KRONIEK
Van tolerantie en intolerantie — Uit de Synode van Apeldoorn — Op gezette tijden — Over kerkbouw.
Niemand kan de Classis Doom activiteit ontzeggen. In de jaren rondom 1950- 1951 toen de Kerkorde in wording was, was de Classis Bommel nogal eens in het kerkelijk nieuws. In deze tijd doet de Classis Doom meermalen van zich spreken. Zij is wellicht een der meest actieve Classes der kerk. Het woord „diligent" heeft in de kerkelijke praktijk een geheel andere zin gekregen dan de oorspronkelijke. De huidige zin is iets van: geïnteresseerd de zaak in het oog houden; de oorspronkelijke is: vlijtig. Nu in deze betekenis is de Classis Doom diligent. Dat is alleen maar te prijzen. Zij maakt ernst met de roeping der grondvergaderingen, welke naar presbyteraal kerkrecht zoiets zijn als de pijlers waarop de kerk als instituut rust. Eigenlijk is dit beeld minder juist. De Classes kunnen en moeten in de kerk dienen als geweten, of nog anders als medewerkende organen, tot initiatief en eventueel ter correctie. Nu, Doom is 15 februari als zodanig werkzaam geweest; direct na beëindiging der Synode.
In het nummer van de Waarbeidsvriend d.d. 22-2-'62 heeft men daarvan kunnen lezen. Ik bedoel het protest dat de Classis Doom tegen het besluit der Generale Synode in haar jongste zitting genomen heeft inzake het verzoek van het Humanistisch Verbond betreffende een mogelijke „verruiming van art. 41 van het ontwerp wet tot regeling van het Voortgezet Onderwijs".
Het spreekt vanzelf, dat ik het hier over die motie als zodanig niet wil hebben. De motie spreekt voor zichzelf, evenals het onderschrift der Redactie. Zij betreft een eventuele verruiming van 't aangegeven artikel van de zgn. „Mammouthwet", waardoor het Humanistisch Verbond met zijn geestelijke verzorging op eenzelfde lijn wordt gesteld als de „kerkgenootschappen", bij de wet erkend."
Betreffende deze kwestie heeft de Synode, — strikt genomen, niet haar zaak, doch die der overheid! — of liever haar „kleinst-mogelijke meerderheid" de tolerantie beoefend: „geen adhaesie betuigen aan het verzoek" doch het ook niets in de weg leggen.
Dit besluit is verbijsterend, gezien, dat de Synode uitvoering moet geven aan de grote taak, die de Kerk naar luid van de K.O. zich stelt, n.l. zich inzetten voor de kerstening van ons volk; — ik zeg het met mijn woorden — in al zijn lagen en met name voor de jeugd.
Is de kerk in haar praktijk ook zo tolerant? Gezien de modaliteiten en derzelver instandhouding en functionering, zeg ik: ja. Gezien de „minderheden" en de afgifte van „doopconsenten", zeg ik: neen. Als ik op mij laat inwerken, wat de pers en de mondelinge overlevering over die beide ons telkens weer meldt, komt mij al maar in de gedachte de eerste regel van Tollens' overwintering op Nova Zembla:
„Nog hield het schriklijk pleit van dwang en vrijheid aan".
„Van overdrijving niet helemaal vrij", zal misschien deze en gene zeggen. Dat kan wel. Ik vergeet niet, dat het breed moderamen over de doop-consenten een mildere weg heeft geadviseerd aan lastige kerkeraden en commissies voor opzicht en geschillen. Maar een advies is niet verbindend. Betrokkenen kunnen het schrijven van het breed moderamen evenals een minister een lastige motie, naast zich neerleggen. Intussen is gemeld, dat ouders uit Strijen in Oud-Beijerland hebben mogen laten dopen. Een winstpunt voor het synodale advies!
