De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Prof. Ridderbos is al enige tijd 'bezig om het gereformeerde leven en denken op allerlei terreinen te analyseren, zulks in verband met verschillende alarmerende vragen aan zijn adres of toch niet het gereformeerd-zijn op diverse punten aan het devalueren is de laatste tijd. We wezen al op zijn beschouwingen wat betreft de inhoud van de prediking, de houding tegenover de oecumene en het streven tot eenwording met de herv. kerk. In het Gereformeerde Weekblad (Kok) van 26 jan. schrijft hij in de rubriek Van Week tot Week over levensvormen. Ook op dit terrein constateert hij veranderingen en verschuivingen, waar hij, op zichzelf genomen, nu niet onverdeeld gelukkig mee is:

Ik zal dit alles, dit vroegere bedoel ik, zeker niet verheerlijken. Het was alles geen goud wat er blonk. Het droeg bepaalde wettische trekken en het was ook niet altijd waarachtig. Toch was het niet enkel wettisch, noch enkel onwaarachtig. Er school, mits met evangelische zin gehanteerd, ook veel wijsheid in en ervaring. Wat wij ervoor in de plaats gekregen hebben is niet in alle opzichten beter, in vele opzichten zelfs slechter. Ik houd niet erg van voorbeelden, want ze zijn altijd willekeurig. Maar als thans op jaarfeesten van Chr. middelbare scholen na middernacht, als het gezamelijk programma beëindigd is, in de ene zaal onder toezicht van de rector het dansen begint voor de vooruitstrevers en in de andere zaal onder leiding van de conrector wat anders bedacht voor kinderen van meer conservatieve opvattingen (lees: ouders) dan voel ik toch meer voor de pedagogiek van de oude schoolmeesters dan van al deze akademisch gevormde besturen en docenten.

Maar toch meent prof. R. ook hier niet te moeten waarschuwen voor een zekere afglijding. We lezen niet van een oproep om toch van dergelijke gevaarlijke wegen terug te keren, want zo erg is het nu ook weer niet. Ook op deze punten moeten we wellicht anders leren denken en ook andere maatstaven gaan aanleggen. Hij wil niet de kant op van het restaureren, want als geestelijke methode heeft de restauratie in de geschiedenis altijd weinig uitgehaald. In ieder geval overtuigen we de radicale jeugd niet meer met zon restauratie. Prof. R. eindigt z'n artikel dan:

Of wij bezig zijn te seculariseren en hoever dat proces onder ons is voortgeschreden, is afhankelijk van de mate, waarmee wij met die vraag van het ware kerk-zijn in de wereld bezig zijn, ja er mee worstelen. De ontwikkeling der dingen schijnt er toe te leiden dat, wellicht niet door geweld en vervolging, maar door het geestelijk imperialisme van wat de Bijbel werelds denken en werelds handelen noemt de kerk op een nieuwe en radicaler wijze gesteld zal worden voor haar roeping om anders te zijn. En dat andere zal nergens anders uit kunnen bestaan dan naar het evangelie te leven, naar de woorden van Jezus. Het is zeker, dat het eenvoudige daarin van meer (betekenis zal zijn dan het ingewikkelde, en het directe belangrijker dan het indirecte. Daarom moet men de criteria vooral niet verkeerd stellen. Maar dat vanuit het centrale, ook het periferische en vanuit het gebod ook de zede en vanuit de kern ook de vorm een zaak van belang is, daaraan behoeft niemand te twijfelen. Daarom behoeft men enerzijds om het verlies van lege vormen niet te treuren; maar zal anderzijds, wanneer het vuur van binnen niet is uitgeblust, de kracht er van uitstralen ook in hetgeen men met recht de stijl van het christelijk leven kan noemen.

In het volgende nummer van hetzelfde blad gaat dezelfde schrijver weer verder met de beoordeling van de kerkelijke situatie van deze tijd. In het nummer van 2 febr. wijdt prof. Ridderbos z'n aandacht aan het streven der kerken om elkaar te vinden en tot een eenheid te komen. Het kenmerkende van dit streven is ook hierin gelegen, dat degenen voor wie de kerkelijke verdeeldheid onduldbaar is, er duidelijk op uit zijn om deze eenheidsbeweging van onder op te laten opkomen. Men verwacht het nu niet meer van besprekingen van synodes en kerkelijke commissies, nee, de héle beweging moet nu van onder op uit het gewone kerkvolk opkomen. Dat moet nu wat gaan doen, er is nu lang genoeg gepraat zonder dat dit enig aanwijsbaar resultaat heeft opgeleverd.

Onder het opschrift „Van onder op" schrijft prof. R. dan over twee evenementen waarbij deze nieuwe Van-onderop strategie wordt toegepast. Het eerste is de uit de pers bekende vijfkerkentocht in Rotterdam. Het tweede is een actie in Amsterdam, waar zich op de oproep van de achttien een organisatie-comité gevormd heeft om het grote congres van hervormden en gereformeerden voor te bereiden, dat — volgens Van kerken tot kerk — in april in de Domkerk te Utrecht zal gehouden worden. Dit organisatiecomité legt aan de gesprekskringen twee vragen voor:

Eerste vraag: Bent u bereid uw eigen kerk op te geven voor de stichting van een evangelische kerk in Nederland?

De tweede vraag: Bent u van mening, dat het bij het Heilig Avondmaal de Heer is, die u roept en dat het Zijn tafel is, of denkt u, dat het Avondmaal een middel is tot het hanteren van de kerkelijke tucht en tot voortzetting van de verdeeldheid?

