DE MENS
Door één mens, in welke allen gezondigd hebhen.
Door één mens, in welke allen gezondigd hebben.
Geen verschijnsel is in de wereld zo algemeen als de zonde. Van geen verschijnsel is de algemeenheid zo gemakkelijk aan te tonen als van de zonde. Maar ook geen verschijnsel wordt zo algemeen vergoelijkt, gebagatelliseerd, veronachtzaamd en genegeerd. En dat in een wereld, waarin de religie een algemeen en centraal phenomeen is. Het hoogste intellect — zo kan men toch over de filosoferende geest spreken, die een spoor trekt door alle eeuwen — bewijst tegelijk zowel het een als het ander. Alle vormen van valse Godsvoorstellingen, begrippen en ideeën kan men binnen de sfeer van de wijsgerige bespiegeling aantreffen, naast het meest brute atheïsme. Autonomie van de menselijke geest, vergoddelijking van de menselijke rede vormen de grondslag van haar geliefde themata, die tegelijk de mens bovenmate verheffen en de God der religie d.i. de God der openbaring, onteren.
Indien wijsgerige grondstellingen een zedelijke wereldorde al niet a priori uitsluiten, zoals het geval is bij alle vormen van fatalisme en determinisme, wordt de zonde zelden ernstig genomen. Wie zich rekenschap geeft van de schier algemene invloed, welke de wijsbegeerte van Kant en van Hegel in de negentiende eeuw hebben uitgeoefend, de eerste met haar leer van transcendente problematiek en zedelijke autonomie, de laatste, hoewel uit wijsgerig oogpunt beoordeeld de meest consequente philosophie —, met haar leer van een radicaal monisme en volkomen doorgevoerd pantheïsme, kan verstaan, dat het algemeen bewustzijn in onze dagen afkerig is van theologische dogmata, van norm en gebod en lijdt aan onwetendheid op het gebied van de ware theologie.
Jammerlijk hebben de theologen daarin een onverantwoordelijk aandeel genomen en zelfs degenen, die protest aantekenen tegen de negentiende eeuwse geest, zijn van die zuurdesem niet bevrijd, en willen in hun theologische beschouwingen van zonde en schuld in Schriftuurlijke zin niet weten.
Prof. Kohnstamm, handelend over „modem agnosticisme", schreef naar aanleiding van de „Zwitserse" theologie: „Niet de ongehoorzaamheid van de mens brengt — volgens de „Zwitsers" zonde ten leed in Gods schepping; de wereld als zodanig, omdat ze geschapen is, omdat ze tijdelijk is, geldt als gesteld onder de vloek. Dat de mens God kent, is niét zijn adelbrief boven alle andere schepsels; het is niet de oorsprong van zijn dank- en loflied, zelfs in zijn gevallen staat. Integendeel, juist dit kennen van God is de grote nood, waaruit hij moet worden gered." (Nieuwe Theologie (De school van Barth.) Baarn 1926, blz. 62).
Een zelfde oordeel kan men in het volgende beluisteren: wanneer Karl Barth de scheiding tussen Gods werkelijkheid en de onze absoluut maakt en al het onze — waartoe dan niet alleen de historie behoort, maar evenzeer de religie, de Schrift en de dogmata — aan deze zijde van de Todeslinie plaatst, gaat hij toch uit van hetzelfde materiaal als de 19e eeuwse n.l. van hetgeen de empirische werkelijkheid bevat, maar hij waardeert het alles negatief. Ook de religie, die ten diepste ongeloof is en zelfhandhaving (J. G. Thoomes, Het openbarings begrip in het huidige theologische denken en zijn voorgeschiedenis, (diss.), Utrecht 1947, blz. 139).
Gaarne sluiten we ook aan bij de volgende opmerking: „Als men vanuit bijbels-reformatorisch geloof overweegt, waar de ontwikkeling van Brunners denken op uit gelopen is, moet men met Berkouwer vragen, of Brunner werkelijk een andere richting aangeeft, dan de theologie der 19e en 20e eeuw, waartegen hij zo'n felle anti-these richt". Deze vraag kan slechts ontkennend beantwoord worden (A. Szekeres, De structuur van Emil Brunners theologie (diss.), Utrecht '52, blz. 95).
Ook van de nieuwe filosofie moet dat worden gezegd. Zo heeft Jaspers b.v. geen plaats voor de erkenning van zonde in Schriftuurlijke zin. Terecht schrijft Jonker, dat zijn gehele existentiéphilosophie er blijk van geeft, „dat zij, in weerwil van het paradoxale en katastrophale, dat een plaats in zijn beschouwingen ontvangt, dichter staat bij het optimistisch humanisme der vorige eeuw dan bij de grondslagen van het Christelijk geloof" (H. Jonker, Over Jaspers metamorphose der Bijbelse Religie (diss.), Amsterdam 1954, blz. 125).