En de moeilijkheden inzake de minderheden? Daarvan krijgen de mensen van de „Bond" vaak de schuld, want de „Bond is zo intolerant." Zeker, dat is hij. Én terecht. Op het stuk van „de zaligmakende leer van Christus" (Calvijn) moet de Kerk intolerant zijn. Het Evangelie is ook intolerant, al bestaat er „een evangelische tolerantie". Begrijpelijk, dat de Geref. Bond, die verlangt naar de „Kerk der belijdenis" en haar openbaring, intolerant is.
Is er voor deze minderheden geen uitweg in Overgangsbepalingen 234— 238? Ze zijn genoemd „de slechtste vorm van een modus-vivendi". Ik ben het daarmee eens, al begrijp ik ook, dat sommige evangelisaties „lucht" zoeken in deze weg. Onlangs vernam ik, dat in een vergadering van betrokkenen bij de moeilijkheden der „minderheden" een der jongere predikanten zijn wens naar een modus-vivendi had kenbaar gemaakt. Ik sta aan zijn zijde, en help hem hopen, dat wij nog eens een oplossing in de vorm van een billijke modus-vivendi krijgen. Ik hang niet aan het woord, dat belast is, maar aan de zaak. Want voortduren van „het schriklijk pleit" bevordert niet de komst van het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.
De Generale Synode der Gereformeerde Kerken heeft donderdag 22 februari j.l. haar zittingen beëindigd. Dat was het einde van de 3e etappe, of misschien juister, de 4e etappe. Zij kwam in Mei 1961 eemnaal in plenaire zitting bijeen en ging, nadat commissies ter bestudering van de zaken waren aangewezen, weer naar huis om in september opnieuw te vergaderen. Dat was dus de 2e etappe die nog al vele weken duurde. Daarna is ze weer uiteengegaan om in januari en tenslotte in februari 1962 opnieuw samen te zijn. Men ziet, de gereformeerden doen het in hun Synode bijeenkomsten wat anders dan de hervormden.
Een der voornaamste zaken, welke in februari aan de orde waren, ging over „gemeenschappelijke diensten met hervormden". Zo stond het boven het verslag in „Trouw", d.d. 22-2-'62. En ook in het nummer van 24 februari van genoemd dagblad stond over dit punt nog het een en ander. Aan beide verslagen zijn in het hier volgende de feitelijke gegevens ontleend.
Bepaald nieuw was de materie niet. De Synode van Leeuwarden (1955) had de deur op een kier opengezet. Daar toch was besloten, dat „in bijzondere noodsituaties" van ambtelijk geleide erediensten met andere kerken sprake kon zijn en verder wees het Leeuwarder besluit andere gemeenschappelijke samenkomsten (dus geen erediensten) „bij gelegenheid van bijzondere aard" onder bepaalde voorwaarden niet af". Ziedaar „de kier" waarvan ik sprak.
De deur is door wat Apeldoorn besloot iets meer open komen te staan. Want de Synode van Apeldoorn besloot „dat ook bij gelegenheid van bijzondere aard" — in de discussie viel telkens het woord „incidenteel" — gemeenschappelijke diensten zouden kunnen gehouden worden.
Nu betrof het Leeuwarder besluit niet uitsluitend gezamenlijke diensten van gereformeerden en hervormden, evenmin als het nu te Apeldoorn aangenomene. Maar in de Synode van dit jaar is toch wel het zwaartepunt op „gereformeerd en hervormd" komen te liggen. Want naar dergelijke diensten is wel het huidige streven over en weer, misschien bijzonder bij de jongere generatie.
