De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE MENS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE MENS

10 minuten leestijd

Gods wereld voor ons.

God schiep de mens naar Zijn beeld. Professor Aalders verstaat het zo, dat de mens het beeld van God is (Korte Verkl. Gen. 1, Kampen, 49. blz. 96). Dat is trouwens, gelet op de uitspraak van 1 Kor. 11 : 7, juist: „overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is".

De mens Gods beeld. Het kan bezwaarlijk anders worden verstaan, dan dat daarmede het wezen der mensen is uitgedrukt. Lichaam en ziel, zoals God hem schiep, is hij het beeld Gods. Dat is zijn wezen.

Of God dan ook lichamelijk is? Het antwoord is duidelijk: God is Geest (Joh. 4 : 24). Derhalve heeft God geen lichaam. Toch behoeft men het lichamelijk bestaan van de mens niet in strijd te achten met het feit, dat hij het beeld Gods genoemd wordt, want hij heeft dat corporele bestel nodig met heel zijn organisme om tot een levende ziel te kunnen worden. Immers het corporele organisme is de verbinding tussen de schepping Gods, zoals die buiten ons existeert, en de ziel, door middel waarvan deze de omringende wereld, waarin zij leeft, als in een levend beeld ontvangt en in zich draagt. De ziel kan trouwens over een andere wereld dan die der levende voorstellingen niet spreken. Zij kent geen andere wereld dan de aldus gekende, de wereld, zoals die voor het bewustzijn verschijnt.

Zoals God de wereld, die Hij voornemens was te scheppen in de Raad der schepping van voor de grondlegging der wereld in zich heeft, zo draagt de mens een schepselmatige afspiegeling van de geschapen wereld in zich. De zelfstandigheid van de ziel wordt niet miskend of opgeheven door de omstandigheid, dat haar inhoud, wat de kennis van de schepping aangaat, door het corporeel organisme (en door de omgeving, waarin zij leeft) wordt bepaald. Want psychische vermogens van verstand en rede, onderscheiding en oordeel komen in actie, zodra het bewustzijn van buiten ontvangt. Wellicht kan men na deze uiteenzetting ermede instemmen, dat de mens zonder het lichamelijk organisme niet tot een levende ziel zou kunnen worden.

Wat echter in het bewustzijn vorm en gestalte heeft aangenomen, is van de ziel, want het is psychisch, — we zouden haast willen zeggen: ziellijk — van aard. Zo hebben de dingen, die gezien worden, een dubbel bestaan. Ze bestaan buiten ons, op een, naar wij geloven mogen, physische wijze en in ons op een psychische wijze. Er zijn ook idealisten, die aan de physische werkelijkheid twijfelen, maar de meeste mensen hebben genoegzame werkelijkheidszin om aan te nemen, dat zij zich bewegen in een ruimtelijke werkelijkheid, waarin zijzelf en de dingen existeren. Ten dele, lichamelijk gezien, behoren we tot die physische werkelijkheid en zijn we aan haar ordeningen onderworpen. We zijn stof temidden van stoffelijke dingen.

De levende ziel echter is van een andere orde, is door God toegerust met vermogens, die haar niet alleen in staat stellen de geschapen werkelijkheid, voor zover en zoals God wil, te kennen, maar ook denkend te beheersen.

We herhalen: voor zover en zoals God wil. We kennen toch de physische werkelijkheid op geen andere wijze, dan, zoals ze in ons bewustzijn verschijnt, dat wil zeggen, in haar menselijk gekende gestalte. Zij ontvangt die menselijk gekende gestalte door onze zintuigen, en, zoveel het verband der verschijnselen betreft, door het redevermogen.

Om dit duidelijker te maken, het volgende: vergelijk ons oog met een fototoestel. Dat toestel reageert echter niet op alle soorten lichtstralen, die door de wereldruimte schieten. Het oog is bepaald geen röntgenapparaat. Als dat zo was, zouden we de mensen als geraamten zien, omgeven door een lichte nevel. We zouden de muntstukken in hun beurs waarnemen. Doch ons oog werkt zó niet, maar God heeft het zó geschapen, dat we de wereld zien, zoals we haar zien, in zulke vormen, kleuren, in zulk een gedaante, als wij haar kennen.

