuld. Hoogstens kan er dan zijn een zeker hopen op een bepaalde voorzienigheid. Wie weet, misschien komt het wel weer eens goed. Of er is vertwijfeling en wanhoop.
Weet ge wanneer het anders wordt? Als God ons neerwerpt. Als God ons en ons leven gaat zetten in Zijn heilig licht. Als God ons Zijn grootheid en onze kleinheid en schuld laat zien. Dan gaat de aanklacht tegen God sterven. Ook het beklag met ons zelf. Maar dan leren we onszelf aanklagen, omdat we dan buigen onder het Woord Gods. Ge ziet dan, dat ge geen verwachting hebben kunt van uzelf of van mensen, maar als het nog terecht komen zal, dan zal het van diezelfde God moeten komen, tegen Wien wij gezondigd hebben. En van die God komt het dan ook. Daar is goede, onwankelbare grond voor. Daar is Davids Zoon en Heere Christus Jezus. Die ging de zwaarste van alle wegen. Die droeg menselijk onrecht. Maar hierin werd het hoogste recht, Gods recht aan Hem voltrokken en Hij heeft aan Gods eisen voldaan. De schuld is betaald. De zonden vergeven. In Christus wordt de hoop van het door zonde verbrijzelde hart niet beschaamd. In Christus neemt de Heere het lijden weg of, als dit niet goed voor ons is, laat Hij er ons steeds Zijn Vaderlijke kastijding in zien en geeft Hij kracht om te dragen. Want deze God doet Zich dan kennen in de Heere Jezus als een Vader voor Zijn vreemdelingen en gasten.
Dan kan ik vrede hebben met al Zijn wegen. En ook al glijden we dan bijna uit, al struikelen Gods kinderen ook hierin menigmaal, tenslotte wordt het toch weer:
Ja waarlijk, God is Isrel goed Voor hen, die rein zijn van gemoed, Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen. Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
(Veenendaal)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's