De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN NIEUW HOOFDSTUK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN NIEUW HOOFDSTUK

9 minuten leestijd

Weerhoudende genade. 

De aardse cultuur behoort, om met de Heilige Schrift te spreken, bij de dienstbaarheid der verderfenis en is der ijdelheid onderworpen. Doch niet zonder zin. Zij kan de mens niets voort brengen dan arbeid en moeite. Daarin is ook nog een zegen, omdat God haar dienstbaar maakt aan de vervulling van Zijn Raad aangaande ons geslacht. Daarom heeft Hij de aarde opgeofferd en gesteld tot een woonplaats en een voedster van de miljarden mensenkinderen, die Hij zich had voorgenomen tot een eeuwige bestemming te creëeren. Daartoe heeft Hij ondanks de oordelen Zijner straffende gerechtigheid de mensen gaven gegeven, die hen zouden begeleiden in de vervulling van de aardse roeping.

Tenslotte is dat alles nog slechts voorbereiding en ondergeschikt aan „Zijn welbehagen om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel is en op de aarde is; in Hem, in Welken wij ook erfdeel geworden zijn, wij, die tevoren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben" (Efeze 1 : 9 v.v.).

Terwille van dat welbehagen Gods wordt de werking van de dood vertraagd en door de indruppeling van nieuwe levenskrachten en gaven door de genade Gods verkrijgt de aardse cultuur nog een schijn van leven. In werkelijkheid echter stuwt zij voort naar haar eigen ondergang in „de volheid der tijden", De volheid der tijden? Wat wordt daaronder verstaan? Het woord dat voor tijden staat betekent zoveel als perioden, die tevens gelegenheden zijn, waarin iets kan plaats vinden. De reformatie kwam in de 16e eeuw en niet in de 6e, om een voorbeeld te noemen, waarop ook Greydanus wijst (Dr. S.Greydanus, Korte verklaring der Heilige Schrift. Epheze. Kampen, '49, blz. 39). Men zou kunnen zeggen een tijd, die voor een geschieden rijp is. In het onderhavig verband: een tijd, die voor het geschieden van een voorgenomen besluit Gods rijp is. Als we dan onder volheid verstaan, hetgeen voorheen nog ontbrak aangevuld, er bij gekomen, en dus vólgemaakt, dan worden we door de uitdrukking volheid der tijden gezet voor het eind der tijden en aan de ingang van een nieuwe bedeling. Dat involveert alzo de voortgang, de voleindiging van de bedeling, waarin we thans leven. De Heilige Schrift geeft onweersprekelijk te kennen, dat deze met grote tekenen, verschrikking en oordeel zal gepaard gaan.

Alles nieuw.

In de zoëven aangehaalde woorden uit Efeze wordt die nieuwe bedeling in haar centraal en overheersend karakter getekend: „Alles wederom bijeenvergaderen in Christus, wat in de hemel en op de aarde is." De nieuwe bedeling betreft dus de gehele wereld en vindt haar centrum in Christus. Daarin wordt heel bijzonder genoemd de gemeente van Christus, de nieuwe mens.

Elders zegt de Schrift, dat deze gemeente in Christus is geschapen (Efeze 2 : 10). Verder: „zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden' (2 Kor. 5 : 17). Alles nieuw geworden, de hemel en de aarde (Openb. 21 : 1 vv.). De oude hemel en de oude aarde, d.i. onze aarde, waarop we thans zo druk bezig zijn, voorbij gegaan en onze cultuur met haar. 

We hebben gesproken van een hemelse cultuur in onderscheiding van onze aardse cultuur. Die hemelse cultuur is van hemelse architectuur, een gebouw Gods, een werk van schepping en herschepping, van creatie en regeneratie. Vandaar het geleidelijke, de boven gememoreerde vertraging van de werking des doods. Schepping en herschepping gaan hand aan hand in de voorbereiding van dit eeuwigheidswerk.

Abraham, die de vader der gelovigen wordt genoemd, heeft in de geest de nieuwe bedeling gezien en zijn verwachting gericht op de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebreen 11 : 10). Paulus wijst de gemeente herhaaldelijk op dat kunstwerk Gods: „Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Kor. 5:1). Hij bepaalt er ons bij, dat het gehele gebouw rust op Christus: gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen, op welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in de Heere, op welken ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest (Efeze 2 : 21).

Hieruit zien we, dat de gemeente van Christus zelf tot die heilige tempel, d.i. een woonstede Gods, is geordineerd (zie ook 1 Kor. 3 : 9vv.).

„We zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd", zegt de apostel, „als we u bekend gemaakt hebben de kracht en de toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit (2 Petrus 1 : 16). De toekomst van de Heere Jezus Christus. Daarop is de ganse wereldhistorie gericht. Daaraan is het schepsel dienstbaar. Daarin is de zin der geschiedenis gelegen.

Het is zelfs niet slechts toekomstprofetie: „wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont" (2 Petrus 3 : 13), waarvan de vervulling nog steeds op zich laat wachten. Neen, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde worden alrede gewrocht. Dit ligt niet bloot voor het experiment der wetenschap, zodat zij het zou onderkennen en de tijd uitmeten. Maar het is in gang, gelijk geschreven staat: „Want het schepsel, met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; op hoop, dat het zal vrijgemaakt worden, van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods, want wij weten, dat het ganse schepsel zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe" (Kom. 8 : 19 v.v.).

