DE MENS
Tot een levende ziel.
De mens wordt tot een levende ziel. We staan bij de geboorte van een psychische (of: natuurlijke) mens, die ons door de apostel Paulus wordt getekend, in onderscheiding van de pneumatische of geestelijke mens (1 Cor. 15 : 45).
De inblazing van de levensadem door God was alzo een scheppende daad. Hij werd tot een levende ziel, dat wil zeggen: de uit het stof der aarde geformeerde mens werd tot een levende ziel. Daardoor en daarmede werd de corporele mens tot leven gewekt. Het corporele organisme begon te functioneren. De tekst geeft niet de minste grond voor een onderstelling in de richting van enige evolutie-theorie, alsof de door God uit het stof der aarde gevormde mens bijvoorbeeld reeds een animale ziel zou hebben gehad, waaraan God nu een menselijke ziel toevoegde, of wat men daarbij denken wil.
Anderzijds is er ook geen reden om hier een naïef-kinderlijke voorstelling te lezen, alsof God een kleipop had geboetseerd, die dan door inblazing des Geestes een levende ziel werd. Dergelijke voorstellingen vinden hun oorzaak in de zucht van de mens om de wording en oorsprong der dingen en die van ons geslacht te willen doorgronden, terwijl de schepselmatige bekrompenheid van ons natuurlijk verstand altijd bestaande dingen uit andere bestaande dingen wil verklaren. Het geloof echter verstaat, dat de dingen, die gezien worden, zijn voortgekomen uit dingen, die niet gezien worden, namelijk uit de onzienlijke werkelijkheid der scheppende kracht Gods (Hebr. 11: 3). Naarmate wij daarvoor een open oog krijgen, zien we de eeuwige kracht en goddelijkheid zich alom openbaren. Prof. Ritter, destijds hoogleraar in de wijsbegeerte te Utrecht, sprak over het wonder te Kana, waar Christus water in wijn veranderde, en maakte de opmerking: „water in wijn veranderen, doet God elke dag in de wijnstok". Daarin schuilt een diepe waarheid. Het scheppingswonder in de wijnstok is waarlijk niet minder wonder dan de onmiddellijke verandering van water in wijn. Het is alleen meer gewoon geworden, zodat we het wonder niet zien. Het geschiedt in fasen en etappes, het een uit het ander, en heeft zijn momenten en tijdsverloop.
Maar God is aan geen plaats of tijd gebonden. De categorie van de tijd is niet van toepassing op Hem, die de eeuwigheid in zich zelf heeft. Hij heeft geen enkele behoefte aan fasen en etappes, zoals Hij te Kana geen behoefte had aan een wijnstok. Indien het Hem behaagt het corporeel organisme te scheppen, heeft Hij geen behoefte aan levende praeformaties, want Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er.
Hierin is het wonder der scheppende Majesteit, als Hij uitvoering wil geven aan het goddelijk voornemen, laat ons mensen maken naar Ons beeld, heeft Hij het bestaande niet nodig om het nieuwe in het aanzijn te roepen. Hij gebiedt. Zijn scheppende Woord gaat uit en de mens naar zijn corporele organisatie is er. Hij blaast hem de adem des levens in en hij leeft. Of, zoals wij tijdgebonden mensen het zouden kunnen uitdrukken: in één punt des tijds is het geschied.
Geen mythe, geen sage of sprookje, maar goddelijke openbaring, en door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid en we verstaan ook, dat wij daarom het werk Gods met ons schepselmatig verstand niet kunnen analyseren.
Hij werd tot een levende ziel. Kennelijk heeft God die levende ziel tot levensprincipe van het lichamelijk organisme gesteld. Bij de inblazing van de levensadem begon het psychisch-somatisch organisme te functioneren. Hij ziet, hoort, gevoelt en reageert.
We hadden het over één punt des tijds en willen een poging wagen dit punt in de geest te benaderen. Hoe zal dat met die mens geweest zijn? Mogelijk zijn we niet al te ver mis, als we denken aan iemand, die in een vreemde omgeving ontwaakt uit een diepe slaap, of uit een staat van onbewustheid. Zien, horen, gevoelen waren vreemde gewaarwordingen, wat gezien en gehoord wordt, waren vreemde gestalten en geluiden. In de worsteling om het meester te worden, wordt hij uit de onzekerheid van waken en dromen opgeschrikt door de greep van een hand, die hem op zijn voeten zet, en een stem, welke tot op zijn gebeente doordringt, roept: Adam!
Adam? Wie is het, die hem bij zijn naam roept, een naam, die hij zelf niet kent? Hij is niet alleen in deze vreemde omgeving en hij wordt gekend! De eerste schemering van zelfbewustzijn en persoonlijkheid is aangebroken. Als hij de ogen opslaat, ziet hij de Ander, ja. Hij is de Ander. Heilige ontroering vaart door zijn ziel en hij valt aan Zijn voeten in aanbidding, „mijn Schepper en mijn God".