Uit de verslagen kreeg ik de indruk, dat vooral verzet kwam uit de kringen der ouderlingen en wel bijzonder uit die der noordelijke provinciën. Er waren ook wel predikanten, die hun bedenkingen hadden. Ds. v. Herksen uit Ermelo was één daarvan en ds. Ganzevoort uit Antwerpen stemde tenslotte tegen. Hoe dan ook, het voorstel is tenslotte aanvaard. Maar dat kon niet in de eerste zitting aan deze zaak gewijd. De commissie ad hoc moest zich nader beraden. Nadat zij dit had gedaan en met de nodige voorwaarden kwam, werden amendementen en moties ingetrokken en is de zaak aanvaard met 2 stemmen tegen. Bij de voorwaarden is wel zeer gestipuleerd de garantie voor de prediking van het zuivere Evangelie. Prof. H. Ridderbos had al direct bij de eerste behandeling onderstreept, dat bet hier „een confessionele, geen kerkelijke kwestie" was. Ook is bepaald, dat de classis in dergelijke diensten moet gekend worden en dat, vóórdat deze werden gehouden, de kerkeraad zijn gemeente grondig moet inlichten over het hoe en waarom. Ook is het: „incidenteel" geaccentueerd.
In verband met deze gemeenschappelijke diensten is eveneens het „oecumenisch avondmaal" en het dusgenaamde „open avondmaal" ter sprake geweest. Doch daarover is geen besluit genomen. Het is in handen van deputaten gesteld, die de volgende Synode — deze zal in Groningen bijeen komen — daarover moet rapporteren. Een wijs besluit, naar het me wil voorkomen. Want die zaak is niet gemakkelijk. Ook onze Synode heeft daarover een — wijze? — nota opgesteld, die ter consideratie is verzonden aan kerkeraden en classes. Ik hoop zeer, dat deze de nota even grondig zullen bestuderen als de gereformeerde deputaten gewend zijn het de hun ter peiling gegeven kwesties te doen. Dat zegt niet alles, maar wel veel. Aan de zaak van „oecumenisch" en „open avondmaal" is veel gelegen! Vooral zij ter grondige overweging aanbevolen, dat Christus Zijn sacramenten geschonken heeft aan Zijn gemeente en dat ze door Hem gesteld zijn onder de „sleutelmacht" (Zondag 30).
In de Synode te Apeldoorn heeft ook de zaak van een verkort doopsformulier haar beslag gekregen. Het is daar in eindredactie klaargekomen en vrij gegeven voor gebruik.
De vraag naar zulk een formulier is niet eerst op de laatstleden synode der Gereformeerde Kerken aan de orde geweest. Meermalen daarvóór ging de wens er naar uit. Niet dat er bezwaar was tegen de inhoud van het klassieke formulier. Het is naar veler smaak te lang. Dit bezwaar houdt vermoedelijk wel verband met het feit, dat in vele diensten in de Gereformeerde Kerken — in grotere gemeenten wellicht in alle — er bediening van de Heilige Doop is. Dit vindt mede zijn oorzaak in de „vroegdoop"; welke vooral kort na de Doleantie in vele gemeenten regel werd. De leer van de „veronderstelde wedergeboorte" was daarin zeer zeker van invloed. In de jaren, dat deze leer nogal geprononceerd naar voren kwam, was het in vele gemeenten regel, dat alleen de vaders met het kind ten Doop kwamen. Nu is er dienaangaande wel het een en ander veranderd. Ik merk in meerdere gereformeerde kringen wel, dat men met de Doop wacht tot de moeder mee op kan gaan.
Echter, niet alleen de „vroegdoop" was oorzaak van de veelvuldige doopsbedieningen. De Geref. Kerken hebben van meetaf niet van bepaalde „doopdiensten" willen weten. Er moest elke zondag gelegenheid zijn dat ouders hun kind „ten doop presenteerden". Met die opvatting kan ik me best verenigen. De Doop moet elke zondag kunnen bediend worden. Onze vaderen hadden zelfs in de week doopdiensten. Bilderdijk, werd enkele dagen na zijn geboorte, op een vrijdagavond in de Westerkerk te Amsterdam, gedoopt. Dit ten bewijze van de zoeven geponeerde stelling. Er kunnen echter bezwaren zijn tegen het telkens lezen van het formulier. Het kan sleur worden, in lezen en aanhoren, en tegen de sleur moet gestreden worden. Daarom zijn mede de bepaalde doopzondagen ingesteld in de Hervormde Kerk. Het sacrament werd echter verbannen in een middagdienst, waarbij in de steden eigenlijk alleen de familie en enkele kennissen aanwezig waren. Gelukkig is dat veranderd en het sacrament weer in het midden der gemeente geplaatst.
