KRONIEK
In stormgetij — De eerste missionaire predikant der Geref. Gemeenten — „Israël en de volken".
Ruwe stormen hebben ook in februari gewoed. Met opzet schreef ik „ook in februari". Want de herfst van '61 was ook vaak stormachtig en de winter tot nu toe het zich evenmin onbetuigd. Maar de storm van 12 en 16 februari deden denken aan die van 31 januari en 1 februari 1953, welke zulk een ontzaglijke ramp over ons volk bracht. Zowel toen als 12 februari was ik in de namiddag op straat en vond tussen de kracht van de winden weinig verschil. Er is dit jaar veel schade aangericht, doch een ramp bespaarde ons de Heere, in tegenstelling met de omstreken en stadsdelen van Hamburg.
Er is ter herinnering aan de ramp van februari 1953 een collecte ingesteld voor „Internationale Hulpverlening". Ze wordt elke eerste zondag van de sprokkelmaand in vele gemeenten gehouden. Doen onze gemeenten er aan mee? Ik merk er niet veel van. Het is jammer als we ons afzijdig houden. Want de nood in de wereld is groot.
Moet ik deze uitspraak nog concretiseren? Er zijn bewijzen genoeg. De 12e februari j.l. werden in Saarland de bijna 300 doden, die in de mijnramp daar het leven heten, ter aarde besteld. De storm — hij woedde ook toen in West-Duitsland — was mij in zijn loeien als een „marche funèbre", een dodenmars, bij die massabegrafenis.
De storm was ook over Frankrijk. Zijn rumoer was wel in contrast met de „stille" rondgang tegen het optreden der politie, die hardhandig had ingegrepen tegen een andere betoging, georganiseerd door katholieke en communistische vakbonden — merkwaardige combinatie — tegen de O.A.S.; maar of het in de harten der „stille" betogers ook rustig was, is een andere vraag. Bij de teraardebestelling van de acht slachtoffers was het bij de duizenden evenzo.
Wat van dit alles zij, het stormweer van de laatste maanden teisterde een wereld, die in figuurlijke zin leeft in stormgetij. Reeds lange tijden. Maar de kracht neemt toe, al zijn er af en toe windstilten.
Zullen die er straks zijn in Algerië, wanneer Frankrijk met de F.L.N, tot een vrede komt?
Wie is in Algerië de vijand thans, zo werd onlangs in de N.R.Crt. gevraagd, de F.L.N. of de O.A.S. die dag in dag uit de dodenlijst vermeerdert en in de strijd om een „Algérie frangaise", een frans Algerië een burgeroorlog riskeert? Is er ook „windstilte" ingetreden in het conflict tussen Nederland en Indonesië over Nieuw Guinea? Zo schijnt het soms. Maar president Soekarno zorgt er wel voor dat telkens stormsignalen worden gehoord. Hij is zich zijn sterke positie bewust. Want de invloedssfeer van Indonesië in de wereld is van dien aard, dat geen der grote mogendheden, Amerika noch Engeland, durft, wil of kan ingrijpen en Nederland helpen, al was het maar om een samenspreking te forceren. Of trad er een wijziging in door Robert Kennely's bezoek aan Indonesië? Minister Luns heeft indertijd uitgelaten, dat Nederland wel op de Navo-bondgenoten kon rekenen. We werden wel door de V.S. betiteld als „Faithfull ally", trouwe bondgenoot. En ook Engeland zingt een lied, waarvan het refrein evenzo luidt. Het doet — met de nodige wijziging natuurlijk — denken aan 't rijmpje op een penning ten tijde van de Oostenrijkse succiessieoorlog, midden in de 18e eeuw, geslagen door de Staten van Holland:
„Eeden, verbonden gebroken. En 't vuur alomme aangestoken".
Dit sloeg op de benarde positie van Maria Theresia, de jeugdige keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije. Nu, in een benarde positie zit ook Nederland in verband met het geschil over West-Guinea. De N.R.Crt., d.d. 9-2-'62, accentueerde onlangs die situatie in deze zin: „Het (n.l. Indonesië) kan er op speculeren, dat de regering in Den Haag straks met de rug tegen de internationale muur opnieuw consessies moet doen". Dit doelde op het feit, dat wij in handelsbetrekkingen en op ander gebied afhankelijk zijn van een gunstig internationaal klimaat.
