De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Prof. H. Ridderbos heeft zich in de rubriek Van Week Tot Week in het Gereformeerd Weekblad (Kok) nog al uitvoerig bezig gehouden met het boekje Van Kerken tot Kerk, een uitgave van de zogenaamde „Achttien" voor wie de gescheidenheid tussen hervormden en gereformeerden onduldbaar is. Twee gereformeerden uit dit college van achttien hebben gereageerd op het schrijven van van prof. Ridderbos en blijkbaar zijn ze niet erg gelukkig met dat wat prof. Ridderbos er over geschreven heeft. Hun verwijt is, dat prof. Ridderbos alsmaar de nadruk legt op de vragen die de gereformeerden aan de hervormden hebben te stellen. Maar laat de hooggeleerde nu ook eens antwoord geven op de vragen die de hervormden aan de gereformeerden stellen, zo is hun dringend verzoek.

Als men overigens daar op af moet gaan, dan schijnt er in brede lagen van de kerkelijke bevolking toch nog wel wat te moeten gebeuren, voor dat er van een werkelijke en hartelijke eenwording sprake is. Op het ogenblik schijnt er immers zoiets van een touwtrekken nog aan de gang te zijn over de vraag wiens vragen nu het belangrijkste zijn en het eerst beantwoord moeten worden. Het schijnt vervolgens dat de hervormde kerk in deze worsteling een paar strepen vóór ligt. Van gereformeerde zijde verneemt men namelijk zo hier en daar nog wel eens de klacht dat het bovenvermelde boekje veel te hervormd is. De negen gereformeerden uit het comité van achttien doen het blijkbaar niet helemaal goed en naar de wens van de gereformeerden. Ook ds. H. Volten in zijn briefwisseling met dr. W. Nijenhuis in Woord en Dienst (welke briefwisseling deze week juist werd afgesloten), slaakt daar zuchten over in zijn (laatste) brief. Hij schrijft, dat bij vele hervormden de gedachte leeft, dat — bij een eventuele hereniging tussen hervormden en gereformeerden — de gereformeerden eenvoudig tot de bestaande Hervormde Kerk moeten terugkeren. En dan voegt hij er aan toe: „Dit is voor mijn besef zelfs de ondertoon van het boekje van de achttien Van Kerken tot Kerk, waarbij onze gereformeerde gesprekspartners zich te gemakkelijk aansluiten".

Maar, om weer terug te keren tot prof. Ridderbos, twee gereformeerden uit de groep van achttien willen vooral van de professor nu eens horen het antwoord op deze hervormde kernvraag: Waar moeten we volgens u ingrijpen: de vrijzinnigen, zegt u? Maar sommige gereformeerden willen ook de „barthianen" de kerk uit hebben en misschien ook wel het meest „rechtse" deel van de Gereformeerde Bond en misschien nog wei meer.... Kunt u, gereformeerden, ons nu eens precies zeggen, wat u nu eigenlijk van ons wilt op dit punt? Uit het antwoord van prof. Ridderbos nemen we het volgende over:

In dit stadium zie ik de zin en het nut van deze vragen niet in. Beter nog, het eenzijdig stellen van deze vragen aan de gereformeerden bewijst, hoe ver wij nog van elkander zijn verwijderd. Deze vragen zouden nuttig en zinvol zijn, wanneer eerst vaststond tussen herv. en geref., dat niet slechts door herderlijke schrijvens, of andere niet verbindende stukken, maar door wat men dan institiële leertucht noemt - de apostolische grondslagen der kerk geëerbiedigd zullen worden in de kerk. Dit is niet maar een gereformeerd denkbeeld of specialisme, maar behoort tot de katholieke structuur en inrichting van de kerk. Pas wanneer dit vaststaat, wordt de vraag interessant: maar hoe en waar liggen hier dan de grenzen? Dat de achttien het over de principiële zaak eens zijn, valt m.i. niet met enige duidelijkheid te constateren uit hun boekje. Wel wordt er gezegd, dat de geref. er bij de herv. op aan zullen dringen om tot „justitiële" tuchtoefening voort te willen varen, maar de hervormden antwoorden op deze vraag niet in bevestigende zin. Zij volstaan met aan de gereformeerden vijf tegenvragen te stellen, die dan in de boven geciteerde brief zijn opgenomen. Mijn bezwaar is niet, dat de hervormden moeilijkheden hebben met het hoe en daarvan de gereformeerden deelgenoot willen maken, .maar dat ze geen onbewimpeld en voor geen tweeërlei uitleg vatbaar antwoord (willen? ) geven t.a.v. het dat. Daardoor wordt het eigenlijke punt in kwestie aan het oog onttrokken en krijg men de voorstelling, dat de gereformeerden eerst maar eens deze hervormde puzzels op moeten lossen en dat, zolang zij dit niet ten genoege van de hervormden doen, deze laatsten hun handen in onschuld kunnen wassen. Dat wil - omgekeerd - niet zeggen, dat de gereformeerden tegen de hervormden kunnen zeggen: zolang u deze vragen niet ten genoege van ons hebt opgelost, hebben wij geen boodschap aan u. Maar het wil wel zeggen, dat zolang de hervormden over het dat van de eerbiediging van de apostolische grondslagen der kerk zwijgen en op dit punt (althans in dit boekje) geen duidelijke profetische en kerkelijke taal spreken, zij de vraag van het hoe niet met een zekere uitdaging („wilt u, gereformeerden, ons nu eens precies zeggen . . .") aan de gereformeerden kunnen overdoen, als zou deze vraag door de laatsten en niet in de eerste plaats door de hervormden zelf beantwoord moeten worden. Ik wil er wel aan toevoegen, dat ik daarom luist op dit punt het gespreksboekje uitermate onbevredigend acht. Men stuurt de gereformeerden met de hervormde problemen in het riet, niet omdat men op deze wijze hulp zoekt om uit het moeras van de tuchteloosheid te komen, maar om aldus ongehinderd op de heerbaan van de modaliteitenkerk te kunnen voortschrijden.