De doopzondagen hebben ook dit vóór, dat de kerkeraad daardoor de tijd heeft, om slecht-kerkse doopouders nog eens rustig pastoraal te bearbeiden. Bij deze praktijk — die der doopzondagen — is het formulier werkelijk niet te lang.
Het is het kortste, dat we hebben; het is treffend in uiteenzetting en toepassing: een klassieke dooppreek.
De Gereformeerde Kerken hebben dan nu een verkort doopsformulier. Men heeft toegegeven aan „de zwakheden der schare". Die schijnen tot het vrijgeven te hebben genoopt.
Er is echter bij gezegd, dat ook het oude formulier op „gezette tijden" moet gebruikt worden. Ds. de Vries zegt in de „Haagse Kerkbode", dat men er meer aan gehad had, als de Synode gezegd had wat zij verstaat - onder „gezette tijden". En dan voegt hij er hij, dat (volgens Jeremia 8 : 7) „een ooievaar aan de hemel zijn gezette tijden weet", maar de kerken over het gebruik van het „oude" in het duister tasten.
De opmerking is op zichzelf niet onjuist. Wellicht heeft de Synode bedoelde bepaling gemaakt, omdat er gevaar is, dat na het „vrijgeven" van het nieuwe formulier, het oude in meerdere gemeenten niet meer gebruikt wordt, ook vanwege de drang om de diensten maar steeds korter te doen duren. We leven immers in een dynamische tijd!
In „De Bazuin" heeft ds. Boerkoel er kritiek op; dat in zo kort bestek nog twee gebeden zijn voorgeschreven. Men had z.i. in dit korte formulier met één gebed kunnen volstaan.
Ik heb de tekst van het nieuwe formulier nog niet onder ogen gehad. Maar alles samengenomen had men m.i. het beter bij het oude kunnen houden. Was het om.de „zwakheden der schare" nodig verandering aan te brengen, dan had men „doopzondagen" kunnen invoeren. Navolging van de Hervormde Kerk? Misschien zou het als zodanig geduid zijn. Doch wat zou dat? Op andere punten is er bij de „gescheiden broederen" geen bezwaar zich in zulk een lijn te bewegen. Al blijf ik bij wat ik over „elke zondag gelegenheid tot dopen" zeide, praktisch zie ik onze instelling veel beter, dan twee doopsformulieren, waarvan één op „gezette tijden". Ik verlies hierbij niet uit het oog, dat ook bij ons nieuwe formulieren zijn, doch die zijn, meen ik, nog altijd op „proef".
Ook de Gereformeerde Kerken hebben hun kerkbouwactie, bekend onder S.S.K. Die heeft in ongeveer een jaar tijds ruim 7 miljoen opgebracht. Per lid is, naar berekend, ca. ƒ 10, — geofferd. Dat is om respect voor te hebben; 750.000 leden en dan zulk een bedrag. Daarbij vergeleken hebben wij, met enkele miljoenen meer, het er niet al te best afgebracht.
En wat ik bovendien in de actie der gereformeerden prijs, ze is zo rustig verlopen. Helemaal niet die reclame, die mij bij onze actie zo gehinderd heeft. In wat de Gereformeerde Kerken deden zat voor mijn besef iets in van „de stille bouw", waarvan 1 Kon. 6 : 7 zegt: „zodat gene hamers noch bijlen of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd". Dat was de eis des Heeren. En die heeft ook ons nog iets te zeggen. Het gaat in kerkbouw om een heiligdom. Een heiligdom voor de dienst des Heeren, al is geen kerkgebouw voor ons, gelijk voor de roomsen, op zichzelf heilig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's