Prof. R. wijst er dan op dat die beweging Van onder op toch ook weer niet helemaal aan de onderste tree begint; de actie staat namelijk onder de stevige leiding van de achttien. Hij zou dan ook liever niet spreken van „van onder op", maar „van buiten af:

Want niemand moet natuurlijk denken, dat wanneer men dit geschrift als gespreksbasis of -stof accepteert, men nog geheel op eigen wieken drijft. Men wordt „van onder op" in beweging gebracht tegen een „onduldbare" zaak, d.w.z. helemáál onder in het schip ontwaren wij de militante gestalten van niet minder dan achttien manspersonen, die goed weten wat zij willen.

Over de vijfkerkentocht ia Rotterdam schrijft prof. R. o.a. het volgende:

Maar ik zeg wel, dat de spanningen erg groot worden, 's Zondags hoor ik over de E.K. mis, dat het een v. afgoderij is en de dominee bidt: Heer, bekeer ze daarvan. En 's maandags of donderdags bid ik onder leiding van de pastoor en in een dienst die is „opgezet volgens het karakter dat de R.K. kerk daaraan verleent": Heer, verenig ons toch als R.K. en Geref. Kerken. Op de catechisaties leerde en onderwees ik, dat een kerk een belijdenis moet hebben en zich daaraan moet houden. En nu zit ik onder leiding van de Remonstrantse predikante in een naar Remonstrantse aard opgezette dienst, waarin men iedere confessionele binding afwijst, en bid: Verenig ons toch als kerken.

Over de twee vragen die door het organisatie-comité aan de gesprekskringen te Amsterdam gesteld werden nog het volgende citaat:

Eigenlijk mag je met zulke ernstige dingen niet spotten. Maar erger dan er mee te spotten vind ik de ernst waarmee deze vraag als uitgangspunt voor het „kerkelijk gesprek" wordt aangeboden. In deze lijn voortgaande zou men ter opheldering van de tegenwoordige „gezinsproblematiek" bijv. kunnen vragen: Is u van mening, dat het huwelijk er is om elkaar lief te hebben of is u de mening toegedaan, dat het een geëigend middel is elkander een echtscheidingsprocedure aan te doen? Of ook: Is u van mening, dat het middagmaal dient om samen rustig te eten of acht u het ook een uitlokkende gelegenheid elkander met de hete aardappels om de oren te werpen? Enz. enz.

In het Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk schrijft ds. Groenewoud over een paar artikelen die ds. Landsman publiceerde in Hervormd Nederland. Ds. L. gaf daarin een nadere toelichting op de oproep van de Gen. Synode inzake de kwestie Nieuw-Guinea. En hij betoogt daarin dat men ernst moet maken met het feit, dat ook de christenen in Indonesië van mening zijn dat Nieuw-Guinea bij Indonesië hoort. Nederland moet dan ook niet bij voorbaat overdracht van het bestuur aan Indonesië uitsluiten. Ds. Gr. merkt daarover het volgende op:

Maar stellen alleen vast, dat, zo gezien, de oproep een kwestie is van praktisch politiek beleid. Een beleid waar velen mee kunnen instemmen, zoals men het verstandig kan vinden van een weerloze die door rovers wordt overvallen, dat hij zijn leven voor z'n geld verkiest. Maar dan rijst de vraag, of de kerk deze oproep had behoren te doen uitgaan. Deze oproep is naar bet mij voorkomt niet meer dan de weergave van een politieke visie die men in verschillende andere vormen reeds had kunnen waarnemen. Het behoort m.i. niet tot de politieke taak der kerk, de regering ongevraagd advies te geven wat zij in de gegeven omstandigheden het best kan doen. Dat Nederland in deze situatie het „verstandigst" doet, onder de druk van oorlogsdreiging, en beducht voor de verantwoordelijkheid die het op zich laadt door deze te trotseren, toe te geven aan de eis van Indonesië, is een waarheid die het breed moderamen der synode niemand behoeft te komen vertellen. Om dat te gaan inzien, behoeft men waarlijk niet naar New- Delhi te gaan. Hierin zit niets profetisch, noch kerkelijks. Het lijkt me onweersprekelijk duidelijk, dat deze oproep is uitgegaan doordat Nederlands Hervormde gedelegeerden te New-Delhi onder de indruk zijn gekomen van wat vertegenwoordigers der Indonesische kerken hun hebben verteld. Nu verstaan wij heel goed, dat zij uit ernstige bezorgdheid voor wat er gaat gebeuren, meenden te moeten ingrijpen. Ik versta deze bezorgdheid en deel ze volkomen. Ik billijk dan ook, dat deze broeders meenden iets te moeten doen. Maar: hadden zij dit nu moeten doen? Heeft, tengevolge van hun bezorgdheid, niet een gebrek aan Inzicht om de juiste daad te doen en het rechte woord te spreken, hun parten gespeeld? Ware het niet wijzer geweest, deze zaak binnenskamers te houden en persoonlijk, b.v. als delegatieleden der verschillende kerken met de minister te bespreken? Nu heeft de zaak weer tegenstellingen opgeroepen. Samenvattend: met begrip en waardering voor de goede bedoelingen, menen we toch, dat het breed moderamen (hier een ernstige fout heeft gemaakt: een fout die we te meer betreuren omdat de zaak zelf er weer door vertroebeld wordt en omdat de kerk hier beneden haar peil blijft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's