De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE MENS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE MENS

11 minuten leestijd

MAN EN VROUW

God schiep de mens naar Zijn beeld; man en vrouw schiep Hij ze. Deze woorden zijn tegen allen, die zouden willen beweren, dat de vrouw krachtens de schepping de minderwaardige van de man is. De mens bestaat man en vrouw, het beeld Gods existeert op mannelijke en vrouwelijke wijze. Het wezen: mens wordt op mannelijke en vrouwelijke wijze gerealiseerd, want mannelijk en vrouwelijk schiep Hij ze. De man en de vrouw hebben gelijkelijk deel aan het wezen, dat mens heet, en vertegenwoordigen dat ieder op een eigen, persoonlijke wijze.

In de eerste plaats wijst de schepping van man en vrouw er op, dat God het huwelijk heeft aangewezen als de weg, waarlangs de mens zijn bestemming om de aarde te vervullen, zou hebben te volgen. Anderzijds betekent dat nog niet, dat God de voortplanting en de uitbreiding van het menselijk geslacht met al de aanhang daarvan in 's mensen hand heeft gegeven, alsof het proces zich voorts buiten God om zou voltrekken. Worden niet twee musjes om een penningske verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. En ook de haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet, gij gaat vele musjes te boven. (Matth. 10 : 29 V.V.).

Als de Christus zo spreekt, wie kan dan aannemen, dat de voorzienigheid Gods ook niet over het leven van de mens gaat? Is het ook niet zo, dat onze persoonlijkheid een enige is? De persoonlijkheid is het volstrekt individuele van de mens, zodat ieder zonder zelfverheffing kan zeggen: zoals ik is er slechts één. Daarom geloven wij, dat de persoonlijkheid niet een som van functies, maar een schepping Gods is en dat iedere persoon een plaats in Zijn Raad heeft, zodat ook in iedere geboorte van een mens een scheppende actie Gods werkzaam is.

Persoonlijkheid is bovendien iets anders dan individuele verscheidenheid. Dit laatste vindt men bij de dieren. Binnen de soort komen tal van variaties voor, die een individueel karakter dragen, zoals er ook onder de mensen in gestalte, huidskleur, leefwijze, etc. differentiatie tot in het individuele is. De persoonlijkheid echter gaat daarboven uit. Het dier heeft geen persoonlijkheid. Zonder twijfel is persoonlijkheid een trek van het beeld Gods (vgl. dr. J. H. Bavinck, Inleiding in de zielkunde. Tweede druk. Kampen 1935, blz. 390 v.), en centrum van de levende ziel, dat ik zegt in onderscheiding van gij en hij.

Zelf onderscheiding en zelfbewustzijn.

Zelfonderscheiding en zelfbewustzijn zijn kenmerken der persoonlijkheid, welke in ons gestalte verkrijgen uit de ervaring van ik en niet-ik. Deze ervaring draagt bij ons veelal het karakter van een conflict met het niet-ik en wel op drievoudige wijze, t.w. in de physische-, de psychische- en de pneumatische werkelijkheid. De ontmoeting met de physische werkelijkheid buiten ons is gewaarwording van het niet-ik als hei andere. Niet alleen voor het kleine kind, dat met vallen en opstaan leert lopen, is deze vaak een pijnlijke ervaring. Gezichts-, gehoor- en gevoels-vermogens dienen ons als wachters om ons voor het pijnhjke physisch conflict te behoeden.

In de ontmoeting met het andere wordt de zelfonderscheiding geboren en ontwaakt het besef van ik en niet-ik.

De persoonlijkheid echter heeft de ontmoeting van de ander nodig om tot zelfbewustzijn te komen. Deze moet aangesproken worden. Bij de naam worden genoemd. De ander is de aanspreekbare, die ook antwoordt. Daarom spraken we in de tweede plaats van een psychische ervaring. Bij het kind in zijn kleine wereldje van het huisgezin gaan de physische en de psychische ervaringen van meet af gepaard. Het wordt omringd door personen, die het verzorgen, toespreken en opvoeden, waarbij niet het andere, maar de andere zich laat gelden. Hier komt persoon tegen persoon, wil tegen wil te staan en wordt de nog sluimerende persoonlijkheid wakker geroepen: het kind leert ik zeggen. Dit voltrekt zich in de psychische sfeer.

De volkomen ontdekking der persoonlijkheid en haar diepste openbaring ligt echter in de pneumatische sfeer: de ontmoeting met God, de Almachtige, de ervaring van de heel onze existentie omvattende en beheersende levensrelatie niet de God van alle leven en onze absolute afhankelijkheid van Hem, de Rechter der ganse aarde.

