KRONIEK
Van een forumgesprek — Oecumenisch risico — Lege kerken.
Op woensdag 21 februari j.l. is er een merkwaardige bijeenkomst geweest van kerkelijk Apeldoorn. Toen hebben gezamenlijk vergaderd de hervormde kerkeraad, die van de geref. kerk en van de chr. geref. kerk. Een interkerkelijke kerkeraadsvergadering, waarbij ook belangstellenden uit genoemde gemeenten toegang hadden. De vergadering stond onder leiding van de oudste der hervormde predikanten, ds. P. Visser. Als onderwerp ter bezinning was gekozen: „de functie der belijdenis". Men wilde op deze wijze aandacht geven aan het 4e eeuwgetij der N.G.B. Tot een interkerkelijke herdenking van de inlevering der Confessio Belgica, 2 november 1561, was het november j.l. in Apeldoorn niet gekomen. Toch was het feit, het historisch gebeuren, niet vergeten, doch men wilde het na de eigenlijke datum op deze ongewone wijze actualiseren. Men had aan deze bijeenkomst een forumgesprek verbonden tussen de hoogleraren Van Ruler (Utrecht RJU.); H. Ridderbos (Kampen, Theol. Hogeschool) en Van Genderen (Apeldoorn, Chr. Geref. theol. school). Ik trof een weergave van die samenkomst aan in „De Wekker" van 2 maart 1.1. waaraan de gegevens, hiervóór, zijn ontleend, terwijl ook het volgende, wat het essentiële betreft, daarop rust. Ik ben ds. J. H. Velema, die dit „gesprek" in zijn rubriek „Onder de lens" vermeldde, voor zijn publicatie zeer erkentelijk. In geen der andere bladen — kerkelijke en niet-kerkelijke — werd daarvan gewag gemaakt, voorzover mij bekend, dan allen in „Gereformeerd Weekblad", d.d. 9-3-'62 (uitgave J. H. Kok), waarin prof. H. Ridderbos het grootste deel van ds. Velema's stuk had overgenomen.
In verband met het onderwerp zijn verschillende vragen aan de orde gekomen. Uiteraard de leertucht. Over de noodzaak van leertucht waren alle forumleden het met elkaar eens. Maar na dit gemeenschappelijk begin kwam de divergentie. Prof. van Ruler hanteerde bij zijn uiteenzetting over het „hoe" en „wanneer' de „eschatologische dimensie", d.w.z., dat naar zijn gevoelen tucht in haar strafste vorm, n.l. van „uitsluiting uit het Rijk van God" (H.C., antw. 85) moet zijn. Ds. Velema licht dit aldus toe: „M.a.w. hij wil zo lang wachten met leertucht en verheft de leertucht zo hoog tot de hemel, dat er op aarde geen plaats meer voor leertucht overblijft". Hiertegen kwam prof. Ridderbos evenals prof. Van Genderen, op, in het licht stellend: „er moet leertucht zijn ook al betekent leertucht niet dat degene, wiens leer veroordeeld of geweerd wordt, daarmee staat buiten het Koninkrijk der hemelen." De these van prof. Van Ruler ging prof. Haitjema, die ook aanwezig was, te ver. Hij betoogde: „dat er leertucht moet toegepast worden, wanneer het slagaderlijke bloed van de kerk wordt aangetast of niet vrij meer kan stromen!"
Voordat deze zaak in bespreking kwam, was ook de catechismusprediking aan de orde geweest. Over haar noodzakelijkheid bestond er geenszins eenstemmigheid onder de drie hooggeleerden. Wel tussen prof. Ridderbos en prof. Van Genderen. Doch ook hier was prof. Van Ruler van een eigen en tegengestelde mening. Luister slechts naar wat ds. Velema dienaangaande mededeelt:
„Maar inzonderheid de voorzitter van het forum maakte hiertegen nogal bezwaren, aangezien de kerken hierdoor leeggepreekt zouden worden en in geen geval meer vol zouden worden. Dat kan in de Hervormde Kerk alleen maar als de predikant een sensationeel onderwerp weet aan te kondigen en te behandelen, dat overeenkomt met de naam van een film. Dit was een typisch Hervormd geluid. Prof. Ridderbos evenals (en natuurlijk!) prof. Van Genderen legden sterke nadruk op de grote betekenis van de Catechismusprediking. De eerste verkoos zelfs de Catechismuspreek boven de „vrije stof" omdat hij dan minder aan „de bui" van de dominee was overgeleverd".
