EEN GEHEEL JAAR
Nadat Barnabas op zoek gegaan was naar Paulus, hem te Tarsus gevonden had, en hem bewogen had mee te gaan naar Antiochië om daar zijn krachten te geven in dienst van het Evangelie van Christus Jezus, hebben zij samen een vol jaar lang gearbeid in de gemeente, die daar ter plaatse ontstaan was. Enkele inlichtingen betreffende die gezamenlijke arbeid van Barnabas en Paulus te Antiochië worden ons verstrekt in Handelingen 11 vers 26.
Wanneer wij daar thans iets nader op in willen gaan, stuiten wij al terstond op een moeilijkheid. De zaak is namelijk deze: Lukas gebruikt in het Grieks van de aangehaalde passage reeds aanstond een woord, dat wij op meer dan één manier vertalen kunnen. Wij kunnen het in het Nederlands overzetten met: tezamen vergaderen in de gemeente, maar ook met: gastvrij ontvangen worden in de gemeente. Daar zijn vertalers die kiezen voor de eerste betekenis, doch daar zijn er ook, die zich houden aan de tweede. De Nieuwe Vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap en prof. Brouwer in zijn „Het Nieuwe Testament, vertaald en van aantekeningen voorzien" beslissen ten gunste van de laatste mogelijkheid. Volgens hen moeten wij het dus zó zien, dat Barnabas en Paulus een geheel jaar als gasten in de gemeente van Antiochië verkeerd hebben, wier aanwezigheid men op hoge prijs gesteld heeft. Ook prof. Schonfield, een kundig Nieuwtestamenticus van Joodsen huize, zoekt het in deze richting.
Raadplegen wij daarentegen het bekende Nieuwtestamentische woordenboek van Walter Bauer, dan vinden wij bij hem precies het tegenovergestelde. Bauer vermeldt Handelingen 11 vers 26 met name onder die betekenissen van Synagoge — zo luidt het onderhavige woord — die beduiden: zich verzamelen, tezamen komen. En hij verklaart daarbij óók nog dat de toevoeging „in de gemeente" aanwijst, op welke plaats Barnabas en Paulus tezamen gekomen zijn. Zodoende gaat Bauer geheel in de lijn van de Staten-Vertalers, die niet aan een gastvrij ontvangst, maar aan een bijeenkomen in de gemeente gedacht hebben.
Dit lijkt slechts een woorden-zifterij te zijn, die bijzonder droog is. In werkelijkheid is het dit echter niet. Het is een groot verschil, of de beide broeders enkel als gasten in de gemeente van Antiochië hun plaats gevonden hebben, of dat zij in een totaal andere positie met de pas-bekeerde gelovigen tezamen vergaderd hebben. Waren zij gasten, dan zijn zij nimmer leden van de gemeente van Antiochië geweest, maar werden zij het gehele jaar door als vreemdelingen beschouwd.
Wij geloven, dat hetgeen wij elders vernemen — voomamelijk datgene wat wij lezen in Handelingen 13 vers 1 v.v., waar Barnabas en Paulus genoemd worden onder de profeten en leraars te Antiochië —, ons het recht geeft aan te nemen, dat wij op de veiligste weg ons bevinden, wanneer wij het woord Synagoo hier opvatten in die zin, dat Barnabas en Paulus in de gemeente bijeengekomen zijn en met de gemeente vergaderd hebben. In die bijeenkomsten hebben zij alle twee met inspanning van al het hunne zich gegeven aan het werk van het Evangelie. Het gehele jaar door — zo horen wij — hebben zij ook een grote schare geleerd.
Dat er sprake is van „leren" zet de arbeid van Barnabas en Paulus te Antiochië in een speciaal licht. Het is zeer zeker met opzet, dat Lukas niet spreekt van verkondigen, prediken, getuigen, of iets van die aard. „Leren" heeft een gans andere inhoud en strekking dan verkondigen, prediken, getuigen, enz. En Lukas weet zeer wel, dat het destijds bij Barnabas en Paulus niet om arbeid van het laatstgenoemde karakter, maar om „leren" ging. Welbewust geeft hij dan ook deze typering van hetgeen de beide mannen in Antiochië gedaan hebben, wanneer zij met de gemeente in vergadering bijeen kwamen.