Alles anders.

Bij Adam in zijn staat van pasgeschapen volwassenheid en perfectie, — wij geloven, dat Adam als volwassen man geschapen werd — (vgl. dr. H. Bavinck, Beginselen der psychologie. Kampen 1923, blz. 129), is dat uit de aard der zaak niet langs de voor ons gewone weg gegaan. In menig opzicht is hij als een geheel enige onderscheiden van al zijn nazaten. Hij was de eerste, het hoofd van ons geslacht, de vader van allen en toch, toen hij het levenslicht aanschouwde als mens, alleen in de wereld. Hij heeft geen kinderjaren gekend. Wat we schetsten in verband met het ontwaken van zelfonderscheiding en persoonlijkheid heeft zich in zijn leven althans in die omstandigheden niet voorgedaan. Hij was alleen. Geen medemens was daar. God heeft ook gezegd, dat het niet goed is, als de mens alleen is. Doch God heeft hem niet aan zijn eenzaamheid overgelaten, want God zelf — we hebben daarover uitvoerig gehandeld, — heeft hem ingeleid en onderwezen.

Behalve dit alles, moet men ook niet vergeten, dat de omstandigheden zo geheel anders waren ook voor de kennismaking van Adam met de wereld, waarin God hem gezet had. Hij stond geheel anders tegenover haar dan zijn gevallen, nageslacht. Hij was rein van hart en die rein van hart zijn, hebben het voorrecht, dat ze God zien (Matth. 5 : 8). Zo denken we op het stuk van zelfonderscheiding niet aan een conflict, maar aan eerbiedige bewondering bij de aanblik van de schitterende luister van het paradijs. Want hij zag de scheppende heerlijkheid Gods in al die schoonheid bezig. Desniettemin miste hij de andere, de medegenote in zijn leven, de levensgezellin, die eenswezens met hem was. Met haar ontbrak hem de voorwaarde voor de ontplooiing zijner persoonlijkheid en aardse roeping, welke hij niet zou kunnen missen om zijn bestemming te bereiken overeenkomstig het voornemen Gods. Had de Heere God niet gezegd: „Het is niet goed, dat de mens alleen zij" (Genesis 2 : 18). De zin daarvan moest van centrale betekenis zijn.

De schepping van de vrouw is alzo van uitnemend belang en van het hoogste gewicht voor de realisering van het wezen. Dat door de creatie van de vrouw in een voorwaarde werd voorzien, zonder welke de allereerste roeping, de vervulling der aarde, niet zou kunnen worden verwezenlijkt, behoeft geen nader betoog. Met de geboorte van het geslacht werden echter ook de voorwaarden geschapen, die nodig waren, voor de uitgroei der mensheid tot haar volheid, haar psychische volwassenheid en voor haar hoogste levensvervulling.

Wie was Adam zonder haar, die genoemd wordt een moeder aller levenden? (Genesis 3 : 20). In zijn eenzaamheid toegerust met kennis en denkkracht, was hij vervuld van de werken Gods. Hij kon de dieren namen geven. „Namen geven aan de dingen naar hun aard, is het kenmerk van de mens", schrijft prof. Bavinck. (Dr. H. Bavinck, Beginselen der psychologie. Kampen, 1923, blz. 129). Hij kon denken. Hij kon spreken, d.i. hardop denken. Maar daar was geen mens, die hij kon aanspreken en die hem zou antwoorden. Aan wie hij zou kunnen mededelen, wat in zijn binnenste was en die het ook zou kunnen verstaan. Hij vond geen hulpe, die als tegenover hem ware, geen hulpe, die bij hem paste (Genesis 2 : 20). Wat dat alles betekende aan gemis, kan duidelijk zijn uit hetgeen omtrent de persoonlijkheid in het midden werd gebracht. De aanspraak, de andere ontbrak.

Daarmede ontbrak tevens de analogie van de hoogste gave, de omgang met God. „De ontmoeting van God en mens is persoonlijke gemeenschap ik-gij verhouding" schrijft dr. Bolkestein en verder: „de enige analogie voor de ontmoeting van God en mens is de ontmoeting van mens en mens" (Dr. M. H. Bolkestein Het ik-gij schema in de nieuwe philosophie en theologie (diss.). Wageningen, 1941, blz. 117). Mag dit in het algemeen zo zijn, de Schrift kent aan het huwelijk in dit opzicht een zeer bijzondere symboliek toe.

Been van mijn benen en vlees van mijn vlees

In overeenstemming met de centrale betekenis van het huwelijk voor de verwezenlijking van het beeld Gods overeenkomstig Gods bestel, geeft de Schrift omstandig getuigenis van de zorg Gods bij de creatie van de moeder aller levenden.

