De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

In het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" schrijft G. Braak Hekke een artikel onder de titel Alleszins Godsdienstig. In dit artikel typeert hij de dagen waarin wij nu leven als alleszins godsdienstig. Allerlei symptomen wijzen daarop, zoals het feit dat zo ongeveer alle dagbladen ook een rubriek hebben voor kerknieuws; bij de uitgevers verschijnen tegenwoordig nog al wat godsdienstige boeken. Ook diverse films verwerken een godsdienstig gegeven. Daarnaast wordt er op gewezen, dat de publiciteit tijdens de Assemblee te New Delhi groot en goed was. We zijn dus wel alleszins godsdienstig.

De schrijver gaat dit alles echter nader analyseren en maakt in dat verband verschillende zeer waardevolle opmerkingen. Hij stelt de vraag, of God in het middelpunt staat en als antwoord daarop schrijft hij: Ik geloof van niet. Wel staat de kerk in het middelpunt. De moderne mens met zijn angstcomplexen heeft van alles al geprobeerd om met z'n problemen klaar te komen. De mens vindt echter nergens een oplossing, en ten einde raad vraagt hij het nu aan de kerk. De kerk moet uitspraken doen, maar dan hanteerbare uitspraken, d.w.z. dat men er in het leven van alle dag iets aan moet hebben. Hier schuilt een gevaar voor de kerk, want men vraagt niet hoe men een probleem moet zien in het licht van Gods Woord, maar men vraagt van de kerk een praktische oplossing die men morgen aan de dag kan gebruiken en waarvan het zeker is dat ze resultaten heeft. Allerlei mensen, met name in Amerika, gaan zich nu al weer afwenden van de psychiaters en keren zich tot de kerk. De grote verzoeking voor de kerk op dit punt, is hierin gelegen, dat de kerk teveel tegemoet komt aan deze behoefte. De schrijver geeft er een illustratie bij:

Wat denkt u bijv. van de automobilist : die een aantal bijbelteksten op papiertjes heeft geschreven en hiervan telkens een tegen de voorruit van zijn auto plaatst als hij een lange tocht moet maken. De man constateerde dat hij met grotere voorzichtigheid reed en bij zijn klanten meer resultaat bereikte, vooral dat hij een betere verstandhouding met hen kreeg. En al leidde dit laatste dan niet direct tot een grotere omzet, hij werkte prettiger en had de gegronde hoop dat deze betere verstandhouding op de duur zou leiden tot grotere orders. En dit alles werd bereikt door het lezen van en nadenken over bijbelteksten. Deze man vindt zichzelf natuurlijk godsdienstig en hij heeft natuurlijk belangstelling voor de kerk

Deze man zou hoogstwaarschijnlijk vreemd hebben opgekeken als je hem had aangeraden eens de koran te proberen en het lijkt me zeer waarschijnlijk dat hij daarin evengoed geschikte teksten had kunnen vinden. Zeer zeker had hij een uitstekende keuze kunnen doen uit de uitspraken van Confucius, de Chinese wijsgeer. Het hangt er maar van af in welke handen deze mensen terecht komen.

De schrijver vervolgt dan z'n artikel en merkt op, dat de moderne mens in aanraking komt met het christendom, dat zegt, dat God bestaat en dat alles genade is. Daarnaast maakt die mens kennis met het atheïsme, dat zegt dat God niet bestaat. Dit laatste leidt echter tot zinloosheid en absurditeit. In zijn zoeken naar de zin van het leven gaat de moderne mens nu luisteren naar dat wat de kerk zegt over de houding tot de naaste, en in het opvolgen daarvan hoopt de moderne mens nu het leven leefbaar te laten blijven of te maken. Het grote gevaar voor de kerk is nu, dat ze hieraan te ver tegemoet komt, dat ze het eerste en het grote gebod verwaarloost, omdat de mens van nu alleen naar het tweede vraagt. De kerk zal de moed moeten hebben om allebei de geboden te prediken. Van de conclusie van de schrijver nemen we tenslotte nog het volgende over:

Gedurende de kerstdagen is me opgevallen in verschijnende preken en ook in een aantal bladen dat onze kerk van nu daar oog voor heeft. Er werd stilgestaan bij het kerstgebeuren, natuurlijk, maar men sprak ook over de wederkomst van Christus. Ik geloof dat dit laatste wei van een zeer groot belang is voor onze tijd. Ondanks alles wat er gebeurt, ondanks alle donkere wolken is er hoop voor de wereld, want Jezus komt.

De mensheid is bang voor de toekomst. Ze heeft geen hoop meer. De prediking van de wederkomst van Christus, van de nieuwe hemel en aarde zal beter aansluiten bij wat er leeft in onze tijd. Verschillende sekten hebben al tientallen jaren geprobeerd dit aan de kerk duidelijk te maken. Gelukkig dat de kerk gaat luisteren naar hen al zal ze niet sektarisch mogen worden, door het Evangelie te verengen tot dit ene geloofspunt.

In „De Saambinder" van 22 februari gaat de hoofdredacteur uitvoerig in op een brief die hij ontving van een lezer, waarin deze vragen stelt naar aanleiding van een artikel in liet dagblad „Trouw" dat 'handelde over de treinramp te Harmelen. Nu hébben we helaas dit artikel in „Trouw" zelf niet gelezen; ook vinden we er in „De Saambinder" niet een kort résumé van zodat we aan de hand daarvan ons een voorstelling zouden kunnen maken van de gang van het betoog. Dat we niettegenstaande dit alles toch op dit artikel in „De Saambinder" wijzen in ons persoverzicht, vindt z'n oorzaak in het feit, dat we hier sterk vermoeden dat er een geheel misverstaan van elkaars redeneringen en bedoelingen in het geding is. We moeten het dus alleen maar doen met wat betrekkelijk losse opmerkingen uit het artikel in „De Saambinder" en weten dus niet met zekerheid dat onze gedachten over de bedoelingen van de schrijver in „Trouw" juist zijn; we kunnen hier dus alleen maar met vermoedens werken. In „De Saambinder" lezen we dan:

In dit artikel staat echter, dat de mens na de zonde-val bleef die hij was, en dat God de genadegift van de vrijheid hem niet afnam, zodat zelfs in de mogelijkheid tot zondigen en tekortschieten nog iets uitkomt van de grootheid die God de mens gegeven heeft. Met deze schrikkelijke stelling mogen wij ons echter nooit verenigen. Zou in de lust tot zondigen en het vrijwillig doen van de begeerte van de mensenmoordenaar, die wij toegevallen zijn (zie Joh. 8 : 44) nog iets uit kunnen komen van de grootheid en heerlijkheid van de schepping Gods van de mens?

De mens bleef na de zondeval niet die hij was in de staat der rechtheid; hij is een gans andere geworden in heel zijn bestaan, met gedachten, woorden, werken, willen, doen en zijn . . . .

Dat de mens nog een vrije wil ten kwade heeft, waardoor hij echter de schuld nog dagelijks meerder maakt, aangezien wij van onszelf onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, kan nooit als iets groots, als een overblijfsel van zijn verloren adeldom worden gezien.

Ik weet het nog zo net niet, of dat volstrekt nooit kan. Is het misschien ook mogelijk dat de schrijver in „Trouw" met deze opmerkingen alleen maar heeft willen zeggen, dat de mens door de zondeval niet geworden is een stok en een blok? Ik weet het niet, want, nogmaals, ik heb het „Trouw"-artikel niet ingezien, maar als de schrijver alleen maar heeft willen betogen, dat de mens na de zondeval toch nog mens is gebleven en niet gelijk werd aan een dier bijvoorbeeld, dan ben ik het helemaal met hem eens. De mens heeft immers na de zondeval nog de wil o.a. overgehouden en mogen we dit ook niet rekenen onder de kleine overblijfselen van het beeld Gods, die de mens overgehouden heeft na de zondeval en die, volgens art. 14 van de Ned. Gel. Belijdenis genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen?