Besluiten we met een aanhaling van prof. Brilleriburg Wurth sprekende over de oorzaken van de crisis, die in huwelijk en huisgezin in onze tijd valt waar te nemen: „Die (de eigenlijke oorzaak) dient veeleer gezocht te worden in de geest, die vooral sedert de negentiende eeuw onze West-Europese samenleving is begonnen aan te tasten, de geest van saecularisatie, van voortgaande ontkerstening, die als onvermijdelijk gevolg na zich sleepte een ontwijding van heel het mensenleven en een teloorgaan van talrijke van de hoogste levenswaarden" (dr. G. Brillenburg Wurth, Het Christelijk leven in huwelijk en gezin. Kampen 1951, blz. 35).
Dit alles vindt zijn terugslag in de z.g. wetenschappelijke discussie zelfs onder orthodoxe theologen. De gezonde theologie sprak in exacte termen. Zij handelde de Deo, de creatione, de hominè, de peccato etc. (van God, van de schepping, van de mens, van de zonde, enz.). Tegenwoordig noemt men alles probleem of erger nog problematiek. Het Schriftprobleem, het probleem der ethiek, het probleem der zonde, enz. De in het geloof staande feitelijkheid en vastigheid wordt daardoor op schromelijke wijze genegeerd ten nadele van de communis opinio niet in de kring der gelovigen, want die blijft ongerept, maar daaromheen onder degenen, die van verre staan. Door deze problematieke methode te volgen ten aanzien van zaken, die onder ons volkomen zekerheid hebben, doet men te kort aan de waarheid Gods. Dat is op zich zelf een ernstige zonde, waartegen Schriftgelovigen zich met alle kracht moeten verzetten.
Sommigen maken het nog erger door van problematiek te spreken, als om de schroeven nog een slag losser te draaien. Het is zelfs de vraag, of de term als zodanig gerechtvaardigd is. Problematiek kan toch bezwaarlijk iets anders betekenen dan wetenschap omtrent problemen; derhalve, welke problemen zich omtrent een bepaalde zaak voordoen. Dan echter moet de bepaalde zaak er eerst zijn en tot op zekere hoogte gekend zijn. Men kan dan echter zulk een zaak zelf niet problematisch stellen. M.a.w., als men van een problematiek spreekt, gaat het over andere dingen als die zaak. Dan betreft het vragen, welke zich in verband met die bekende zaak voordoen, d.w.z., over verschillende relatiën. Bovendien is het veelvuldig slordig spraakgebruik, dat alles maar probleem noemt, in strijd met de wetenschappelijke acribie, die in ere dient gehouden. ledere vraag, die zich bij wetenschappelijk onderzoek of in de praktijk voordoet, is maar geen probleem. Een probleem in de wetenschap beeft iets raadselachtigs, iets, dat men op grond van het bekende niet kon verwachten en daarom niet kan verklaren. Niet iedere vraagstelling omtrent een object of aangelegen relatiën is een probleem.
Overigens kunnen de uitdrukkingen tot probleem maken, probleemstellen, problematiek weinig anders betekenen dan twijfelachtig maken: Wie spreekt van het probleem der zonde geeft daarmede te kennen, dat de zonde voor hem een twijfelachtige zaak, althans een zaak met twijfelachtige kanten is.
De zonde feit.
Theologie, welke recht heeft op die naam en de waardering, die daarbij past d.i. theologie, welke uit het Schriftgeloof opkomt, stelt de zonde niet problematisch, maar gaat van haar als feit en werkelijkheid uit, zoals deze voor het geloof vaststaan. Over de oorsprong der zonde weet zij niets meer dan de openbaring meedeelt. Door èèn mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. Die dood is doorgegaan tot alle mensen, omdat ze allen in die ène, in Adam, gezondigd hébben (Rom. 5 : 12; Genesis 3 : 6).
Deze feiten: de zonde en haar doorwerking tot allen (men noemt dat erfzonde), de straf der hemelse gerechtigheid en de tot allen doortrekkende dood zijn bij wijze van spreken exacte Schriftgegevens, welke door de ervaring van elke dag bevestigd worden. Wie ten opzichte van deze dingen van problemen gaat spreken, stelt de Heilige Schrift als Gods openbaring tot probleem d.i. tot een twijfelachtige zaak. De gezonde theologie kan dat niet doen krachtens haar aan het geloof ontleend en voor haar gezaghebbend axioma, dat de Heilige Schrift belijdt Gods Waarheid te zijn.