De apostel Paulus ziet het klaar voor ogen: wij weten. Het geloof schouwt immers in de werken van het scheppende en openbarende Woord. De schepping is in arbeid om de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde te genereren.

Ook de profeet van de oude dag, heeft het gezien: „Want ziet. Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden en zullen in het hart niet opkomen (Jesaia 65 : 17). Voorts betuigt hij, dat het zaad van Israël daarvan getuige zal zijn (Jesaia 66 : 22).

De nieuwe mensheid.

De nieuwe mensheid is de kroon van Gods scheppende arbeid. Die nieuwe mensheid zal niet alleen in de Godsstad wonen, maar zij is de Godsstad, de woonstede Gods en Zijn heilige tempel, niet met handen gemaakt. De Schrift spreekt over dit kroonwerk in de terminologie van onze aardse architectuur : gebouw, tempel, fundament, hoeksteen, maar laat niet na ons van stoffelijke voorstellingen op te heffen tot een eeuwige, geestelijke werkelijkheid. Daarom echter niet minder reëel.

Ook deze eeuwige woonstede Gods wordt alrede toebereid en gewrocht of met andere woorden: de nieuwe mensheid wordt geboren op onze oude aarde. Te midden van al onze bezigheid met de werken onzer ijdelheid en het rumoer der tijden rijst de Godsstad omhoog. Hoewel dit goddelijk werk rein geestelijk is en als zodanig verborgen voor de wereld, wordt zij daarvan toch niet in mindere mate de tekenen gewaar dan van de geboorte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Dit werk Gods gaat n.l. gepaard met uitwendige verschijnselen, die aan de aardse cultuur ontleend zijn: men bouwt kerken van aardse makelij en structuur, men vormt gemeenschappen met een eigen karakter, men onderscheidt zich in levensstijl, men spreekt over God en zijn werken, men zingt psalmen en bidt, enz. enz. Eigenlijk is genoemde „men" een vreemde figuur in deze wereld. Maar het is een vreemde figuur, die heel erg oud is, een traditie van geslacht op geslacht. Als zodanig wordt het meegerekend bij de inventaris van de aarde, hoewel heit er strikt genomen niet bij hoort. Velen zijn als de toeristen, die de architectuur van de machtige kathedralen bewonderen, en een schilderij maken van het „snoezige" dorpskerkje, doch geen weet hebben van de werken Gods of daaraan onverschillig voorbij gaan. Niettemin is dit alles een teken in de wereld van de rijzende Godsstad, een roep tot bekering en een vermaning der hemelse gerechtigheid, waaraan niemand straffeloos voorbijgaat.

Sedert de mens uit het paradijs werd gedreven is God bezig met de herschepping van de mens. Terwijl de uitgedrevene al zijn krachten inspant om het verloren paradijs te herwinnen en de aardse cultuurstrevingen daarop gericht zijn, gaat het werk Gods storeloos door de eeuwen heen voort.

Het fundament van het Godsgebouw is n.l. gelegd en niemand kan een ander fundament leggen. Alle bouwsel op of naast dat fundament, dat niet uit God is, zal geen bestand hebben en is ten vure gedoemd (1 Korinthe 3 : 10 v.v.). In en door Christus, het vlees geworden Woord, heeft de vernieuwing van de aardse mens plaatsgevonden. De Schrift kent n.l. een „natuurlijke d.w.z. een psychische mens en een geestelijke mens. Adam, die is geworden tot een levende ziel, is de psychische mens en zoals Adam is, zijn wij, die uit hem geboren zijn: aards uit de aarde. Christus echter, de tweede Adam, is geworden tot een levendmakende Geest. Daarom, die van Christus zijn, die uit Hem geboren zijn, dragen Zijn beeld en zijn hemelse, d.i. geestelijke mensen. In de vleeswording heeft Christus door geboorte uit de maagd onze aardse menselijke natuur aangedaan in de gelijkheid van het zondige vlees en daarmede onze zonden, onze schuld, ons oordeel op Zich genomen en de toorn Gods was op Hem (Rom. 8 : 3). Hij is der zonde gestorven. Het lichaam der zonde is te niet gedaan. De oude mens is met Hem gestorven Vgl. Rom. 6). De nieuwe mens echter is met Hem opgestaan. Hij heeft verzoening teweeggebracht, de oude, de psychische, mens herschapen en tot een geestelijke of pneumatische mens gemaakt. „Een natuurlijk (psychisch) lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk (pnerunatisch) lichaam wordt opgewekt" (1 Korinthe 15 : 44).

In Christus' dood nu zijn al de Zijnen der zonde gestorven en in Zijn opstanding zijn zij in nieuwigheid des levens opgestaan. Zo is het welbehagen Gods in en door Hem vervuld geworden en daarom wordt Hij het fundament en de hoeksteen van het Godsgebouw genoemd.

De historie heeft de buitengewone betekenis van dit gebeuren in zoverre begrepen, dat ze het als een keerpunt in de geschiedenis der mensheid heeft gezien en de nieuwe bedeling een merkteken heeft gegeven door de jaren te tellen van af het jaar onzes Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN NIEUW HOOFDSTUK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's