In verband daarmede werd ook de weigering aan de K.L.M, om tussenlandingen te maken in Amerika en Japan — dit zal wel niet zonder druk van Indonesië zijn geschied — gememoreerd. Het zou werkelijk van „windstilte" getuigen als er vordering kwam in de mogelijkheid van samenspreking.
De meningen kenteren trouwens wel, in Nederland althans. De K.V.P. afgevaardigde Blaise repte onlangs in een artikel in een Katholiek maandblad, van overreding, die moest aangewend worden om Nieuw-Guinea's inwoners er van te doordringen dat hun toekomstig bestaan gebaat was door goede verhoudingen met Indonesië. Dat is een ander geluid, dan voorheen uit K.V.P.-kringen beluisterd werd. Ach ja, die felle reacties — men denke aan wat het onlangs omgekomen kamerlid Peters in zijn radiotoespraken wel uitte —, waren begrijpelijk, gezien de expansie en invloed van de r.k. missie onder de Papoea's. Kenteren de meningen onder de Papoea-bevolking ook? Staatssecretaris Bot sprak na zijn bezoek onlangs dat de stemming unaniem tegen Indonesië was. Ik begrijp dat. De bevolking is Nederlands voorgelicht, uit de aard der zaak. En de heer Bot is r.k. Maar is er ook niet een andere stroming? Men heeft gelezen van de tocht van Frits Kirihio, Papoea-student in Leiden, om contact met Soekarno te krijgen. Het is hem gelukt. Natuurlijk. En hij is een invloedrijk lid in de nationale partij, uit de kringen van het christelijk vakverbond aldaar. Hij bezocht hier het Chr. Lyceum te Zutfen en zijn leraren betitelden hem als een 'briljant iemand, die zeker een leidende figuur zou worden. Hij had contacten in de A.R.P. Sommigen brachten de zwenking in de a.r.fractie, om met Indonesië te onderhandelen, die in de herfst van '61 bij het algemeen debat naar voren trad, in verband met zijn invloed. Ik kan de juistheid van dit gerucht niet beoordelen. Feit is, dat Kirihio straks naar Nieuw- Guinea terug hoopt te keren en dat de regering hem daarin niet hindert, ondanks dat de heer Bot, wat hautain, zei hem niet te zullen ontvangen.
Uit dit alles ziet men, dat wij met heel de wereld van vandaag zijn in stormgetij, ook al stormt het niet onafgebroken.
God geve onze regering, ja alle betrokken regeringen, wijsheid tot een vergelijk zonder oorlog, al vallen er helaas vele slachtoffers in de „noodtoestanden" over schier heel de linie.
In dit stormgetij vaart ook Christus' Kerk. „Met het kruis in top" zingt Gezelle. Zij moet. Want ook haar opdracht luidt: Navigare nuesse est, varen is noodzakelijk. Het gaat erom, dat „heel de wereld in Gods Woord 't geheim van haar verlossing verscholen", moge ontdekken. Daarom is zending levensroeping van Gods gemeente. Ook de Geref. Gemeenten gaan aan die eis gehoor geven. Van de plannen, die daartoe in die gemeenten bestonden en vastere vormen gingen aannemen, heb ik wel eens iets hier doorgegeven. Nu ze op het punt staan verwezenlijkt te worden, mag ik niet zwijgen. In „Trouw", d.d. 10-2-'62, staat daarvan 't een en ander te lezen. Woensdag 21 februari e.k. hopen vier uit haar midden, die zich voor het werk voorbereidden, scheep te gaan naar Nieuw Guinea, want daar zal de zending der Geref. Gemeenten haar werk aanvangen. Het terrein is nog niet bekend. Dat zal aangewezen worden na en in overleg met de daar reeds arbeidende zendings-corporaties. Donderdag 15 februari is de eerste missionaire predikant als dienaar des Woords bevestigd in Rotterdam. Omdat er zovelen de kerkdienst wilden bijwonen, heeft men voor die gelegenheid de Ahoy-hal gevraagd. Daar is dan kandidaat G. Kuijt uit Katwijk aan Zee bevestigd. Ik kan hier niet het hele relaas, dat de reporter van „Trouw" gaf naar aanleiding van zijn gesprek met het kortgeleden getrouwde echtpaar, weergeven. Ds. Kuyt weet zich kennelijk geroepen tot dit werk. Wel scheen het meermalen, nadat de Heere hem dit had geopenbaard, dat het een afgesneden zaak was. Driemaal toch moest hij daarna langer of korter kuren. Dwars door alles heen, ook ondanks alle bestrijding, is de weg gebaand. Contact met timmerman Brouwer uit Katwijk aan Zee deed bij Kuyt, die stamt uit Bondskringen, de wens geboren worden lid van de Geref. Gemeenten te worden. Dat kreeg zijn beslag, alsmede de wens om vanuit die Gemeenten als missionair predikant te worden uitgezonden.