De morgensterren zongen tezamen en al de kinderen Gods juichten (Job. 38 : 7).
De mens ontwaarde zijn Schepper en zou Hem nader leren kennen. Hij nam hem bij de hand en leidde hem binnen de hof van Eden. Hij onderwees hem omtrent de kruiden en planten, omtrent de dieren des velds en omtrent Gods ordinantiën.
Hij stelde hem over de schepselen tot een heerser (vgl. Gen. 1: 28-31). Hij bracht hem bij de boom des levens, midden in de hof. Hij heeft gesproken van de kracht van zijn vrucht in verband met het bereiken van zijn eeuwige bestemming en gaf aan die boom een sacramentele betekenis (vgl. Openb. 2 : 7, 22 : 2).
In het midden van de hof bij de boom des levens stond nog een andere boom, een bijzondere, die der kennis des goeds en des kwaads. Toen God de mens daarover ging spreken, klonk de stem, die hem zo vreedzaam en liefelijk had begeleid, streng en gebiedend. Had Hij zoeven het vergezicht geopend op een eeuwige bestemming in heerlijkheid, thans ging het over de grondregel van alle heerschappij en orde: gehoorzaamheid aan de hoogste Wil, door welke alle dingen zijn en geschapen zijn (Openb. 4: 11). Hij het hem zien, hoe alle schepsel gehoorzaamt op Zijn wenken en dat ze niet anders kunnen. Geen andere „noodwendigheid" dan het bevel van Zijn wil. Niet anders kunnen, maar de mens naar het beeld Gods geschapen is een geestelijk-zedelijk wezen. Hij leeft niet zich zelf. Hij is afhankelijk van zijn Schepper in alles, doch „zedelijk" wezen, dat involveert een ondoorgrondelijke vrijheid. Het zedelijk wezen kan de wil Gods gehoorzamen en ook weerstaan, het mysterie van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Over geen zaak is ter wereld zoveel gedacht en geschreven als over goed en kwaad, over zedelijke vrijheid en deze ganse samenhang, zonder ook maar tot enige klaarheid te komen.
Edoch, deze ontstellende waarheid staat vast: de mens kan Gods bevel weerstaan. Hij kan zijn leven in eigen hand willen nemen. Hij kan ongehoorzaam zijn, doch ten koste van zijn eigen leven. Daarvan heeft God hem onderricht. Van deze boom zult gij niet eten, want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen. 2 : 17).
De zon ging onder. De schemering viel. Was God weg? Zo maar in onzichtbaarheid verdwenen? De mens was alleen, had Hij niet gezegd: „Het is niet goed, dat de mens alleen zij? "
Aan de voet van de boom des levens vleide Adam zich neer, vervuld van al wat hij gezien en gehoord had. Dat was veel en omvatte de grondslagen van de wijsheid der eeuwen. Al wat hij gehoord en gezien had — een nieuwe ontdekking — het was niet verdwenen in de nacht, neen, het was bij hem, het was in hem, het had in zijn binnenste gestalte aangenomen: de wereld in haar pracht van prille schepping, de hof, de boom des levens en de boom der kennis, ook God zelf, zoals Hij hem verschenen was, en wat Hij gezegd had, nog klonk het na: „Te dien dage zult gij zekerlijk sterven".
Dat lijkt toch wel een sprookje of een mythische voorstelling. Helaas zijn er, die het zo nemen en die nooit zullen verstaan, dat we ook in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis met geschiedenis te maken hebben, dus met feiten en werkelijkheid.
Nergens geeft de Schrift aanleiding om te veronderstellen, dat God niet rechtstreeks met de mens gesproken heeft. En zo ooit, dan mag dit hebben plaats gevonden, zoals ook de Schrift getuigt, met de pas geschapen mens.
Wat zouden zij, die de historische openbaring door het rechtstreekse spreken Gods ontkennen, en slechts aan mythische voorstelling willen denken, dan voor ware werkelijkheid houden? Zouden ze de eerste mens — hoe dan deze mens naar hun opvattingen in het leven verschenen mocht zijn — als een over de aarde dolend wezen willen zien, dat zonder enige goddelijke openbaring over, wat hij van de dingen ziet, loopt te filosoferen of peinzend onder een boom zit?
Zelfs theologen hébben soms zo grote waarde en betekenis gehecht aan de „algemene openbaring", dat is de openbaring der schepping en aan het vermogen van de mens in de reine staat, waarin hij geschapen werd, dat zij de veronderstelling wagen, als zou de oorspronkelijke mens zonder bijzondere openbaring, zonder het rechtstreekse Woord, zijn bestemming hebben kunnen bereiken.