De schrijver in „De Saambinder" verzet zich vervolgens nog al scherp tegen de bewering in het artikel uit „Trouw", dat God meteen begon met opschorting van de dood. Dit beweren is in flagrante strijd met de ontzettende werkelijkheid van de doodstaat, waarin de mens in zijn bondsbreuk in Adam verzonken ligt. God gaf de mensheid niet een nieuwe kans en Adam had zijn eigen leven en zijn eigen dood niet in zijn hand. Wanneer de schrijver in „De Saambinder" deze beweringen dan recht gaat zetten, dan gaat hij op een merkwaardige wijze zichzelf tegenspreken. Leest u maar:

Ook schortte God het oordeel van de drievoudige dood niet op, al voltrok Hij dit niet direct geheel. Aanstonds viel Adam, toen hij nam en at, in de geestelijke dood. De mens verloor immers direct bij de val het beeld Gods, waarnaar hij geschapen was, en miste ook onmiddellijk de gunst van God, vlood weg en verborg zich, terwijl hij eerst in Gods onmiddellijke gemeenschap steeds verkeerde. Wel stelde God de volvoering van het vonnis, wat de tijdelijke en de eeuwige dood betreft, uit, daar de Heere met Zijn genade in Christus Zich in Adam en Eva wilde verheerlijken . . . .

We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat de beide artikelenschrijvers precies hetzelfde zeggen. „De Saambinder" verzet zich krachtig tegen de bewering, dat God de dood opschortte en de mensheid een nieuwe kans gaf. Maar in het zojuist aangehaalde gedeelte wordt toch precies hetzelfde gezegd? Of wordt in „Trouw" soms de geestelijke dood geheel ontkend? We kunnen dit uit het artikel van „De Saambinder" overigens niet opmaken. Vooral de uitspraak, dat de mensheid een nieuwe kans krijgt en dat Adam zijn eigen leven en zijn eigen dood in zijn hand heeft, wordt radicaal afgewezen met de uitspraak van de Catechismus, dat wij alzo verdorven zijn, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar we kunnen niet bespeuren in „De Saambinder" dat dit alles in „Trouw" ontkend wordt. We hebben integendeel de indruk, dat in „Trouw" alleen maar beweerd werd, dat de mens niet bij het eten van de verboden boom op hetzelfde moment (lichamelijk) dood neerviel en meteen in de eeuwige dood stortte. En dat is zonder meer waar; de mens kreeg een nieuwe kans op genade en eeuwige zaligheid. We zijn van mening dat dit ook de bedoeling is van de bewering, dat Adam zijn eigen leven en zijn eigen dood in zijn hand had. In dit verband denk ik aan de vrouw van Lot. Zij stierf niet in Sodom, omdat ze in Adam gevallen was, maar zij stierf onderweg, toen zij, tegen het uitdrukkelijk bevel des Heeren in, onderweg toch nog omkeek naar Sodom. Maar dat betekent niet, dat als deze vrouw niet omgekeken had, zij dan geweest zou zijn zoals Adam vóór de zondeval. Het eigenaardige van de zaak is dan tenslotte dit, dat we even verder in hetzelfde artikel van „De Saambinder" lezen:

Krachtens schepping blijft echter de volle verantwoordelijkheid voor de mens, ondanks alle onbekwaamheid door de zonde, gehandhaafd en zal in het bijzonder een elk, die onder het Woord leeft, eenmaal verantwoording voor God moeten afleggen, ook van de welmenende nodigingen des Heeren. in de roeping die tot een elk van hen komt.

Of één en ander voor de lezer van „De Saambinder, die de vragen stelde, veel duidelijker geworden is, vermeldt de geschiedenis niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's