Hij en de andere drie — een verpleegster en een onderwijzer met zijn echtgenote — hebben voor hun opleiding contacten gehad met Oegstgeest en hopen in Nieuw Guinea nog verder geschoold te worden in het praktische werk. Ds. Kuyt zal zich stellen onder leiding van ds. Woldendorp, pred. van de Evang. Chr. Kerk van Nieuw-Guinea. Over anderhalf jaar, — zolang blijft mevr. Kuyt in Nederland — hoopt hij een eigen werkterrein te hebben gevonden. Hij wil werken naar wat Paulus in Romeinen 15 vers 21 schrijft: „Denwelken het niet was geboodschapt, die zullen het zien".
Dat is naar de H.S. Ik waardeer het, dat hij dit zo royaal uitsprak. Zo komen de Geref. Gemeenten in het grote werk met een eigen nuancering evenals onze G.Z.B. Met een en ander gaat gepaard een verder uitkomen uit een instelling, welke wel eens de schijn van een zekere afzijdigheid had, ook ten opzichte van de gereformeerde gezindte. Dat was het toch niet, want in intrede en afscheid was er over en weer wel. contact, en ook in andere vorm kan wel van samenwerking, interkerkelijke bedoel ik, gesproken worden. Ligt de afzijdigheid ook wel niet hieraan, dat de andere familieleden te weinig een poging tot samenwerking wagen? De Chr. Gereformeerden hebben daar ook wel eens onder te lijden. Het trof me, om dit voorbeeld te noemen, dat de „achttien" die het boekje uitgaven „Van kerken tot kerk" — een handleiding voor stimulering van hun actie, waarover in het vorig nummer van ons blad het een en ander werd meegedeeld — eigenlijk helemaal niet met de Chr. Gereformeerden rekenen. Toch is er in hun kring wel belangstelling voor die zaak, naar ik vernam.
Maar nu verder en ter zake. Ik hoop van harte, dat God de Heere dit begin van zendingswerk der Geref. Gemeenten rijkelijk zegene, en dat ds. Kuyt en de drie anderen behouden vaart hebben, letterlijk op de reis over de wereldzeeën, figuurlijk in het stormgetij, dat heerst over heel de linie en niet het minst in Nieuw Guinea. Die wens geldt alle werkers in de grote vangst en heel Christus Kerk, die vaart als „het scheepke onder Jezus' hoede". Met „Vaders Zoon aan boord hebben we het veilig strand voor oog." Ja, alleen met Hem!
Israël, als staat en als volk, komt steeds meer in de belangstelling. Met name in Nederland worden voor reizen naar Palestina faciliteiten in het leven geroepen. Meerdere predikanten hebben daarvan reeds kunnen profiteren. Ds. Gors van Vianen was een van de groep theologen, die in het najaar van 1961 het heilige land bezocht. In „Hervormd Weekblad" heeft hij over die reis een reeks artikelen gepubliceerd. Maandagavond 12 februari j.l. deed dr. Hommes, gereformeerd predikant te Rotterdam (Hillegersberg) via de Radiokrant der N.C.R.V. mededeling van het bestaan van een stichting welke zich ten doel stelt predikanten en belangstellende gemeenteleden de gelegenheid te bieden een reis naar Israël te ondernemen. Dit is natuurlijk niet bedoeld om toerisme naar Palestina te bevorderen, maar om mede door een enkel college aan de Hebreeuwse universiteit, de kennis van de Bijbel te vermeerderen en met het godsdienstig leven van het volk in contact te komen. Een dergelijke doelstelling is niet alleen sympathiek, maar kan ook dienen tot meerdere toenadering van Christendom en Jodendom, ja, om tussen beiden betere verhoudingen te bevorderen. Het probleem: „Israël en de volken", gelijk mr. Isaak da Costa dat ongeveer een eeuw geleden stelde in een boek met die titel, doet zich nog gelden. En ieder, die Christus als zijn Heiland lief heeft, zal zich verblijden, als het werk om Israël voor zijn Messias te winnen, voortgang heeft.