Men ziet, de voorzitter van het forum, prof. Van Ruler, was wel zeer ver van het voorschrift van Dordt verwijderd, dat de kerkeraden op het hart bond geregeld in de „namiddagse" diensten de H.C. „summierlijk" en in geregelde gang te prediken. Ik ben van oordeel, dat het met „de lege" diensten dan wel zal meevallen. De praktijk, voorzover ik die meemaak, wijst dit wel uit. In gemeenten, waarin de catechismuspreek niet meer gehouden wordt, doch voor „vrije stof" heeft plaats gemaakt — met of zonder bewilliging van de kerkeraad — is de opkomst niet beter dan voorheen. Misschien vinden de gemeenteleden het met prof. Ridderbos ook niet aangenaam „aan de bui" der dominees te zijn overgeleverd.
Maar dan de jongeren? Zij worden op allerlei wijze gezien als de „spes ecclesiae", de hoop der kerk. Geenszins zal ik ontkennen, dat daar wel iets in zit. Toch meen ik — over de jeugdige stedelingen kan ik niet gefundeerd oordelen — dat er, blijkens wat ik zo af en toe uit hun reacties merk, wel interesse is voor de catechismuspreek. Maar het „in vorm van deze tijd" dient serieus gehonoreerd te worden. Het moet niet op een wijze, waarvan prof. Severijn op de concio, januari j.l. zo ongeveer zei, dat het hem onder de preek van een jongere predikant was, als was hij op huisbezoek bij zijn grootmoeder.
Er zijn nog andere onderwerpen in het „forumgesprek" naar voren gekomen, o.m. over ouderlingen, die niet meer de 'kinderdoop konden aanvaarden. Gezegd is daarover, dat dezen de plicht hadden hun van de belijdenis afwijkend gevoelen in kerkeraad en classis te verdedigen. De „bewijslast", dat de kinderdoop niet naar de Heilige Schrift zou zijn rust op hen. Eerst, wanneer die weg bewandeld werd, kon men verder komen. Zonder meer was handhaving in het ambt niet mogelijk, meenden de hoogleraren Ridderbos en Van Genderen, naar ik uit het verslag kon opmerken.
Op prof. Van Ruler's scherpe opmerking, „dat de Drie Formulieren van Enigheid de kerken hebben verenigd maar ook verdeeld, " reageerde prof. Van Genderen ter snede met te zeggen, „dat bewezen moet worden, of werkelijk de „verscheurdheid" te wijten is aan de belijdenis."
Het „forumgesprek" te Apeldoorn was een gebeuren, dat op zijn beurt een niet onbelangrijke bijdrage leverde ter actualisering van de N.G.B., ingesteld naar aanleiding van de herdenking harer inlevering voor vierhonderd jaar. Het werpe vrucht af!
In „Hervormd Nederland" van 24 februari j.l. heeft F. H. L. (ds. Landsman, adj.-secretaris van de Generale Synode) een toelichting gegeven van het synodebesluit over het „open avondmaal" en het „oecumenisch avondmaal". Dergelijke artikelen — een week later gaf „Hervormd Nederland" een dergelijk oriënterend stuk over het synode-besluit betreffende het verzoek van het Humanistisch Verbond — geven ons wat meer licht over wat in de Synode is verhandeld dan het „officiële perscommuniqué. Het artikel van F. H. L. inzake „open-" en „oecumenisch avondmaal" is temeer te waarderen, omdat het het diepinsnijdende van wat de synode te dezer zake voorstaat scherp in het licht stelt. De schrijver spreekt — heel eerlijk — van „een der meest ingrijpende besluiten (cursivering van de Kroniekschrijver), die de Synode na de invoering der Kerkorde heeft genomen". En boven het deel, waarin hij dit besluit in zijn betekenis en consequenties toelicht, plaatste hij het opschrift: „een andere koers"!
