Meditatie
'k WOU, DAT IK EEN VOGEL WAS
Psalm 55:7 en 8: „Och, dat mij iemand vleugelen als ener duif gave: ik zou henenvliegen waar ik blijven mocht; zie, ik zou ver weg zwerven, ik zou vernachten in de woestijn".
Het opschrift boven deze overdenking, ontleend aan een versje, dat velen zich uit hun kinderjaren nog wel zullen herinneren, komt mogelijk sommigen als onderwerp voor een meditatie in de Waarheidsvriend ongepast voor. Ons orgaan is nu niet direct een blad voor kinderen, en een ernstig, volwassen mens slaakt zulk een verzuchting niet: „'k wou, dat ik een vogel was!" Zegt het niet ondoordacht. Want als u de tekst leest, zal het u duidelijk worden, dat de dichter van Psalm 55, en dat was niemand minder dan David, Israels grootste koning en de liefelijkste onder de zangers van dit volk, deze begeerte op zeker ogenblik heeft gekoesterd.
David had een gevoelig hart, een snel bezeerd, een gemakkelijk kwetsbaar hart, dat niet met een eeltlaag of stalen pantsers was omgeven.
Hij was geen Gallio-natuur; een man, die, wat ook geschiedt, zich „geen van deze dingen aantrekt". Als hij zich aan alle kanten door vijandschap, door afgunst omringd ziet; als list en bedrog grijnzen op alle hoeken van de straten van Jeruzalem, dan doet hem dit iets, dan doet hem dit veel. Dan krimpt zijn hart weg in het binnenste van hem. Dan vallen verschrikkingen des doods op hem. Dan komen vrees en beving hem aan en gruwen overdekt hem. Dan wordt het hem in zijn stad en paleis, temidden van bedriegelijke hovelingen en ontrouwe tafelbroeders, zo bang, dat hij zegt: „Och, dat mij iemand vleugelen als ener duif gave; ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht". David wil wèg. Wèg van al dat gekonkel, die huichelarij. Weg van al die intriges. Wèg van al die problemen en kwesties, die hij tot oplossing moet brengen, maar die dikwijls als raadselen zijn, die ook hij, met al zijn wijsheid, niet vermag te ontwarren.
Er zullen zeker mensen zijn, die over deze verzuchting van David hun wijze hoofd schudden; die bij zichzelf zeggen: foei, foei! En tegen anderen: had u dat nu van David, N.B. van David, gedacht? Moeilijkheden zijn er, om het hoofd te bieden. 'Het is maar laf en slap van deze koning Israels, om op de vlucht te willen gaan. David was toch een gelovige. En zegt de Schrift niet: dit is de kracht, die de wereld overwint, nl. ons geloof? Juicht Paulus niet: in Christus zijn wij méér dan overwinnaars; ik vermag alle dingen door Christus, Die mij 'kracht geeft? Neen, ik kan deze taal van David niet waarderen. Het is de taal van een onbijbels defaitisme! Neen, daaruit spreekt niet een fiere, mannelijke, koninklijke inborst.
Ik vrees, dat degenen, die zo denken en spreken, niet tot de te benijden en de te waarderen gelijkmatigen behoren, doch tot de geesteloos afgemetenen, die altijd dezelfde kalme toon bewaren. De onbewogenen, die niet beseffen, dat het geestelijke leven een zigzaglijn vertoont, en dat ook een christen zijn „op-en-neers" kent. Ook al is een moeder van een groot gezin door een levend geloof Christus ingelijfd, dan is het volkomen begrijpelijk, dat zij wel eens klaagt: „al déze dingen zijn zo onuitsprekelijk vermoeiend, dat geen mens het vermag uit te spreken". Dan is het niet minder dan hardvochtig, indien men zulk een op de rand van een overspanning levende vrouw, die er dolgraag eens helemaal uit wil, haar verlangen kwalijk zou nemen, en haar zou toevoegen: maar u moogt toch uw taak niet verzaken; uw roeping niet verzuimen! Zouden we het tot euvel mogen duiden, indien hij, rechtvaardig man, wiens ziel gekweld werd door het horen en zien van de woorden en daden dor gruwelijke mensen, verzucht zou hebben: wèg, wèg uit Sodom?
Er zijn ook in het leven van de Bijbelheiligen ogenblikken, zelfs perioden geweest, waarop en waarin zij de moeilijkheden niet meer in konden. Tijden, waarin zij dreigden weg te zinken in een donkere zee van weemoed, van levenswalging. Job komt zover, dat hij zijn geboortedag vervloekt. Elia verliest al zijn moed: „Het is genoeg, Heere, neem nu mijn ziel". Jeremia krijt het uit, in de vervaarnis zijns harten: „Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van de Heere".
Ook de waarlijk-vromen van onze dag kennen de geschoktheid, de twijfelmoedigheid, de ingezonkenheid. In de tijden, waarin de stralende geloofsvlam ineen geschrompeld is tot een kwijnende vlaspit. Magen zij: waartoe besla ik nog langer onnut mijn plaats op aarde? Het hart is dan geslagen en verdord als gras. Het gebeente kleeft aan het vlees, vanwege de stem des zuchtens. In die perioden van geestelijke matheid, van godverlatenheid is men geneigd een dichter gelijk te geven, als hij vaststelt: „Want het leven is geen vast geluk. Maar een rampspoedig Dolen in 't labyrinth. Van de gevoelens. Wie de weg weet Is hoogmoedig, Als onervaren kind".
