De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NADERE AANDUIDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NADERE AANDUIDING

6 minuten leestijd

Een onzer lezers schreef een „ingezonden" naar aanleiding van „de zes dagen", zoals hij zijn stuk betitelt. In een begeleidend schrijven zinspeelt hij ook op anderen, die „behoefte zouden kunnen hebben aan nadere aanduiding".

Ofschoon wij de gewoonte hebben geen „ingezonden stukken" op te nemen, zijn we ditmaal bereid ter wille van de inzender en die anderen het gedeelte van zijn stuk, waarop het aankomt, over te nemen en daarop nader in te gaan.

„Maar, wanneer we nu eens de ouderdom der aarde in het midden laten, misschien mag de vraag gesteld: waarom die zes scheppingsdagen te stellen als van een „onbenaderbare duur? "

De Schrift spreekt van „dag" en „nacht".

„En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag" (Genesis 1:5). Sprake dus van „dag" en „nacht". „Perioden van onbekende duur"?

Er komen lichten om „scheiding te maken tussen de dag en de nacht", (Gen. 1: 14), „tot gezette tijden", aldus lezen wij daar; „de dag" als bepaalde grootheid. Die lichten zijn zon en maan. Dat is duidelijk. Het „grote licht tot heerschappij des daags", het „kleine licht tot heerschappij des nachts" (Genesis 1 : 16).

In de zin dus van „gezette tijden" spreekt Genesis, hoofdstuk 1, van „dag" en „nacht". Dat zowel vóór - als na - dat de zon werd gesteld als het grote licht in het uitspansel. Het spraakgebruik van „dag" en „nacht" blijft in het ganse hoofdstuk enerlei.

Het wordt verklaard in het vijfde vers: „God noemde het licht dag", en bevestigd in het zestiende vers: „God dan maakte die twee grote lichten, dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts".

Kan en mag men dan hier over de zes dagen spreken als van „perioden van onbekende duur"?

Het gaat over de (door ons) gecursiveerde zinsneden.

De inzender is van mening, dat het spraakgebruik voor dag en nacht in het gehele hoofdstuk „enerlei" is.

Hij bedoelt, dat de woorden „dag" en „nacht" in het gehele hoofdstuk dezelfde zin en betekenis hebben: n.l. onze gewone dag en nacht.

Dat is nu juist de vraag, waarom het gaat.

Verder meent hij, dat de uitdrukking „gezette tijden" (Gen. 1 : 14) de dag „als bepaalde grootheid" aanduidt en dat zowel vóór- als nadat de zon als het grote licht werd gesteld in die bepaalde zin van dag en nacht gesproken wordt.

Behalve deze vertolking van de uitdrukking „gezette tijden", waarover de vakgeleerden het tot nog toe ook al niet eens zijn, brengt deze zinsnede geen enkel argument tot versterking of bevestiging van zijn mening, die in wezen gelijk is aan die van de eerste zinsnede.

De inzender zou verstandig gedaan hebben met de Hebreeuwse tekst eens op te zoeken en te bestuderen, te beginnen bij Genesis 1 : 4—5 en deze te vergelijken met Genesis 1 : 14, 15.

God schiep het licht. Daar staat niet „lichten", maar het licht.

Was na deze scheppende daad de duisternis van vers 2 er nog, of was deze geheel en al verdwenen?

Neen, want God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis (vs 4). Hij scheidde ze van elkander. Er was dus licht en er was ook duisternis. Een goddelijke daad maakte scheiding tussen die twee. Waar licht was, was geen duisternis en waar duisternis was, was geen licht. Zij wisselden elkander af: „Het was avond geweest", het licht maakte plaats voor de duisternis. „Het was morgen geweest", en die morgen kwam, toen God het licht in het aanzijn riep.

Hoe dit geschiedde, n.l. die wisseling, wordt ons niet geopenbaard. God liet het alzo geschieden.

Verder staat er: God noemde het licht dag en de duisternis nacht, beide dag en nacht zonder enige nadere bepaling (vs 5).

Het is dus duidelijk, dat de hier bedoelde dag een zekere duur heeft gehad, want hét was morgen geweest en de avond daalde, de duisternis kwam. Maar, wie zal zeggen, hoelang die duur is geweest en waaraan die gemeten kan worden?

We komen tot vers 14 en volgende: „Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels."

Volgens de tekst hebben deze lichten, zon en maan, ook de sterren worden genoemd, vierderlei dienst:

1. scheiding maken tussen de dag en de nacht;

2. tot tekenen te zijn;

3. tot tijdsbepalingen te zijn;

4. en om dagen en jaren aan te geven.

Ad 1. Hier worden de lichten duidelijk aangewezen om scheiding te maken tussen dag en nacht. Dit in onderscheiding van vs 4, dat scheiding maken als een daad Gods beschrijft, zonder over de wijze hoe ook maar iets mede te delen. In beide verzen wordt hetzelfde werkwoord gebruikt.

Ad 2. Minder duidelijk, wat hier bedoeld wordt. Er is veel voor te zeggen om met verschillende uitleggers te denken aan de dienst, die de zon en de maan en de sterren bewijzen voor de bepaling der hemelstreken. Oost, West, Noord en Zuid, voor de plaatsbepaling te land en ter zee, in het algemeen dus voor de oriëntering op aarde. Want het gaat ten behoeve van de aarde, zie vs 15. Dit neme men bij alle vier punten van dienst in aanmerking.

Ad. 3. De „gezette tijden" van de Statenvertaling, inderdaad zien deze op regelmatig terugkerende perioden. Daarover is men het wel eens. Maar die gezette tijden kunnen nu juist niet zien op de dag als „bepaalde grootheid", zoals inzender wil, omdat die bestemming in punt 4 afzonderlijk wordt genoemd.

In de verklaring van dit punt gaan we gaarne mede met degenen, die bij deze „bepaalde" tijden, want dat betekent toch „gezette" tijden, denken aan Gen. - 8 : 22: de jaargetijden; zaaiing en oogst, koude en hitte, me toch inderdaad samenhangen met de ordeningen des hemels.

Ad 4. En tot dagen en jaren. De lichten zijn tot de bepaling van dagen en jaren. Dat is op zichzelf toch duidelijk. Maar dit geeft geen recht om deze bepaling terug te voeren op vs 4 en 5, wat wij zouden willen noemen op Gods scheppingsdagen.

Wil iemand dat doen, dat moet hij weten, maar wie zich tevreden stelt met de tekst kan over de duur van Gods scheppingsdagen geen meetsnoer trekken.

En wil iemand, na al wat daarover is opgemerkt, zeggen: „een dag is een dag en daarmee uit", — in vrede. Van meer belang is de duidelijke goddelijke aanwijzing in de zes scheppingsdagen en de daarop volgende rustdag voor de bepaling van de menselijke zesdaagse werkweek en de zevende dag als Sabbath, gelijk ook de wet Gods gebiedt te onderhouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NADERE AANDUIDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's