De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEROEP EN ROEPING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEROEP EN ROEPING

5 minuten leestijd

Onder de woorden die sinds de reformatie in het christelijk leven sterk zijn verwereldlijkt en waarin van de oorspronkelijke betekenis in het dagelijks spraakgebruik weinig meer leeft, neemt het woord „beroep" een voorname plaats ia.

Het woord is thans algemeen de aanduiding van iemands werkkring of ambacht en doet bijna uitsluitend denken aan iemands dagelijkse tijdsbesteding, belangrijkste bron van inkomsten en sociale status. Door deze betekenis van het woord beroep wordt het verband tussen beroep en roeping nauwelijks meer gezien. Het is zelfs zo, dat er van een zekere tegenstelling tussen beide woorden sprake is. Beroep krijgt een zuiver aardse betekenis, gericht op het tijdelijke en stoffelijke, terwijl aan roeping een religieuze inhoud wordt gegeven in nauw verband met het tijdloze en geestelijke.

Het is niet de bedoeling hier een pleidooi te voeren voor het door elkaar gebruiken van beide woorden. De onderscheiding heeft zijn bruikbaarheid en betekenis bewezen. Maar het is wèl belangrijk, dat we ons bewust maken dat het beroep geen neutrale aangelegenheid is, die met een roeping weinig te maken heeft en waarvan de verantwoordelijkheid bij de mens zou eindigen. En vooral is het van betekenis dat we ons realiseren, dat het onderscheid dat we kermen in het gebruik van de woorden beroep en roeping nooit verbonden mag worden met de gedachte dat de arbeid in aardse zaken in tegenstelling zou staan — en daarom van lager waarde zou zijn — dan het bezig-zijn met de tijdloze, eeuwige dingen. De reformatie heeft dit duidelijk gezien en daarom met nadruk geleerd, dat het beroep (werkkring) niet minder is dan het gehoor geven aan het beroep (roeping), dat van Godswege op ons wordt gedaan om in gehoorzaamheid aan Hem te leven.

Tegenover Rome stelde de reformatie, dat niet alleen het werk van de geestelijke, maar ook de arbeid van de leek ambtshalve in betrekking tot God staat, en dat het beroep geen bezigheid is, waarin de mens alleen staat, maar dat zelfs de mens in het meest eenvoudige werk mag weten daarin door God te zijn gesteld. Van deze gedachte vinden we wat terug in het huwelijksformulier, waar gesproken wordt van het „goddelijk beroep".

Deze „ontdekking" door de reformatie is van vérstrekkende betekenis geweest: het leven wordt niet meer in trappen geleefd; het klooster staat niet meer boven de arbeid, geestelijke taken niet meer boven wereldlijke, de kerk niet boven de staat. Er kwam plaats voor vormgeving aan het openbare leven door de overheid naar de Schrift, voor christelijke politiek.

In de eeuwen die ons van de reformatie scheiden, heeft deze schriftuurlijke waardering van het beroep een zware tijd gehad. De eerste — onbedoelde — aanval erop is van „binnenuit" gekomen. Toen ia de zeventiende eeuw het leven naar het Woord Gods langzaam aan meer vorm dan inhoud begon te worden, kwam het piëtisme op. Tegenover de toenemende verwereldlijking en het uiterlijk geloof, legde deze stroming krachtig de nadruk op de wedergeboorte, het zelfonderzoek, de persoonlijke bevinding. Wat echter aanvankelijk een bijbelse afzondering was, een „zich onbesmet bewaren van de wereld" (Jac. 1: 27), veranderde in de achttiende eeuw meer in een wereldmijding, die tegen de verwereldlijking de verwettelijking stelde. Een tegenstelling tussen het geestelijk leven en het aardse leven kon niet uitblijven. Het openbare leven, behorend tot het aardse, werd minder gewaardeerd en kwam los te staan van het gezag van Gods Woord. Geen wonder dat tegen de aanval van „buitenaf", de liberale geest der Verlichting, weinig weerstand kon worden geboden en het leven een gemakkelijke prooi werd van het humanisme. Van de losmaking van het leven uit het verband van Bijbel en Kerk, die de Verlichting bracht, waren door de uitsluitend antithetische houding van de Kerk tegenover de wereld, de kiemen reeds aanwezig. Christenen en humanisten taxeerden de aardse dingen eigenlijk niet meer verschillend, beiden deden het los van Gods Woord.

De invloed hiervan op de waardering van het beroep is niet uitgebleven. Het verband met roeping en daarmee de religieuze inhoud verdwenen. Slechts een zedelijke inhoud bleef; het beroep werd een plicht, van roeping werd het werkkring, het kreeg een uitsluitend aardse bestemming.

Deze waardering van het woord beroep is nog springlevend. Ook in de hedendaagse waardering staat de roeping veel hoger genoteerd dan het beroep. In theorie althans. Wanneer we de passage over de wereldse bezorgdheid uit de bergrede (Matth. 6 : 19-34) zouden moeten samenvatten, zouden we wellicht tot de conclusie komen, dat het materiële wordt afgewezen om het Koninkrijk Gods te zoeken. Dit dan verstaan als het hemelse, iets wat een uitsluitend andere wereld is dan die van het gewone leven. Dat het Koninkrijk Gods ook van deze aarde is, wordt meestal vergeten. Voor de praktijk betekent dit, dat het beroep maar al te vaak tot neutraal gebied wordt verklaard, waar de wedloop van de christen met de wereld mogelijk is.

De Bijbel leert niet, dat het leven en het lichaam onbelangrijk zijn. Wel wordt veroordeeld er mee bezig te zijn als de heidenen, los van de dienst aan God, aards.

Nu is het in deze tijd van technische ontwikkeling en specialisatie niet gemakkelijk Gods leiding in de persoonlijke arbeid te ontdekken. Daarom zal het des te meer nodig zijn het hele leven naar Gods Woord te richten. Tegenover de nadruk op de persoonlijke verhouding tot God ten koste van de kerstening van het openbare leven, zien we tegenwoor­dig een sterke accentuering van de roeping van de christen in de wereld, die het „vreemdeling-zijn" bedreigt. We kunnen hierop kritiek hebben, maar alleen, wanneer ons hele leven één protest is tegen de ontkerstening van het leven. Niet, als ons beroep niet meer onze roeping is.

(Uit: Wapenveld)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BEROEP EN ROEPING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's