Dat is niet alleen met het gezichtsvermogen zo, maar ook met gehoor en gevoel. Veronderstel, dat alle geluidsgolven en trillingen, die de wereldruimte vervullen, door ons oor werden opgenomen.... horen en zien zouden ons letterlijk vergaan. Beneden een zeker aantal trillingen echter horen we geen geluiden meer. Ook naar boven is er een grens. Zo komen alleen geluiden tot ons, die volgens Gods ordeningen voor ons menselijke oor zijn bestemd. Het oor werkt als een geluidszeef. Wanneer we ons van deze dingen rekenschap geven, moeten we tot de conclusie komen van een goddelijk bestier in de schepping, dat voor de mens het wereldbeeld heeft bepaald. Hoe die wereld op en voor zichzelf gedacht, als idee van een objectieve en ongekende werkelijkheid, zou kunnen zijn, is een vraag, waarop de mens nooit een antwoord zal vinden. Want alle gegevens, die hij daaromtrent zou menen te kunnen ontdekken, gaan altijd weer door het menselijk bewustzijn, komen weer in het menselijke terecht en zijn weer menselijk bepaald.

Het wereldbeeld menselijk bepaald! Geen toeval, maar naar Gods bestel! Wij leven ais levende zielen in een wereld, zoals die door ons in psychische gestalte gekend wordt: dat is Gods wereld voor de mens.

Een en ander geeft gerede aanleiding om een opmerking te maken over hedendaagse kritiek op het „Schriftuurlijk wereldbeeld". Dat heeft des te meer grond, omdat ook vele theologen daardoor gevangen worden, en een twijfelachtig of kritisch standpunt gaan innemen ten aanzien van het goddelijk gezag der Schrift.

Hoewel volkomen ten onrechte schijnt de mening te willen postvatten, dat de moderne mens het goddelijk gezag der Schrift en het orthodoxe „dogma" niet meer ernstig zou kunnen nemen, onder andere wegens dit „verouderde wereldbeeld".

Het wereldbeeld.

In het licht van de vorderingen der moderne natuurwetenschap kunnen we verstaan, dat de moderne astronomie de wereld voor een soortgelijke verrassing zet, als zij deed onder de leiding van Kopernicus en Galileï, toen zij ontdekte, dat de planeten om de zon wentelen, zodat de aarde ten onrechte door Aristoteles en Ptolemaeüs als het centrum van het universum werd beschouwd en deze waardering moest afstaan. Wat hebben de theologen zich verzet tegen deze excentrische positie van de aarde. Een paar eeuwen heeft het geduurd, eerdat zij begrepen hebben, dat de fout niet bij de astronomen, maar bij hen zelf school. Zij hadden de bevoorrechte positie van de naar Gods beeld geschapen mens, de kroon der schepping, gemeend te moeten eren door zijn woonplaats in het centrum van het universum te plaatsen. En toen dit werd betwist door de astronomen, waren ze ten onrechte van mening, dat de Godsopenbaring werd aangerand. De facto was het wijsgerige invloed op het theologisch denken geweest, en lag de strijd tussen twee astronomische beschouwingen. Een later geslacht heeft dit beter ingezien en het orthodoxe geloof aangaande de schepping van de mens en zijn verlossing door Christus is staande gebleven.

Toch laten zich ook in onze tijd, zelfs op kerkelijk erf, stemmen horen van gelijksoortige dwaling. Naar aanleiding van de ontdekkingen der nieuwere natuurwetenschap in haar verschillende afdelingen, gewaagt men van een „modern wereldbeeld", alsof daarmede de overgeleverde waarheid van het Schriftuurlijk Christendom overleefd zou zijn, zodat het verschillende „dogmata" zou dienen te herzien. Zelfs „geleerde" mensen doen daar aan mede, en wat nog erger is, mensen met theologische titel mengen zich in het koor, als zou de ontdekking van melkwegen en van de structuur der atomen ook maar iets te maken hebben met het geloof in de geopenbaarde waarheid Gods.

Om zulke gedachten te koesteren moet men discrepantie zien tussen de gegevens der moderne wetenschap aangaande het wereldbeeld en die van de Schrift. De Schrift geeft echter geen wetenschappelijk wereldbeeld, maar gelijk de Heilige Geest zich bedient van menselijke taal in menselijke vormen en voorstellingen, bedient Hij zich ook van het gewone, alledaagse, menselijke visuele beeld van de wereld. Dit beeld blijft zich zelf door alle geslachten heen gelijk en voor alle mensen. In zijn praktische verschijning verandert het niet, ofschoon de moderne astronomie gerugsteund door een machtige technische apparatuur tot weer nieuwere ontdekkingen en inzichten komt omtrent de structuur van het universum en de bewegingen der hemellichamen.