Wat is nu volgens F. H. L. een „open avondmaal"? „Een door een hervormde gemeente gehouden avondmaal, waartoe ook leden van andere kerken worden toegelaten". In bet vervolg schrijft hij, dat het ook „open" is voor de leden, die geen belijdenis des geloofs aflegden, „buitenkerkelijken" en „randkerkelijken". Zelfs wordt gedacht aan kinderen vanaf 12 jaar en daarboven. En dit alles, omdat het „het avondmaal des Heeren" is. Hij haalt ten bewijze een gebed aan uit „de vroeg-christelijke kerk", dat aldus luidt: „Zoals dit gebroken brood verstrooid was over 'de velden en tot één werd samengebracht, laat zo Uw Kerk van de einden der aarde worden samen gebracht".
„Een oecumenisch avondmaal" is het avondmaal, dat gevierd wordt in overleg en samenstemming met andere kerken in één gemeente en „bediend door de ambtsdragers dier gemeente." Het spreekt vanzelf, dat hiervoor wel zekere besprekingen zullen moeten gevoerd worden en bepalingen gemaakt, doch men behoeft met 'het aanrichten van zulk een avondmaal niet te wachten, tot er kerkelijke eenheid is bereikt. Niet, dat het als middel tot éénwording moet dienen, doch het 'kan daartoe stimuleren.
Ter Synode is dit „besluit" om deze zaken de kerkeraden ter bezinning voor te leggen, niet met instemming van alle leden genomen. In het slot van zijn artikel schrijft ds. Landsman, dat dit „sommige leden veel te ver ging". Ze vroegen, of de betekenis van het Avondmaal niet wat werd overtrokken en of de eenheid in het belijden van de waarheid Gods niet behoorde voorop te staan en eerst zou moeten worden onderzocht. „Men vreesde daarnaast ook een vervlakking van de avondmaalsviering, vervlakking van het beslissingskarakter van de deelneming, enz."
Ziehier, globaal weergegeven, wat ds. Landsman ons laat weten uit de 'discussies in de Synode over deze zaak. Namen worden niet genoemd. In een ander verslag, dat ik niet meer bij de hand heb, werden wel namen genoemd: ds. S. Meijer, ds. J. Vermaas, ds. Spilt, als ik mij goed herinner; en wat ik daar las van hun bezwaren, is wel terug te vinden in wat ds. Landsman vermelde over bedenkingen, maar ietwat vervlakt en geëgaliseerd. Dit is alles, zo voel ik aan, naar een bepaalde methode. Men kan de bezwaren verstaan, waardeert ze desnoods als een waardevolle bijdrage ter peiling van wat er leeft in een bepaalde sector van de kerk, 'doch past ze ietwat gemodelleerd in het geheel. Een poging tot „stroomlijning"? Niettemin, de reacties die ik vermeldde, hebben mij deugd gedaan. Eerlijk gezegd ik ben geschrokken van deze „koerswijziging." Ze moge min of meer geruisloos zich voltrekken, ze is, ondanks alle schone woorden bedenkelijk. Ze druist in tegen wat Paulus in 1 Kor. 11 noemt inzake het „onderscheiden van het lichaam des Heeren" en de eis der zelfbeproeving. Is daarvoor garantie bij een „open avondmaal"? En is het naar Handelingen 2 : 42: „en zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods en in de gebeden"? Dat is uit de eerste tijd der christelijke kerk en zegt mij meer dan het gebed, hiervóór geciteerd, van de „vroeg-christelijke kerk, " waarvan door ds. Landsman een interpretatie gesuggereerd wordt, welke door een andere kan vervangen worden.