In dagen van totale geestelijke uitputting en afmatting is er maar één verlangen in het hart: wèg. Wèg van vrouw en kind, van huis en haard, van school en fabriek. „Och, dat mij iemand vleugelen als ener duif gave; ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht; zie, ik zou ver wegzwerven; ik zou vernachten in de woestijn!" Laat ik een plek in de eenzaamheid mogen vinden, waar ik ongehoord kan zuchten, en ongezien mijn tranen de vrije loop kan geven. „Daarom kan men niet lijden ongehoord. En ongezien, terwijl men toch alléén, alléén de lange levensweg moet gaan, En toch nooit eenzaam leven kan. Altijd zijn broeders, zusters, zonen, dochters, ouders. Aanwezig en bewijzen zorg en aandacht".
David wil Jeruzalem en zijn paleis verlaten. Hij heeft schoon genoeg van bet juiste plekje, David, als gij uiting geeft aan dit van walg verzadigde verlangen? Gij staat op dit ogenblik van uw leven niet op die hoogte des geloofs, waarop gij u bevond, na de verwoesting van Ziklag door de Amelekieten, toen gij u sterkte in de Heere, uw God. Toen joeg gij de vijand achterna, en begeerde gij niet op duivenvleugelen weg te wieken. Toen kon gij zingen: „al zie ik zelfs een leger mij omringen, Noch vrees ik niet, 'k Verlaat mij op de Heer". Nu wilt ge naar de woestijn, de eenzaamheid.
Gij zoudt het een dichteres willen nazeggen: „ver van de mensen heeft mij God geleid". David, gij wilt ver wegzwerven; gij wilt vernachten in de woestijn. Maar David, dacht gij nu werkelijk, dat gij uzelf; uw hart; de onrust van dat hart kunt ontlopen? Gij neemt uw hart mee naar de woestijn. En, mens van onze tijd, die wel in zeer bijzondere zin „zat" van onrust is, gij neemt uw hart mee, zo goed achter dikke kloostermuren, als in een straaljager of in een duikboot. O, dat hart van ons, mensen, dat arglistige, dodelijke hart! Dat hart vol verscheurdheid en verwarring, vol teleurstelling en verveling, vol angst en ontzetting! Wie zal het kennen? Op deze vraag is slechts één afdoend antwoord. Ik, de Heere, ken het hart en proef de nieren. En God is meerder dan ons hart. Hij is bij machte en gewillig om ons op het ootmoedig smeekgebed, de kracht te verlenen om staande te blijven in verzoekingen en vol te houden ook al schijnt alles samen te spannen om ons moedeloos te doen neerzijgen. Hij schenkt en vermenigvuldigt Zijn Kerk deze kracht in Hem, Die het Hoofd is; in de Heere Jezus Christus, Die de strijd niet ontliep, maar de verzoeker met open vizier tegentrad.
Al is dan tegen David's begeerte, hoe begrijpelijk ook, wel het een en ander in te brengen, al moest David leren verstaan, telkens opnieuw, dat zijn plaats was in Jeruzalem, in zijn paleis, en niet in de woestijn, toch gunt de Koning der Kerk Zijn gemeente de zo nodige, onontbeerlijke eenzaamheidsuren. „Rust een weinig" zegt Christus tot Zijn jongeren. De Heere voert Zijn volk zo nu en dan in de woestijn, opdat het op adem zou kunnen komen en vernieuwde kracht voor vernieuwde strijd zou mogen ontvangen. God weet, wat van Zijn maaksel is te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten. We zouden, menselijk gesproken, voortijdig op zijn, indien wij ons nooit verpozing gunden. God gunt ons de woestijn; de steppe, de eenzaamheidsuren. Laten wij ze, als een rijk geschenk, dankbaar, uit Zijn hand ontvangen.
„Min de stilte in uw wezen. Zoek de stilte, die bezielt. Zij, die alle stilte vrezen. Hebben nooit hun hart gelezen. Hebben nooit geknield. Leer u aan de stilte laven Waar het leven u geleidt. Zij is uwe veil'ge haven. Want zij is de grote gave Van de eeuwigheid".
Als vrees en beving u aankomt en gruwen u overdekt vanwege het veelvuldige levensleed; bovenal indien gij gekweld wordt door uw eigen zondenood, vlucht dan naar de stilte, naar de eenzaamheid van de woestijn, om in die stilte God te ontmoeten; om daar voor het eerst of opnieuw met Hem in het reine te komen, om daar u door Hem te laten verdoemen, gedaagd voor Zijn vierschaar en dat van uw geweten, maar ook, om daar het vrijsprekend vonnis uit Zijn mond te beluisteren, het gratie-bewijs u te laten tonen, om u genade dóór recht u te laten bewijzen.
Drijft de levenswalg, mede tengevolge van onoplosbare problemen en onontwarbare raadselen u naar mensen, dan blijkt maar al te vaak, dat mensen niet helpen kunnen. Maar drijft de walging, die wij wegens ons gehele verzondigde bestaan aangaande onszelf koesteren, door de ontdekkende werking van de Heilige Geest ons uit tot God, dan zullen wij ervaren, dat met Christus nooit teleurgesteld uitgekomen is een zondaar of zondares, die de toevlucht tot Zijn genade leerde nemen met zijn vermoeide en beladen hart, zijn bezorgde en bekommerde ziel, zijn geheel misvormd en mismaakt mens-zijn.
(Lage Vuursche)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's