Het theoretische wereldbeeld der astronomie verwijdert zich intussen steeds verder van het alledaagse en de kloof tussen die twee wordt steeds dieper, vanwege de noodzakelijke eis van studie en deskundig oordeel voor hem, die met het wetenschappelijk beeld vertrouwd wil zijn.

Dat was in de dagen van Ptolemaeus heel anders. Zijn wereldbeeld sloot onmiddellijk aan op het algemene praktische visuele beeld, dat voor ons oog verschijnt, als we de wereld inblikken: de bekende pudding zwemmende in de saus en overkoepeld door een hemelgewelf, waarlangs de zon, de maan en de Echtende sterren wandelen in haar banen. Het is daarom verkeerd het Ptolemaeïsche wereldbeeld aan de Schrift op te dringen, want het praktische wereldbeeld is zo oud als de mens, en de kanon van het Oude Testament was reeds lang en van het Nieuwe vrijwel bepaald, toen Ptolemaeus de geocentrische beschouwing tot natuurwetenschappelijke theorie stempelde. Zowel Aristoteles als Ptolemaeus ging uit van het alledaagse wereldbeeld. Het is dan ook ten enenmale gewild, als men ten bewijze van het „verouderde" wereldbeeld der Schrift wijst op de uitdrukking: „de wateren onder de aarde". Dan konden anderen, als ze zo onnozel wilden zijn, wel een volmaakt modem - wereldbeeld der Heilige Schrift verdedigen op de tekst van Joib 26 : 7: „Hij hangt de aarde aan een niet".

Zij, die praten over een modem wereldbeeld, wagen zich op het terrein der moderne natuurwetenschap. De enige weg om daarover met enig begrip en inzicht te spreken is in het kennisnemen van een deskundig handboek. Wie spreekt over een „verouderd" wereldbeeld der Schrift, en meent, dat dit aan de Evangelieverkondiging en het waarachtig geloof in de weg zou staan, of de ontvankelijkheid voor het Evangelie zou belemmeren, moet zijn theologisch denken zuiveren van wijsgerige smetten en zijn theologie terugbrengen tot een Schriftuurlijke geloofsleer.

Openbaring en wetenschappelijke beschouwingen liggen op verschillend niveau. De openbaring is uit de hemel en van eeuwigheidswaarde. Zij leidt ons in de kennis van God en van de mens. De wetenschap gaat uit van de dingen, die gezien worden en tracht deze in hun verband en samenhang te doorgronden. Ze is niet tevreden met de feiten, die zij waarneemt, maar wil ze verklaren. Zij gaat uit van de dingen, die gezien worden, en tracht ze te verklaren uit andere dingen, die gezien worden. Daarboven komt ze niet uit.

Of het dan in de wetenschap ook niet om waarheid gaat? Zeker: de waarheid van het feit en de waarheid van het onderling verband, m.a.w., de waarheid van het experiment en de waarheid van het begrip. Dat is echter heel wat anders als de waarheid Gods.

Of dan de wetenschap ook niet een gave Gods is? Gaven Gods zijn onze kenvermogens, gewaarwording, verstand en rede. De ordening dezer vermogens, de organisatie van de kenfuncties en van de ons omringende werkelijkheid. De gang en ontwikkeling van het ken-proces gaan gewis niet buiten God om. Vele ontdekkingen werden zogenaamd „bij geval" gevonden. Zo ontbreekt het aan de gaven Gods niet, want juist zulke ontdekkingen bleken vaak van buitengewoon grote betekenis.

Dat alles doet niets af van de betrekkelijke waarde van de wetenschappehjke waarheid. Alles, wat van God is, is onaantastbaar, maar alles wat in de naam der wetenschap beweerd wordt, is nog geen waarheid. Het is menselijk en daarom gebrekkig en ten dele. Sprak prof. v. d. Leeuw niet van voorwetenschappelijke onderstellingen en na-wetenschappelijke beschouwingen? Ziedaar het relatief karakter. De wetenschappelijke onderstellingen en beschouwingen wijzigen zich bij de dag en niemand kan verwachten, dat de wetenschap ooit boven de betrekkelijkheid van haar waarheid uitkomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE MENS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's