Dergelijke hypothesen horen in de theologie niet thuis, daar zij veeleer de juistheid heeft te ontdekken van Calvijns oordeel, dat de mens nooit zonder 't Woord Gods is geweest (Inst. 1.6.1). Zulke opvattingen staan trouwens niet op zichzelf, maar passen in het kader van filosofische wereldbeschouwingen, die uitgaan van evolutionistische thesen, van verwantschap of identiteit van het menselijk redevermogen met een wereldrede, van autonomie van de mens en dergelijke in de grond der zaak heidense gedachten.
Voor de opvattingen omtrent de verhouding van theologie en filosofie is trouwens van beslissend belang, welk standpunt men als het juiste verkiest. Indien de Woordopenbaring van zijn schepping aan, zoals de Schrift onweerlegbaar leert, de mens heeft begeleid, is de theologie primair en de filosofie surrogaat en product van de gevallen mens.
Is echter, wat men slechts tegen het duidelijk getuigenis van de Schrift in kan beweren, de Woordopenbaring, het rechtstreeks spreken Gods, na de val, er bij gekomen, dan zou volgens de scheppingsorde de filosofie primair en de theologie bijkomstig zijn.
De kwestie is derhalve niet zo onschuldig, hoewel de beslissing voor het geloof niet moeilijk is.
Doch nu ook verstandelijk beoordeeld. Wat lijkt nu meer op een sprookje, de duidelijke en door haar majestueuze eenvoud treffende beschrijving van de Heilige Schrift of de bedenkselen van een ongelovige geest aangaande de oorsprong van de mens, waaraan bovendien de kracht van wetenschappelijk bewijs volkomen ontbreekt?
Ja, maar... gij hebt het toch wel erg eenvoudig voorgesteld, merkt iemand op. God, zo maar sprekende met de mens, alsof Hij daar in zichtbare gestalte voor hem staat, hem bij de hand grijpt, menselijke taal spreekt, hem bij zijn naam noemt en binnenleidt in de hof ... Het lijkt wel, alsof God in menselijke gestalte daar aanwezig was. Het is alles zo heel erg menselijk. Kan dat zo geweest zijn, of doen de filosofen dan eigenlijk niet meer recht aan Gods verhevenheid, onkenbaarheid en geheel-anders-zijn?
Dat lijkt wel zo, maar, als God niet zo eenvoudig en reëel met de mens op menselijke wijze en in menselijke taal overeenkomstig menselijk-schepselmatige structuur en vatbaarheid had gesproken, zou Hij dan wel gesproken hebben? Immers neen!
Doch wat al dat zo heel menselijke aangaat, heeft God de mens niet geschapen? Heeft Hij hem niet gemaakt, lichaam en ziel? Heeft Hij niet zijn redevermogen, zijn spraakvermogen, zijn taal, — denk maar aan de spraakverwarring — (Gen. 11 : 7) geschapen?
Dan vragen wij onder verwijzing naar de vier en negentigste psalm (vers 9), zou Hij die het menselijke spraakvermogen en de menselijke taal geschapen heeft, die taal niet spreken, als Hij zich aan de mens openbaart, die in de kennis van God zijn leven en eeuwige bestemming zal vinden?
Bovendien doen we niet anders dan het getuigenis der Schrift na zeggen: En God zegende hen en God zeide tot hen (Gen. 1: 28). Dat poneert toch goddelijke tegenwoordigheid en een taal, die de mens verstaat? En dat niet alleen, maar het gaat ook over de verhouding van de mens tot de geschapen werkelijkheid, waarin hij zijn aardse taak heeft te volbrengen. Het gaat over de dingen, die gezien worden, en, zoals ze door de mens worden gekend, hetgeen geen andere uitdrukking kan vinden dan in voorstelling en in expressie van het menselijk bewustzijn, de menselijke taal.
Dan nog een vraag: valt het goddelijk onderricht aan de mens, die uit Gods scheppend Woord tevoorschijn treedt, niet onder de scheppende arbeid van dat Woord?
Het Middelaarsambt der schepping kan toch niet bepaald zijn tot de scheppende actie, die de mens in het aanzijn roept. De onderhouding en regering der wereld, de werken van Gods voorzienigheid en heel het goddelijk bestier gaat niet buiten het Middelaarschap van het, Woord om. Tenslotte is dat scheppende Woord dezelfde, die ook als Middelaar der verzoening en Rechter der ganse aarde zegt: „Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde" (Matth. 28 : 18). De gaven van kunst en wetenschap, van regering en heerschappij komen niet minder dan de gaven van geloof en kennis door Hem tot ons. Ook de zogenaamde natuurlijke gaven zijn gaven Gods (Inst. III. 14.2). Hoever Gods bemoeienis met de aardse dingen gaat, kan men verstaan uit de gelijkenis van de landman, welke spreekt van het goddelijk onderricht in het beleid van de landbouw (Jes. 28: 23-29). Het vinden en ontdekken in de praktische arbeid en in de wetenschap, komt ook voort van de Heere der heirscharen (ibidem vs. 26 en 29).
