De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

EER VAN MENSEN

7 minuten leestijd

Hoe kunt gij geloven, gij die eer van elkander zoekt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?

Hier wijst Christus aan hoe het komt dat vele Joden niet tot geloof kwamen in Hem. Dat kwam doordat ze eer van elkander zochten: dus eer van mensen. Christus wees daar wel meer op. „Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen mogen geëerd worden."

Zo waren er velen voor wie dat zoeken van menseneer een belemmering was om tot geloof te komen in Christus.

Maar al was dit woord in de eerste plaats gericht tegen de Joodse leidslieden, het heeft ons ook veel te zeggen.

Dat is de reden dat zovele overigens godsdienstige mensen toch niet komen tot geloof, tot de overgave aan Christus? Zou het niet zijn, wat Jezus in de tekst zegt, dat zij de eer van mensen zoeken en bedoelen, in hun godsdienstig en kerkelijk meeleven? Dit klinkt hard. En toch zegt Christus dit om ons aan deze zonde te ontdekken, opdat we ons van onze zonde zullen bekeren en leven.

Daarom mag niemand dit woord van de Heiland bitter van zich af zetten, en denken: o, dan is het zeker maar beter om niet meer onze godsdienstige en kerkelijke verplichtingen na te komen — dan is het zeker maar beter om volop in de wereld te leven.

Neen, zo mogen we niet op dit woord van Christus antwoorden. Het is voor ons eeuwig behoud, dat we ons afvragen: ben ik soms in mijn godsdienstig meeleven ook nog gelijk aan deze Joodse leidslieden, zodat ik de eer van mensen zoek in plaats dat ik zoek de eer die van God is?

Daar is reden voor om dit te vragen. Want van onszelf zitten we allemaal in deze zonde gevangen. Dat is onze natuur geworden. Het is al begonnen bij de zondeval ia het paradijs. Eva ging in op de leugen van satan: gij zult als God wezen!

En wat was dat anders dan God van Zijn eer te beroven, en de eer die God alleen toekomt, voor zichzelf te zoeken? En dat is onze natuur geworden. We willen zo graag zelf geëerd worden. Daar maken we ons veel drukker om dan of God wel geëerd wordt. Wat kunnen we opvliegen als we denken dat iemand onze eer te na komt, maar wat is er weinig het verlangen dat God geëerd wordt!

En als we dan misschien weten te bereiken dat de mensen ons de eer geven, wat is het dan nog? Een stralenkrans van menseneer en mensengrootheid willen we om ons hoofd dragen, maar zulk een krans verbleekt.

Arme ongelukkige mens die daar nog in leeft en streeft.

Diezelfde wereld, wier gunst en eer u nu zoekt, zal u straks buitenwerpen. Dan kunnen ze u niet meer gebruiken. En wat zal menseneer u baten, als u voor God staat, en u hebt dan Gods eer niet bedoeld?

Als u dat hier niet geleerd hebt, zult u eenmaal niet kunnen instemmen met het Hed der verlosten tot Gods eer. Bidt om door de Heilige Geest uzelf te leren kennen. Want dan komen we voor God te staan, de Heilige en Rechtvaardige. Dan zien we in Zijn licht het licht. Dan zien we dat we niet Gods eer bedoeld hebben, waarvoor we toch geschapen zijn, maar dat we onze eigen eer bedoeld hebben. Dat we niet zochten de gunst van God, maar de gunst van mensen.

Wie God leert kennen, valt gebroken en verslagen voor Hem neder: Heere, Gij zijt rechtvaardig, ik heb U van Uw eer beroofd. En toch ondervinden we dan ook dat God geen lust heeft in onze dood. Want Christus is als Borg aan de rechterhand des Vaders. En nu is het alsof Hij naast ons komt staan. En we horen Zijn belofte: komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt. Nu horen we in deze belofte Zijn levende stem. Nu wor­den we door Zijn woord getrokken tot Hemzelf. En het is misschien nog met veel vrees en beven, maar we mogen ons overgeven aan Christus, aan Hem die Zelf als een eerrover van God plaatsbekledend voor Zijn volk de dood in ging, die de eeuwige dood voor hen droeg.

En nooit zien we onze zonde dieper, dan in dat ogenblik als we Christus zien hangende aan het kruis om onze zonde. Als Zijn hef de voor ons hart teveel wordt, dan toch pas worden we gebroken van verdriet. En toch ook weer gevoelen we in de smart om onze zonde de ijver van Zijn liefde die sterker is dan de dood. En met Zijn gerechtigheid bekleed worden we toch als een verloren zoon of dochter teruggeleid tot de Vader die we op het hart getrapt hebben. En dat er nu toch uit Zijn mond geen verwijt ons tegenklinkt, maar dat de Vader wil aanzien in Christus als Zijn lieve kinderen en erfgenamen, wat wordt dit groot! En dan is er blijdschap in de hemel over één zondaar die zich bekeert en die aan God weer de eer geeft.

Maar nu worden we ook vernieuwd naar Zijn beeld. Nu neemt Christus gestalte in ons aan. Hij zocht niet Zijn eigen eer, maar Hij zocht de eer Zijns Vaders. En de dagelijkse bekering is toch dit dat we ook de ere des Heeren lief krijgen. Dat we gaan vragen: wat is het meest tot eer van God?

Maar deze verandering in ons leven is er alleen door het geloof in Christus. Dat is immers een zich toevertrouwen aan Hem, wiens grote liefde ons opzocht. En als we Zijn liefde ervaren, worden de mensen steeds kleiner. Dan is het niet zo belangrijk meer om van de mensen eer te ontvangen. Als ik maar weet dat de Heere me lief heeft.

Het ware geloof, als het levend en krachtig is, kan de eer van mensen wel missen. Want dan ontvangen we eer van God, en dat is de hoogste eer die ooit ons te beurt kan vallen.

In God is al mijn heil, mijn eer. De eer, die van God is — zou dit niet de hoogste eer zijn die God schenkt, als Hij ons tot Zijn kinderen aanneemt ?

„Zovelen Hem (dat is Christus) hebben aangenomen, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden."

We hebben allen gezondigd en missen de heerlijkheid Gods.

Wat is het groot dat God ons dan toch weer met die echte blijvende heerlijkheid bekleden wil. 

Lezer, Jezus moest de Joden zeggen dat ze wel eer van mensen zochten, maar dat ze de eer die van God alleen is niet zochten.

Hoe is dit in uw leven? Zoekt u dat wel? De eer waarmee God Zijn kinderen wil vereren?

Eer van mensen verbleekt. Bouwt niet op uw jeugd of lichaamsschoonheid. Laat dat uw sieraad niet zijn.

Maar de Schrift spreekt van een ander sieraad: het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God. Daar wil God ons mee bekleden.

Al het andere gaat voorbij. De eer van mensen laat ons leeg. Maar God wil genade en ere geven.

Dat wordt zeker vervuld: bij het sterven wordt de ziel opgenomen tot haar Heere in heerlijkheid. De verheerlijking begint hier al, maar bij het sterven wordt de ziel pas geheel verheerlijkt. Dan worden alle overblijfselen van schande en zonde afgelegd.

„En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke bron der heerlijkheid behalen" (1 Petrus 5:4).

(Huizen N.H.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's