Ik meen, dat wij, wanneer dit „oecumenisch risico" — zo noemt ds. Landsman dit besluit — in de kerkorde wordt, ingeschakeld, geleidelijk de weg opgaan van „de sacramentskerk" van Rome. Zeker, zij (Rome) propageert nu wel Schriftonderzoek en een zekere Evangelieverkondiging, doch haar nog altijd onveranderde leer is, dat God Zijn heil in de harten werkt door de zeven sacramenten. God beware ons voor elke stap op die weg. Ik ben waarlijk niet blind voor wat in de avondmaalspraktijk in onze gemeenten m.i. niet is naar het Woord Gods doch het sacrament des Avondmaals staat toch nog in het midden als „heiligheid des Heeren", en zo blijve het. God geve, dat het meer gezien en aanvaard worde als 'de maaltijd waaraan Christus Zijne gelovigen geve en hergeve de vreugde Zijns heils, „opdat wij ons verblijden met de blijdschap van Gods volk en ons beroemen met Zijn erfdeel" (Psalm 106 : 5).
Onlangs beeft ds. Niemöller gezegd, dat de kerken nergens zo leeg waren als in de West-Duitse Bondsrepubliek. Hij weet dit aan de toenemende welvaart, welke 'de mensen in staat stelt alles zich aan te schaffen, wat ze begeren tot hun levensgenot en dat ze daarom de kerk niet meer nodig hebben. Dit, vrij weergegeven, stond te lezen in de rubriek „Dezer dagen" in de N.R.Crt., d.d. 24-2- 1962. De schrijver meent dat in de Scandinavische landen de kerken nog leger zijn, 'doch dat neemt de ernst van ds, Niemöller's constatering niet weg. Maar dan gaat de scribent verder op het verschijnsel in, zowel op de lege kerken als op de welvaart en komt tot de slotsom, dat de welvaart de mens in de steek laat, wanneer het voor hem gaat om de laatste vragen van leven en dood. En hij vraagt zich af, of de kerk misschien ook in gebreke bleef zo het Woord te brengen, dat op die levensvraag door haar het antwoord gegeven wordt, en of de lege kerken niet te wijten zijn, dat de kerk juist in dat opzicht „de bus miste". En zulks ondanks de ijver der theologen om in een zekere „doorbraak" zich aan te passen aan de huidige situatie.
„Niets nieuws" zal men misschien opmerken. Och, neen. Maar het trof mij dit in genoemde rubriek van de N.R.Crt. te lezen, waarschijnlijk niet van een „insider". Doch deze „niet-insider" gaf niettemin een scherpe analyse van de situatie. Ook bij ons te lande is het verschijnsel van „lege kerken". Zijn wij er genoegzaam door verontrust? „Misereor super turbam" was het randschrift van een penning indertijd, ik meen dóór een der pausen, geslagen. Ontleend was dat aan wat van de Christus Gods staat geschreven, dat Hij met innerlijke ontferming bewogen was over de schare. Bewogenheid ook over de schare der welvaartsmensen, die als zij tot bezinning komt, zal merken, dat radio's, t.v.-apparaten en wat maar meer te verwerven is, geen antwoord geven op de „laatste vragen". Daarom zij de prediking, naar eis des Woords, daarop afgestemd, zowel in de kerk als in de evangelisatie. Een (moeilijke opdracht? Gewis! En toch, ook hiervóór — de Heere vraagt bet van ons, predikanten en gemeenteleden, men denke aan „het ambt der gelovigen" staat geschreven: „Indien iemand van u wijsheid ontbreke, dat Hij ze van God begere. Die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt, en zij zal hem gegeven worden. Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende" (Jacobus 1 : 5 en 6). Kort geleden hoorde ik van een kerkse gemeente, ergens in Nederland, dat wanneer nieuw-ingekomenen zich in haar vestigden, het kerkvolk al het zijne deed, om ze mee ter kerke te krijgen, wat heel vaak gelukte. Zo werden ze gebracht onder het Woord, de prediking van „dit is de weg, wandelt in dezelve", de prediking, waarin Christus in Zijn rijkdom van heil werd verhoogd, zodat heel het volk Hem kon zien. Daar zijn de kerken niet leeg!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's