Het is wel merkwaardig, dat in hetzelfde Weekblad, van 23 februari, prof. Brillenburg Wurth ons komt vertellen, dat het probleem der vrijzinnigheid helemaal nog niet zo eenvoudig ligt en als afgedaan mag beschouwd worden. In een artikel: De Antichrist? gaat hij in op de vraag of men de vrijzinnigheid met de antichrist op één lijn mag stellen op grond van 1 Johannes 4 : 1 en 2. Daar wordt immers gezegd, dat wie niet gelooft dat de Zoon Gods in het vlees gekomen is, de antichrist is. De zaak is niet zo eenvoudig, volgens prof. Brillenburg Wurth, want naast het antichristelijk ongeloof bestaat er ook nog een ander soort ongeloof, dat uit positieve motieven voortvloeit:

Dat in onze tijd sommigen b.v. uit de kring van de midden-orthodoxie deze harde maar bijbelse woorden (nl. antichrist, U.d.p.) ten aanzien van de vrijzinnigheid in geen enkel opzicht meer durven uit te spreken, maar alleen maar van een zekere „vrijzinnige modaliteit" gewagen lijkt ons geen goed teken. De kerk van Jezus Christus heeft ook nu „de geesten te beproeven" (1 Joh. 4:1) en dat is wat anders dan uiteenlopende theologische inzichten met elkaar een „gesprek" te laten voeren. Maar nu de andere zijde van de medaille. Mag men de vrijzinnigheid zonder meer met loochening van Jezus Christus als God geopenbaard in het vlees indentificeren? Het lijkt wel stoer en principieel om dat te doen; maar het is niet in overeenstemming met de waarheid. Er zijn heel wat „vrijzinnigen" die zich aan deze loochening pertinent niet schuldig maken, die misschien wel op 't punt van de belijdenis van Christus' Godheid moeilijkheden hebben, die wij in de regel niet kennen, maar bij wie daar zeer beslist niet een weigeren om Christus als Middelaar Gods en der mensen te herkennen achter zit. Dat is vooreerst iets dat wij eerlijkheidshalve niet uit het oog mogen verliezen. Maar ook „de vrijzinnigheid" is niet maar alleen Christusloochening. Er werken daar ook andere positieve motieven in, eerlijkheid in het nadenken over Gods openbaring, door willen denken van allerlei problemen van geloof en moderne wetenschap enz., die volstrekt niet uit Christus-loochening voortkomen.

Het nummer van 24 februari van In de Waagschaal valt op door de politieke voorlichting die we daarin voorgeschoteld krijgen. Rusland en het communisme worden zelfs in een drietal, overigens zeer uiteenlopende artikelen wat de inhoud betreft, onder de loep genomen. We willen met het laatste artikel over deze materie beginnen. De eindredacteur schrijft in zijn Terzijde over Philipsisme en Marxisme. Hij begint met te vertellen, dat een tante van Karl Marx de overgrootmoeder was van Frits Philips, de directeur van de gloeilampenfabriek in Eindhoven.

