De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het minderheidsrapport

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het minderheidsrapport

9 minuten leestijd

Zoals de lezers wellicht bekend is hebben drie onzer predikanten, te weten ds. S. Gerssen, ds. J. van Sliedregt en ds. L. Vroegindeweij, zitting gehad in een Commissie, die de Generale Synode benoemde tot bestudering van de uitverkiezing.

Deze drie leden hadden bezwaren tegen het meerderheidsrapport en stelden samen het minderheidsrapport op, dat wij hieronder afdrukken.

De Synode heep geweigerd een meerderheids- en een minderheidsrapport de kerk aan te bieden en benoemde een nieuwe commissie, die de richtlijnen opstelde voor de behandeling van de leer der uitverkiezing, die door de Generale Synode zijn aanvaard en bij Boekencentrum is verschenen.

Over deze richtlijnen schreef ds. J. van Sliedregt enkele maanden geleden een tweetal artikelen in ons blad. Daarin bracht hij ernstige bezwaren in tegen dit eenheidsrapport.

Het leek ons goed, dat de lezers kennis kunnen nemen van het oorspronkelijk minderheidsrapport, dat een geheel ander geluid laat horen dan het meerderheidsrapport èn dan de definitieve richtlijnen.

In de discussies in de kerkeraden èn op de Classicale Vergaderingen kan van dit gebodene gebruik worden gemaakt. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond stelt zich voluit achter dit minderheidsrapport en heeft zo overwegende bezwaren tegen de verschenen richtlijnen, dat hij deze ongeschikt en bijbels onverantwoord acht en in strijd met de kernen van het reformatorisch belijden, zoals deze beleden zijn en worden in de belijdenis der Kerk. De kritiek, die de Synode zich veroorlooft op artikel 16 van de Ned. Gel. Belijdenis en op de Leerregelen van Dordt, om verder te zwijgen over de exegese van verschillende Schriftplaatsen, heep ons opnieuw diep verontrust over de hantering van artikel 10 van de kerkorde. Zodra dit mogelijk is, komen wij op de richtlijnen terug.

1. Met het meerderheidsrapport kunnen wij niet instemmen, omdat daarin - naar ons inzicht -het diepste en het wezenlijke van Gods openbaring omtrent Zijn verkiezing niet voldoende tot zijn recht komt. Onvoldoende komt tot uiting, dat de verkiezing Gods een onderscheidend handelen is en blijft. Wij menen, dit in document IV de vragen op een ongeoorloofde wijze worden aangevat, wanneer gezegd wordt, dat de gemeente zich door de Heilige Geest getrokken weet en in dit weten haar geloof in de uitverkiezende God belijdt. De geloofservaring der gemeente neemt daardoor tezeer de plaats in van de openbaring Gods.

Dat de kinderen Gods uitverkoren zijn tot het licht van Gods genade weten zij alleen uit de Heilige Schrift, die zegt, dat er zovelen geloofden als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13 : 48) en spreekt over de zekerheid van de eeuwige erfenis. „Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal hen uit Zijn hand rukken". (Johannes 10 : 28).

2. Wij lezen in de Heilige Schrift, dat het getal der uitverkorenen van eeuwigheid bij God bekend is en dat er daarvan niet één zal verloren gaan. „Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen; en die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt" (Rom. 8 : 29, 30). Er wordt een duidelijk en scherp onderscheid gemaakt tussen „degenen, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh. 17 : 6) en de wereld. „Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe (Joh. 17 : 9). Hetzelfde wordt openbaar wanneer gesproken wordt over het boek des levens. „Welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams, dat geslacht is, van de grondlegging der wereld" (Openb. 13 : 8 en Openb. 17 : 8). Naar ons inzicht komt in het meerderheidsrapport de zekerheid, dat de uitverkorenen allen en alleen zalig worden, niet voldoende tot uiting.

3. Dat wij evenzeer als het meerderheidsrapport willen spreken van de algemene roeping door de prediking, neemt onze bezwaren niet weg, omdat de begrippen „roeping" en „verkiezing" tezeer worden verwisseld, zodat dikwijls over de verkiezing wordt gesproken wanneer de roeping wordt bedoeld. Stellig is de algemene roeping nauw met de verkiezing verbonden. De weg van het evangelie door de wereld heeft een uitverkiezend karakter: vele volkeren worden tijdenlang voorbijgegaan. Dat voorbijgaan betekent verwerping en dus verloren gaan zonder de kennis van Christus. Op het meerderheidsrapport rust, naar ons inzicht, het bezwaar, dat dat voorbijgaan niet voldoende ernstig wordt genomen.

4. De Schrift leert ons onderscheid te maken tussen trappen der verkiezing. In het meerderheidsrapport wordt het onderscheid tussen de verkiezing van een volk om het evangelie te ontvangen en de verkiezing van een enkeling tot zaligheid voortdurend vervaagd. Zodoende worden ook de verkiezing van een ge­meente (het verbond) en van een enkeling niet voldoende onderscheiden. Wij kunnen daarom niet instemmen met wat gezegd wordt over de verkiezing door Schrift en prediking. Daardoor geschiedt de roeping. Wij willen echter graag vasthouden aan de onderscheiding tussen uitwendige en inwendige roeping. De uitwendige roeping, die terecht algemene roeping wordt genoemd. Deze roeping is niet identiek met de verkiezing. „Want velen zijn geroepen, maar wéinigen uitverkoren" (Matth. 22 : 14). In de inwendige roeping verbindt de Heilige Geest zich op een zeer innige wijze met de prediking en realiseert zich de verkiezing. „Die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd" (Rom. 8 : 30). Daarom is deze roeping ook onwederstandelijk. Wanneer deze roeping Gods niet als onwederstandelijk wordt beleden krijgt de verkondiging van het evangelie een onmiskenbaar wettische inslag en vervaagt het genade-karakter van het heil.