„Toen deed de Heere God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben en sloot de plaats toe met vlees. En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar tot hem (Genesis 2 : 21 v.v.).

Ook bij deze plaats komen weer dezelfde vragen op, die we bij de schepping van Adam hebben behandeld. Hebben we hier te doen met mythische verbeelding, of met Gods openbaring?

Het natuurlijk verstand neemt in deze geschiedenis wellicht nog meer aanstoot dan in de beschrijving van Adams' schepping. Eerst wordt God voorgesteld als een soort chirurg, die Adam onder narcose brengt en hem van een rib berooft. Dan volgt de voorstelling van een beeldhouwer, die uit het vreemdsoortig materiaal van een rib een vrouw maakt en wel een vrouw, die leeft, want Hij brengt haar bij Adam.

Dat is toch wel erg plastisch en onwaarschijnlijk. Wat moet men nu van zulk een fantasie maken? Is dat nu goddelijk?

Zeker, het is verreweg het gemakkelijkste om er zo over te praten en in onwetendheid te blijven omtrent dingen, die met onze hoogste levensbelangen samenhangen. Maar pas op, dat ge u niet aan de ere Gods vergrijpt.

Het is natuurlijk niet vreemd, dat de Heere God, als Hij op zo ingrijpende wijze Zijn scheppingswerk aan de mens voortzet, Adam in een diepe slaap doet vallen. Welk een heilzame ontdekking heeft God de mensheid gegeven in de mogelijkheid der narcose! De Schepper heeft echter geen behoefte aan kunstmiddelen. Hij laat een diepe slaap over Adam komen. Zo heeft Hij ook geen behoefte aan een rib van de man om een vrouw te „bouwen", maar het lag in Zijn scheppende wijsheid de vrouw uit de man te nemen en een geheel eigensoortige vereniging van man en vrouw te stichten, n.l. het huwelijk. En om de eigensoortigheid van deze verhouding, èn om haar symbolisch karakter moest de vrouw uit de man genomen zijn. Van dit innig verband is Adam zich blijkens de Schrift ook wel bewust geweest: „Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees" (Genesis 2 : 23).

De schepping van de mens: „mannelijk en vrouwelijk schiep Hij ze, heeft God dus in twee reeksen van creatieve handelingen voltrokken: de schepping van de man en de schepping van de vrouw. Toch is het ook weer niet zó, dat deze twee creaties los van elkaar staan, want de vrouw is uit de man genomen.

Aangezien we niets vernemen van de wijze, waarop de vrouw tot een levende ziel is geworden, zou men stilzwijgend kunnen aannemen, dat God ook haar de adem des levens in de neusgaten heeft ingeblazen. Toch komt ons dat niet waarschijnlijk voor. Eerder nemen we aan, dat bij de schepping van het psychische organisme door God in verband met de schepping van de vrouw en de procreatie een scheppingsorde is gesteld, welke door Zijn voorzienig bestel ook in stand wordt gehouden en waarbij de levendmakende Geest de zelfstandige werking der levensfuncties teweegbrengt. Het worden tot een levende ziel, komt immers bij iedere geboorte van een mens weer aan de orde. En niemand kan ontdekken, hoe dit geschiedt.

In de procreatie wordt mannelijk en vrouwelijk promiscue geboren. Daaruit blijkt, dat we met varianten van één en hetzelfde wezen van doen hebben. Dat wordt trouwens ook bevestigd door de schepping der vrouw: daar zij uit de man is genomen. Ook deze geschiedenis laat zich niet analyseren als ware het mensenwerk. Daarom gaat het beeld van de chirurg niet op. Er is gewis wat ingrijpends geschied aan Adam, toen God een diepe slaap op hem deed vallen. Doch dat is zeker niet op gewelddadige manier gebeurd. Daarbij zijn geen instrumenten te pas gekomen. God heeft dat gedaan door Zijn machtwoord: Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er.

Eén ding moet ons toch heel duidelijk zijn: God heeft de vrouw niet als een op zich zelf heel nieuw schepsel naast de man gecreëerd. Ook zó ware het niet boven Zijn almacht geweest ze als één wezen voort te brengen, want bij God zijn alle dingen mogelijk (Matth. 19 : 26). Maar, opdat het voor ons niet twijfelachtig zou zijn, dat man en vrouw éénswezens zijn geschapen, heeft Hij substantie uit de man genomen en daaruit de vrouw „gebouwd". De uitdrukking „gebouwd" wijst bovendien op de architectonische zorg aan de schepping van de vrouw ten koste gelegd. Man en vrouw zijn beiden kunstwerken Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE MENS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's