Ook de geloofskennis van deze feiten prikkelt het verstand tot allerlei vragen, waarop het een antwoord zoekt. Vragen, die dan ook in alle tijden onder de mensen gehoord zijn en aan de theologen veel moeite hebben bezorgd, zo zij althans een bevredigend antwoord meenden te kunnen vinden. Veelal hebben ze echter de verleiding der lokkende speculatie niet kunnen doorstaan of speelden kwaad spel met geroofd goed uit het arsenaal der filosofie.
Waarom heeft God de zonde niet voorkomen? Waarom heeft Hij de mens niet zo geschapen, dat hij niet zondigen kon? Als de mens nu eens niet gezondigd had, zou dan de Christus ook in het vlees gekomen zijn? Als Adam heeft gezondigd, waarom worden wij gestraft voor een zonde, die we niet gedaan hebben?
Dan de vragen, waarmede de theodice zich bezig houdt: Als God goed is, hoe is de wereld zo vol ellende? Gezwegen nog van de ongelukkige pogingen om de zonde als iets onvermijdelijks te willen verklaren, op de wijze, zoals K. Barth dat tracht voor te stellen (vgl. Kirchliche Dogmatik III 3 S. 402 ff. Die Wirklichkeit des Nichtigen). Barth geeft hier een merkwaardig voorbeeld van speculatie. Hij gaat uit van de stelling, dat Gods handelen op verkiezing is gebaseerd. Aan deze stelling ontleent hij een andere over de ontische samenhang, waarin het „Nichtige" (Niets) werkelijk is. Toegepast op de schepping beweert hij, dat God bij het scheppend handelen ook een keuze doet tussen, wat Hij wil en wat Hij niet wil. God zegt ja tegen wat Hij verkiest te creëren, maar daarmede tegelijk zegt Hij neen tegen wat Hij niet verkiest. God verkiest en, omdat Hij verkiest, verwerpt Hij ook. God is Heer ter rechter en ter linker hand. Het verworpene kan zich zelf niet scheppen. Het is er slechts onder Gods neen, onder Zijn toom en gericht. Daarom is het zo problematisch, slechts als onmogelijke mogelijkheid (Karl Barth A.a.O. S. 405). Zo is de zonde derhalve onmogelijke mogelijkheid, een vinding van prof. Barth, die eigenlijk niet anders kan zeggen dan we begrijpen het niet. We kunnen de werkelijkheid der zonde mitsgaders de toorn Gods over de zonde niet ontkennen, maar hoe in Gods schepping de zonde mogelijk is, daar kunnen we met ons verstand niet bij.
Om tot die conclusie te komen, is de ganse verhandeling over „das Nichtige" overbodig en tot generlei opheldering dienende. Bovendien schrijft zij Code ongerijmdheden toe, door het te willen voorstellen, alsof God bij de schepping der wereld slechts te kiezen had. Deze aan Leibnitz' theodice herinnerende voorstelling doet tekort aan het absoluut-zijn, dat we aan God moeten toeschrijven. Hij creëert de wereld door Zijn absoluut souvereine wil. In God is alles God en in Hem is geen plaats voor een innerlijk conflict. Dat is waarlijk al te menselijk geredeneerd.
Als de Schrift spreekt over het kwaad in de wereld, laat ze een radicaal geluid horen: „Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad. Ik, de Heere, doe al deze dingen" (Jesaia 45 : 7). „Gaat niet uit de mond des Allerhoogsten het kwaad en het goede? " (Jeremia 3 : 38). „Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? (Amos 3 : 6).
Voor het geloof is er geen terrein, dat zich kan onttrekken aan Gods souvereiniteit en voorzienigheid. Het geloof kan niet toestaan, dat de zonde buiten Gods wil om in de wereld zou gekomen zijn, maar het kan Hem ook niet tot Auteur der zonde maken. Het belijdt, dat God de mens goed en naar Zijn beeld heeft geschapen, zodat hij de gehoorzaamheid had kunnen brengen, die de hemelse gerechtigheid eist. De mens wilde echter als God zijn, viel in ongeloof en ongehoorzaamheid en staat deswegens schuldig voor God. God is de Rechtvaardige en de mens zondaar.
Het verstand kan dat echter niet verteren, omdat het op ongerijmdheden stuit.
Niet buiten Gods wil en voorzienigheid om? Geen alternatief. Dan is God Auteur der zonde. Consequentie: de schuld ligt bij God en niet bij ons. Dan is Zijn toom over ons onbillijk en onrechtvaardig. Wreedheid en grimmigheid drijven Hem. Dat zou niet passen bij een God die liefde is. Ziedaar de redeneringen van een mens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's