5. De inzet van het meerderheidsrapport onderscheidt zich ongunstig van de Dordtse leerregels. De belijdenis der Kerk begint immers met de verwijzing naar de totale verdorvenheid van het ganse menselijke geslacht. Alleen tegen deze achtergrond kan, naar ons inzicht, het souvereine en het genadekarakter van de verkiezing Gods zuiver beleden worden. Als de achtergrond niet zuiver is getekend kan het licht der verkiezing niet in volle helderheid uitkomen. De verdorvenheid en onwil van het menselijk hart zijn algemeen. Ieder mens is een vijand van Gods genade en niemand geeft zich uit zichzelf gewonnen aan de kracht van Gods zaligheid. „Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet; en die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen" (Rom. 8 : 7, 8) „Gij wilt tot Mij niet '*'9 komen, opdat gij het leven moogt hebben" (Joh. 5 : 40) „Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild" (Matth. 23 : 37) God opent zelf het hart (Hand. 16 : 14).

„Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is" (Matth. 16 : 17) „Niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn dan door den Heiligen Geest" (1 Gor. 12 : 3). Niemand kan tot Christus komen, tenzij de Vader hem trekke (Joh. 6 : 44). „U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden" (Ef. 2 : 1). Het onderscheid gaat dus van God zelf uit. „Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven" (Matth. 13 : 11). Hij schenkt aan de een Zijn genade en de ander gaat Hij voorbij. „Zo ontfermt Hij zich dan, diens Hij wil en verhardt, wien Hij wil" (Rom. 9 : 18). Als wij het souverein voorbijgaan van sommigen niet duidelijk belijden, wordt op enigerlei wijze aan de mens de beslissing toegekend, zowel in de verwerping als in de verkiezing. Het meerderheidsrapport wil niet verder gaan dan te zeggen, dat God verwerpt, die Hem verwerpen. Dat wij dat volledig erkennen, neemt intussen niet weg, dat wij het schriftuurlijk verband tussen het verloren gaan van de mens en de raad Gods willen blijven eerbiedigen. Romeinen 9 : 22 spreekt over „de wateren des toorns, tot het verderf toebereid". En in 1 Petrus 2 : 8 wordt gesproken over „degenen, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn". En in Judas 4 lezen wij over sommige mensen, „die eertijds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn". Van ieder mens zonder onderscheid geldt: „gij wilt tot Mij niet komen" (Joh. 5 : 40). Het wonder van Gods genade is immers juist, dat Hij verkiest, die Hem verwerpen. Daarmee maken wij God niet tot de auteur van het ongeloof. Deze gedachte is uitgesloten, zodra het verband met de erfzonde in het oog gehouden wordt.

6. Ook hebben wij er bezwaar tegen als er gesproken wordt over Christus als de grond der verkiezing. De grond is de liefde Gods, die Zijn Zoon heeft overgegeven en ons heeft uitverkoren in Hem. Christus is de gave van de liefde des Vaders en deze liefde gaat aan de zending van de Zoon vooraf. Deze verkiezende liefde komt voort uit het trinitarische wezen Gods. Er wordt van Christus gezegd: „Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil" (1 Petrus 1 vers 20). En Hij zegt zelf: „Gij hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld" (Joh. 17 : 24). Hij is door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven (Hand. 2 : 23). Deze dieptedimensie is van wezenlijke betekenis voor de zekerheid des heils. „Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus, gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde" (Ef. 1 : 3, 4).

7. Het verwijt, dat wij niet zouden kunnen ontkomen aan een gespleten Godsbeeld, kunnen wij niet aanvaarden. Die gespletenheid zou dan hierin liggen, dat God de zaligheid van de één wil en van de ander niet, terwijl Hij toch aan allen het evangelie wil doen verkondigen. Het ware beter te zeggen, dat ons verstand te klein is om God te begrijpen. Als men trouwens zegt, dat God wel de zaligheid van allen wil, maar die niet bij allen kan bewerken, maakt dat op ons ook de indruk van gespletenheid.

8. Onze instemming met veel wat het meerderheidsrapport bevat kan onze fundamentele bezwaren niet wegnemen. Wij achten het boven aangegevene van wezenlijke betekenis voor een schriftuurlijke verkiezingsleer.

9. Met de gehele kerk van Christus willen wij de lof verkondigen van Hem, die goddelozen rechtvaardigt en Zijn uitverkorenen onwederstandelijk leidt naar het eeuwig licht. „O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennis Gods. Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen" (Rom. 11 vers 33).

Ds. S. Gerssen 

Ds. J. van Sliedregt 

Ds. L. Vroegindeweij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het minderheidsrapport

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's