„Leren" is een van de kern-woorden van het Nieuwe Testament. Er wordt een werkzaamheid mee uitgedrukt, die vooral ziet op het instrueren, het nader onderwijzen van diegenen, die reeds tot het geloof gekomen zijn. Wie „leert", acht zich geroepen een zodanig onderricht te geven aan de leerling, dat deze dieper wordt ingeleid in de wil Gods, die hij te gehoorzamen heeft. Als er geleerd wordt door de een of ander, heeft dit derhalve steeds betrekking op een funderen in de Schriften. Het beroep op het woord Gods bij het leren altoos sterk op de voorgrond.
Nu moeten wij niet denken, dat „leren" alleen een louter verstandelijke bezigheid was. Het was niet de bedoeling enkel intellectuelen kennis bij te brengen, noch ook stond de bevrediging van het intellect centraal bij dit alles. Zo was het wel bij de Grieken. In de Griekse wereld was het onderwijs gericht op het meedelen van verstandelijke kennis en op de ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid. Verscheidene geleerden hebben daar op gewezen. Wie daar meer van wil weten, kan uitstekend terecht bij: H. Frankfort a.o. „Before Philosephy — the intellectual adventure of ancient man", chapter VIII.
In de Schrift wordt evenwel een „leren" van een geheel ander type bedoeld. Daar komt het aan op zulk een onderricht in de wil Gods, in het woord des Heeren geopenbaard, dat het resultaat mag wezen een in de praktijk gehoor geven, een in daden omzetten, een in gehoorzaamheid beleven van wat de Heere gezegd heeft. Gods wil is er niet om er slechts kennis van te nemen. Voorzeker niet. Gods wil is er om gedaan, betracht te worden.
Wij kunnen nu wel enigszins begrijpen, wat de bedoeling geweest is van het „leren", dat Barnabas en Paulus, in nauwe onderlinge verbondenheid, te Antiochië verricht hebben. Met hun tweeën hebben zij het als hun roeping beschouwd om de gelovigen in deze stad in te leiden in de Schriften, en hen te funderen, Schriftelijk te funderen, in het geloof in Christus Jezus, opdat zij mochten wandelen, waardig der roeping, waarmede zij van Christuswege geroepen waren.
Wij moeten daarbij niet over het hoofd zien, dat de leden der gemeente van Antiochië dergelijk onderricht, aan de hand van het woord Gods, in hoge mate van node hadden. Het grootste gedeelte van hen, die in Antiochië tot de gemeenschap met Christus geroepen waren, was immers uit de heidenen afkomstig. Dat beduidt, dat zij niet alleen noodzakelijk nader in aanraking met het Woord des Heeren dienden gebracht te worden, en onderwezen in de Schriften, omdat zij daar niets van af wisten; maar óók, dat het onontbeerlijk voor hen was om te mogen horen, hoe de 'Heere wilde, dat zij leven zouden, en dat hun wandel wezen zou. Het geloof in Christus Jezus impliceerde toch ook een levenswijze, die in genendele overeenkomt met wat van huis uit in het heidendom dienaangaande vernomen was. Als Jezus Christus de Heere van het leven geworden is, dan heeft dat ook consequenties voor het staan in de wereld.
Het is curieus, dat Lukas, onmiddellijk in aansluiting op het bericht, dat Barnabas en Paulus een brede schare geïnstrueerd hebben gedurende het jaar, waarin zij in de gemeente tezamen vergaderd hebben, ons overlevert, dat de discipelen het eerst, voor de eerste maal, te Antiochië Christenen genaamd werden.
Wij mogen daaruit afleiden, dat deze naamgeving in directe relatie staat met de leer-ai'beid van deze twee dienstknechten des Heeren, zoals die in Antiochië plaats gevonden heeft. Ook menen wij niet te ver te gaan, als wij stellen, dat juist uit het geven van deze naam blijken kan, dat het werk van Barnabas en Paulus onder de zegen Gods rijke vruchten gedragen heeft. Er komt immers uit naar voren, dat de gemeente van Antiochië bepaalde trekken ging vertonen, die opvallend waren. Zó opvallend zelfs, dat zij aanleiding gegeven hebben tot een naam, waarin die trekken onder woorden gebracht waren. Het kan niet anders, of Christus moet in het leven der gemeente van Antiochië, mede onder invloed van Barnabas en Paulus, zó het middelpunt gevormd hebben, dat met de naam „Christenen" nauwkeurig gekarakteriseerd werd, waardoor de gelovigen opvielen: zij waren vol van Christus, spraken altijd over Hem, en werden gekenmerkt door een voortdurende betrokkenheid op hen in hun geloofsleven. Ware dat niet het geval geweest, geen mens zou ooit op de gedachte gekomen zijn hun de naam „Christenen" toe te delen, een naam, waar het woord „Christus" het bepalende bestanddeel van is.