Onze voorstelling van Gods omgang met Adam ligt derhalve geheel in de Schriftuurlijke lijn. Blijft nog over de realistische wijze, waarop de tegenwoordigheid Gods werd gezien. Let wel, over de tegenwoordigheid Gods als feit kan geen verschil van mening zijn bij degenen, die lezen wat er staat. De gestalte, waaronder God verscheen en tegenwoordig was, is echter klaarblijkelijk van zo ondergeschikt belang, dat de Schrift er niets naders van meldt.
Aangezien de Zoon, het Woord ook Middelaar der openbaring is, hebben we in deze geschiedenis derhalve aan de tweede Persoon te denken. Trouwens de Schrift zelf leert ons dat niemand ooit God gezien heeft en dat de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is. Hem ons heeft verklaard (Joh. 1 : 18). Verder zegt Christus: „die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien" (Joh. 14 : 9). We kunnen dat verstaan, wijl de Zoon wordt genoemd: „het uitgedrukte beeld van de goddelijke zelfstandigheid" (Hebr. 1:3).
Waar de Schrift alzo spreekt van God, die spreekt, die verschijnt, die zich op enige wijze openbaart, in tekenen en wonderen, daar spreekt en handelt Hij door de Zoon. Dit sluit uiteraard het werk van de Heilige Geest niet uit, die aan de Zoon gegeven is, niet met mate, maar in zijn volheid. De Zoon is de met de Heilige Geest Gezalfde, de Messias, de Christus. We mogen het dus voor waar houden, dat alle Godsverschijningen theophanieën Gods zijn in .en door de Zoon in Zijn Middelaarsambt. Letten we daarop, dan ontdekken we, dat er op vele plaatsen sprake is van de engel des Heeren en dat deze vereenzelvigd wordt met God de Heere. Een engel neemt geen goddelijke eer aan, maar de engel des Heeren laat zich aanbidden (Richt. 6 : 17). De engel des Heeren vindt Hagar bij de fontein, roept haar ter verantwoording, zendt haar terug naar Saraï, geeft haar de belofte van een groot geslacht en spreekt daarbij met goddelijk gezag: „Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen" (Gen. 16 : 7vv.).
Een sprekend voorbeeld vindt men ook in de geschiedenis van Abrahams offer op de berg Moria. De engel des Heeren riep van de hemel, hield hem terug van de offerande van zijn zoon, en ten tweede male roepende openbaart Hij zich als God: „Ik zweer bij Mijzelve, spreekt de Heere" (Gen. 22 : 11).
In de bekende geschiedenis van Mozes' roeping, als hij in de woestijn de kudde van Jethro hoedde, verscheen hem de engel des Heeren in de vuurvlam van de braambos en openbaarde zich als de God zijns vaders en de God van Jacob (Exod. 3 : 2vv.).
De engel des Heeren verschijnt ook in de gedaante van een man, bijvoorbeeld aan Abraham bij de eikenbossen van Mamre. Abraham hief zijn ogen op en zag drie mannen van wie één kennelijk de Heere was (Gen. 18 : vv.).
Ook het boek Daniël geeft daarvan een zeer sprekend voorbeeld: „hij zag een man met linnen bekleed" (Dan. 10 : 6), ongetwijfeld een verschijning van de Messias (vgl. Dan. 10 : 6 met Openb. 1: 13-16). Een, de mensenkinderen gelijk, raakte aan Daniels lippen (Dan. 10 : 16, zie ook vs. 18). Daniël is zich ervan bewust, dat het de Heere is.
De Schrift is met deze voorbeelden niet uitgeput, maar de genoemde plaatsen zijn genoegzame gronden om te mogen aannemen, dat de Heere God aan Adam verscheen als de engel des Heeren. En het komt ons niet waarschijnlijk voor, dat Hij hem verscheen als de vuurvlam in de braambos. In overeenstemming met geheel de situatie, welke de scheppingsgeschiedenis tekent, past een vriendelijke en gemeenzame gedaante van een zich aan de pas geschapen mens bekendmakende en hem in de luister van een gans nieuwe schepping inleidende God. We zijn geneigd te denken aan Een, als de gedaante van een mens (vgl. Dan. 10 : 13).
Errata: vorig artikel „De mens", blz. 27, staat 'laatste kolom regel 13/14 van boven bepaalde kijk; lees: bepaaldelijk. Regel 10 van onder staat uitblazing; lees: inblazing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's