Voorheen trachtte men dit doel te verwezenlijken door de „Zending onder Israël". In deze tijd wil men niet meer deze arbeid als „zending" zien, doch dat doel nastreven door het „gesprek met Israël". De Hervormde Kerk heeft daarvoor een instantie in het leven geroepen. De wijziging van naam en methode is minder, indien maar het grote doel daardoor te meer wordt beoogd en nagejaagd. Moeilijk is het werk zeker. Ds. Boertien, Chr. Geref. predikant en secretaris van de „United Christian Council" te Jeruzalem, gaf over deze arbeid enige inlichtingen. Deze verenigde christelijke raad tracht samenbinding te bereiken tussen de christenen van verschillende kerken en kringen. Protestantse christenen, zo concludeer ik uit wat ds. Boertien dienaangaande mededeelde, — het is weergegeven in „Trouw", d.d. 10-2-'62 — zijn er betrekkelijk nog weinig in Israël. Het getal roomsen en griekskatholieken is aanmerkelijk groter. Ds. Boertien, die voorheen in Hamburg te werk was gesteld — ook niet het oog om Joden voor het Evangelie te winnen — het doorschemeren, dat het werk in Israël maar matig vordert. Hij doelde daarbij niet op de samenbinding der protestanten, wat ook zijn moeilijkheden heeft. Hij had voornamelijk het oog op de weerstanden tussen Christenen en Israëliërs. „Israël herkent in de kerk geen Messias". Een veel geuite klacht, niet alleen door Israël, doch ook door niet-kerkelijken, a-kerkelijken, en hoe men ze verder noemt. Zullen we die klacht en bagatelle en als niet-serieus nemen? De eis, dat wij een leesbare brief van Christus hebben te zijn (2 Kor. 3) zegt het wel anders. Het is een apostolische eis, en wij hebben die nauw te nemen.
Gelukkig, dat God er voor gezorgd heeft, dat wij Zijn Woord, Zijn Evangelie hebben, dat ons den Christus tekent. Zeide Calvijn niet, dat Christus in het „gewaad van het Evangelie" tot ons komt? Ds. Boertien wenste wel, dat het Nieuwe Testament reeds door vertaling voor het Jodendom in Israël toegankelijk zou zijn. Doch dat schijnt een lange weg te zijn. Hij sprak van ca. 50 jaar. Het lijkt mij wel heel lang, doch dat valt buiten mijn beoordeling. Ondertussen werkt hij (ds. Boertien) door met in verschillende plaatsen in Israël lezingen te houden. Hij wenste wel verschillende geschriften te hebben, ter verspreiding onder de bevolking, bijv. een boek over kerkgeschiedenis in de trant van wat dr. Berkhof indertijd gaf, en monografieën over Augustinus, Calvijn en anderen. Zijn eigen krachten geeft hij ook aan dergelijke arbeid. Vóór alles stelt hij dat „Christenen moeten leren wat het Jodendom is"; en hij hoopt, dat meer en meer verdwijne, dat de christenen hun houding tegenover de Joden — een meermalen vijandige houding — wijzigen.
De activiteiten hier te lande, om predikanten en gemeenteleden een reis naar Israël gemakkelijker te maken, mogen ook dienstbaar zijn aan de betere en diepere kennis van het Jodendom. Zij mogen tevens de liefde vermeerderen en verinnigen voor de grote opdracht om het oude volk Christus Jezus als zijn Messias te leren kennen en omhelzen. Dan zal het dienen dat grote, waarvan Paulus spreekt in Rom. 11 : 29: „Want alzo zal geheel Israël zalig worden". En al is er nog verschil over de juiste exegese van dit woord en heel het stuk, waarin het voorkomt, het duidt op een toekomst, die heerlijk is. Zien wij dan toe, dat wij niet een weg ingaan, waarvan de Apostel in hetzelfde hoofdstuk zegt: „Zo roem niet tegen de takken" (vers 18). De kerk en de kerkmensen zijn in dezen de eeuwen door niet onschuldig geweest, al blijft, dat de ellenden, die het Jodendom in de loop der tijden troffen, zeer zeker verband houden met zijn Messias-verwerping.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's