Met nadruk moeten wij onderstrepen, dat tot op dat ogenblik de gemeente van Christus andere namen gedragen heeft. Enkele van die namen, die ook later nog wel in zwang waren, zijn b.v.: Nazoreeers (Hand. 24 vers 5); discipelen (o.a. Hand. 6 vers 1; 9 vers 1; 14 vers 22); heiligen (Hand. 9 vers 32; 26 vers 10; 1 Cor. 1 vers 2); broeders (Hand. 1 vers 15; 9 vers 30; 11 vers 1 etc); gelovigen (Hand. 10 vers 45; Ef. 1 vers 1); die van die weg waren (Hand. 9 vers 2; 24 vers 14); die zalig worden (Hand. 2 vers 47); uitverkorenen (Matth. 24 vers 22; 2 Tim. 2 vers 10); gemeente (Hand. 5 vers 11; 8 vers 1; 9 vers 31).
Van al deze namen gaat een grote zeggingskracht uit. De naam Christenen is in het Nieuwe Testament evenwel een naam, die slechts zeer sporadisch voorkomt. Wie in een concordantie een blik werpt, zal bemerken, dat hij in het geheel maar drie maal wordt aangetroffen; en wel in Hand. 11 vers 26, waar wij momenteel mee bezig zijn; in Hand. 26 vers 28, waar koning Agrippa hem in de mond neemt, als hij zegt: „Gij beweegt mij bijna een Christen te worden"; en in 1 Petrus 4 vers 16, waar de apostel schrijft: „Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele". Al deze plaatsen maken er ons opmerkzaam op, dat de naam „Christenen", hoe weinig hij ook in het Nieuwe Testament gebruikt wordt, tenslotte tóch een naam geweest is, die al meer en meer in het dagelijkse spraakgebruik is ingeburgerd. Dat wordt nog gestaafd door het feit, dat hij bij oude kerkvaders als Ignatius van Antiochië, in oudchristelijke geschriften als de Didachè en het Kerygma Petri, en bij heidense schrijvers als Lucianus, Tacitus, en Phnius te vinden is zonder verder commentaar.
In het Grieks luidt deze naam: „Christianoi". Dat is merkwaardig. Het blijkt een Grieks woord te zijn met een Latijnse uitgang. Daar wordt ons mee geleerd, dat in Antiochië, waar het Grieks voertaal was, ook het Latijn zijn sporen heeft nagelaten. De omgang met de Romeinse bestuursambtenaren en soldaten heeft tot gevolg gehad, dat men zich in Antiochië vele latijnse woorden en namen heeft moeten eigen maken. En dat heeft zijn stempel gedrukt op de taal, die men sprak.
„Christianoi", als Grieks woord met een Latijns achtervoegsel, geboren in de wir-war van het bonte internationale leven van de handelsstad aan de Orontes, wil op de wijze der Romeinen aangeven, dat het gaat om een groep, om een partij, om een gemeenschap van mensen, die aanhangers zijn van een zekere Christus. Evenals Herodianen partijgangers van Herodes, Pompeïanen en Caesarianen aanduidingen zijn voor politieke groeperingen rondom Pompeius, respectievelijk Caesar.
Een probleem, waar velen zich mee bemoeid hebben, is, of de naam „Christianoi" uit het midden der gemeente zelf is opgekomen, of uit dat van de heidense bevolking. Het is ongeloofwaardig, dat het Joden geweest zijn, die de gelovigen aldus voor het eerst genoemd hebben. Zij zullen er zich stellig nooit voor geleend hebben om de Messias in verband te brengen met de groep, waar Barnabas en Paulus onderricht aan gaven. Het moet dus volstrekt uitgesloten geacht worden, dat de naam van deze kant gekomen is. Met de meeste geleerden zijn wij van oordeel, dat wij het best kunnen veronderstellen, dat het de heidense inwoners van Antiochië waren, die — misschien spottend — de gemeente deze naam hebben toegedacht. Helaas hebben wij echter in dit opzicht geen enkele zekerheid.
Deze kwestie latend voor wat zij is, is het niettemin goed, dat wij vasthouden, dat de naam „Chritianoi" alleen maar een naam, die voor de gemeente van Antiochië toepasselijk was, wezen kon, omdat Christus ze in alles bij haar in het centrum stond. Dat geeft op zichzelf al rijke stof tot nadenken en tot zelfbeproeving!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's