Overigens is de stem van de bloedverwantschap volkomen tot zwijgen gebracht blijkbaar, want op het jaarlijks diner van de buitenlandse persvereniging in Nederland heeft F. Philips een fel betoog gehouden ook zelfs tegen de handel met Sovjet-Rusland. Uit het Terzijde nemen we het volgende over:

Toen de heer Philips zijn boetepreek tegen het communisme beëindigd had, nam geheel onverwacht - waar werd oprechter trouw dan tussen man en vrouw ter wereld ooit gevonden? - mevrouw Philips haar kans waar, om op dit diner, waar zovele groten der aarde aanzaten, op de toeter van de morele herbewapening te blazen en de ideologie van de morele herbewapening in de strijd tegen het communisme aan te bevelen. . . .

De Morele Herbewapening is steeds meer verworden tot een anticommunistische beweging, waarin van de oorspronkelijke bedoelingen van de Groepbeweging niet veel meer te ontdekken valt. Vroegere socialisten mogen gezegd hebben: christendom en socialisme verhouden zich als water en vuur, tegenwoordig kan men beter zeggen, dat deze water- en vuur-verhouding bestaat tussen de ideologie van het Communisme en die van de Morele Herbewapening. De bazuin van Chroesjtsjow en de toeter van mevrouw Philips blazen tegen elkaar in en weren wat hun belijden om en om weerspreekt.

Het tweede artikel over deze materie is van F. G. de Groot. Het is een antwoord op een artikel van dr. P. J. Meertens in In de Waagschaal van 22 december. Beide artikelen dragen het opschrift: Wat doen we als de Russen komen. Dr. Meertens beurt daar niet zo zwaar aan, want juist tegen de achtergrond van de bezettingstijd die we tijdens de laatste wereldoorlog meemaakten, zal een eventuele bezetting door de Russen bar hard meevallen. Het nationaal-socialistische beginsel (zo schreef dr. Meertens) was in strijd met de meest elementaire beginselen van Christendom en Humanisme, het communistische beginsel is daarmede alleen maar congruent. De Groot vindt dit toch wel een beetje te gortig, het is hem te vrolijk gedompeld in een niet verantwoord optimisme. Wel heeft ook hij bewondering voor Kroetsjew, als christen wordt men klein voor deze dictator. Er is meer congruentie tussen Stalin en Hitler dan tussen Stalin en Kroetsjew. Deze laatste heeft wat groots verricht, zelfs voor geheel Europa; gelukkig behoren de krankzinnige sfinxachtige invloeden van Hitler en Stalin voorlopig tot het verleden, dank zij Kroetsjew. Maar De Groot wil dan toch nog wel protesteren tegen het atheïsme en het historisch materialisme van de communisten. Dr. Meertens is echter door het schrijven van De Groot niet overtuigd. In een naschrift op dat artikel schrijft dr. M.:

De althans ten dele gemeenschappelijke basis (van Christendom en communisme, U. d. p.) schept de mogelijkheid van een gesprek. Liever dan te protesteren tegen hun atheïsme en hun historisch materialisme zou ik, willen beginnen met een gesprek met de communisten. Ik geloof, in mijn optimisme, dat er met hen te praten valt - in elk geval over de gerechtigheid. Een gesprek over wat ons verdeelt heeft eerst daarna zin.

In een derde artikel schrijft prof. De Graaf over het nieuwe (het derde) partijprogramma van de communistische partij in de Sovjet-Unie. In dat programma wordt ook vermeld, dat de partij voort zal gaan met zijn antireligieuze activiteiten. De gevoelens van de gelovigen moeten wel ontzien worden, men mag hen niet krenken, maar geduldig moet men de ongegrondheid van de religieuze dogma's uiteenzetten.

Maar, zo lezen we in dit artikel:

De kerk is hierover in Rusland niet diep verontrust. Zij weet, dat haar grondwettelijke positie (art. 124 van de grondwet zal ook bij herziening van de grondwet niet veranderen, vrijheid van eredienst blijft gegarandeerd) vaststaat en dat haar onaantastbaarheid juist daarin ligt, dat zij niet anti-communistisch is, maar ook niet bevangen door de ideologische beïnvloeding van de partij. Een partijlid kan geen lid van de kerk zijn; daarin zijn kerk en partij het eens. De „communistische moraal" is voor het besef van de kerk ongeveer wat de morele herbewapening voor het besef .van belijdende christenen in het westen is: een aftreksel van het christendom in een verband geplaatst, waaruit het slechts een kortademige inspiratie kan putten, die het niet houdt, omdat het christendom iets anders Is dan moraal en dan ideologie en juist daarom ethos creëert en niet een wat magere strijdmoraal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's